+ Meer informatie

Toezegging en toeëigening

37 minuten leestijd

I

In hoeverre is dit thema voor de ambtsdragers en speciaal voor de ouderlingen van belang?

Zij bezoeken de leden van de gemeente en hebben geestelijke leiding te geven. Het zal gaan over het geloof, over twijfel en strijd, over vrede en zekerheid. Bij de een leeft de vraag: Hoe kom ik tot Christus? Bij de ander de vraag: Hoe weet ik, dat mijn zonden vergeven zijn? Er is dikwijls reden om over het Avondmaal te spreken. Het geloof in de gewisse belofte van God is nodig om Avondmaal te vieren. Er wordt ook een gesprek gevoerd met belijdende leden die niet toetreden tot de tafel des Heren. De oorzaak zou kunnen zijn, dat zij niet durven aan te nemen, dat het ook voor hen is. Er zijn doopleden die er niet toe komen om belijdenis te doen en aan wie ook bijzondere zorg besteed moet worden. Zijn zij er in hun hart afkerig van of is het meer een kwestie van onvrijmoedig-heid?

De prediking mag aan dit alles ook zeker niet voorbijgaan. De ouderlingen dragen mede verantwoordelijkheid voor de prediking en hebben ook daardoor met deze vragen te maken.

Wij kunnen het onderwerp ook meer theologisch benaderen.

Wie ontvangen deel aan het heil? Niet alleen aan wie de belofte van het evangelie verkondigd wordt. Toezegging en toeëige-ning zijn niet hetzelfde. „Aangeboden worden is iets anders dan ontvangen worden” (Calvijn).

Er is wel een zeer direct verband tussen toezegging en toeëigening. De toezegging vraagt om toeëigening en de toeëigening berust op de toezegging.

De volgorde is niet om te keren. Het eerste is niet ons geloof, maar de belofte van God, niet de heilstoeëigening door de Heilige Geest, maar de heilstoezegging om Christus’ wil 1).

Bij ons mag wel belangstelling verwacht worden voor al wat met de toezegging en de toeëigening verband houdt, omdat de persoonlijke verhouding tot God in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland vanouds centraal gesteld is. Maar dat is niet specifiek christelijk gereformeerd — het is goed reformatorisch. Wij behoeven alleen maar te denken aan Zondag 1 van de Heid. Catechismus: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.

Hier horen wij „mij” en „mijn” zeggen, „mijnen” zoals het wel eens genoemd is. En daar komt het nu juist op aan.

II

Als iemand geworsteld heeft met het vraagstuk van de toeëigening van het heil, dan is dat Maarten Luther geweest! Het waren eigenlijk drie benauwende problemen voor hem: Ben ik wel heilig genoeg? Heb ik wel voldoende berouw? Ben ik wel uitverkoren?

Luther heeft ten volle ernst gemaakt met de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij is in een klooster gegaan, omdat dit als de kortste weg naar de hemel beschouwd werd. Hij heeft het gezocht in allerlei boetedoeningen. Maar rust vond hij niet, totdat het licht voor hem opging uit de Schrift: De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Wij worden door het geloof alleen gerechtvaardigd!

„De vragen, waardoor Luthers geestelijke en theologische interesse in de jaren voor en van zijn breuk met het katholieke dogma en de hiërarchie beheerst werd, cirkelden ten diepste alle rond de vraag naar de toeëigening van het heil” 2).

Wij horen Luther later niet zeggen: Had ik die strijd maar niet gehad! De aanvechting deed hem juist verstaan, dat hij op Gods genade aangewezen was. Daardoor heeft hij ervaren — om het met zijn eigen woorden te zeggen — hoe waarachtig, hoe zoet, hoe liefelijk, hoe machtig en hoe troostrijk Gods Woord is.

Hij is gaan wanhopen aan zichzelf en aan alle menselijke mogelijkheden om in het reine te komen met God. De grond van ons behoud ligt buiten ons. „Daarom is onze theologie zeker, omdat zij ons buiten onszelf brengt”. Ik moet niet staan op mijn geweten, op een persoon of op een werk, maar op de goddelijke belofte, de waarheid die niet wankelen kan.

Belofte en geloof zijn op elkaar betrokken. Luther zegt in zijn bekende reformatorische geschrift: „De babylonische gevangenschap der kerk” (1520): „Immers daar waar het woord is van de belovende God, daar is nodig het geloof van de mens, die deze belofte aanneemt; zodat het duidelijk is dat het begin van ons behoud het geloof is, dat rust op het woord van de belovende God”. „God heeft Zich nooit anders tot de mensen in betrekking gesteld, of doet dat nog, dan door het woord der belofte. En omgekeerd is het zo, dat wij ons nooit anders met God in betrekking kunnen stellen dan in de weg van het geloof aan het woord Zijner belofte” 3).

Wij zijn door de reformatorische theologie met deze relatie van belofte en geloof vertrouwd geraakt. Luther heeft deze bijbelse gedachte weer naar voren gebracht, daarin gevolgd door Calvijn.

Van de relatie belofte—geloof gaan de Hervormers over op de relatie tussen Christus en de gelovige en omgekeerd.

Het geloof neemt Christus aan, zoals Hij sterft voor onze zonden en opstaat tot onze gerechtigheid. Het ware geloof omhelst de Zoon van God Die Zichzelf overgaf, met blijdschap met uitgestrekte armen en zegt: Mijn Geliefde is van mij en ik ben van Hem.

Dit „voor mij” of „voor ons” is dus het kenmerk van het ware geloof. Het zegt: Ik geloof dat de Zoon van God geleden heeft en opgestaan is en dat Hij dit alles voor mij, voor mijn zonden gedaan heeft.

Om deze zekerheid ging het Luther!

Dit alles is reformatorisch erfgoed geworden. Alleen heeft Calvijn er een bredere en sterkere fundering aan gegeven in zijn leer van het verbond der genade en in zijn leer van het werk van de Heilige Geest.

Het leven, het heil en de ganse hoofdsom der zaligheid ligt in de verbondsbelofte: Ik zal u tot een God zijn. Bij de belofte behoort de eis, maar de belofte staat voorop. „Dat is iets dat ons zo in verrukking moet brengen, dat wij geen enkel bezwaar maken om ons volkomen aan onze God over te geven”.

In een discussie met een luthers theoloog heeft Calvijn het eens zo gezegd: „Als het over de genadeweldaden Gods gaat, ben ik altijd gewoon bij Christus te beginnen, en met recht, want het kan niet anders of wij zijn geheel verstoken van alle genadegaven waarvan de volheid in Hem is, totdat Hij de onze wordt”.

Hoe wordt Hij de onze? Het antwoord op deze vraag lezen wij in het derde boek van de Institutie waarvan de titel luidt: Over de wijze waarop de genade van Christus verkregen wordt.

In het eerste hoofdstuk laat Calvijn vooral duidelijk uitkomen, dat Christus door de Geest werkt en dat de Geest voor Christus werkt. De Heilige Geest is de band waardoor Christus ons krachtdadig aan Zich verbindt. En het is de verborgen werking van de Geest waardoor wij Christus en al Zijn goederen genieten.

III

Er zijn echter ook heel andere opvattingen over de toeëigening van het heil. Om ons goed te realiseren, wat de betekenis van de reformatorische leer is, dienen wij ook daaraan enige aandacht te geven.

Een oude gedachte, die telkens weer terugkeert, is dat de mens zich de genade eerst waardig moet maken.

Er wordt dan in de regel een samenwerking aangenomen tussen God en mens, de genade van God en de vrije wil van de mens (synergisme).

De Rooms-Katholieke Kerk leert, dat ieder gerechtigheid ontvangt naar de mate waarin de Heilige Geest die aan ieder toebedeelt en naar de eigen gesteldheid en medewerking van ieder. Niemand kan met een onbedriegelijke geloofszekerheid weten, dat hij Gods genade ontvangen heeft. Alleen door een speciale openbaring kan men weten, dat men tot het getal van de uitverkorenen behoort. De gelovigen moeten door middel van goede werken met vrees en beven hun zaligheid bewerken en intussen hopen, dat God hun om Christus’ wil genadig zal zijn.

Heilszekerheid is er niet, omdat men de genade altijd nog verliezen kan.

Een variant van de synergisme is de leer van de Remonstranten. Het onderscheid tussen verwerving en toeëigening van het heil verklaarden zij zo, dat God alle mensen de door Christus verworven weldaden gelijkelijk zou hebben willen verlenen, maar dat het verschil — dat sommigen de vergeving van zonden en het eeuwige leven deelachtig worden en anderen niet — ligt aan de vrije wil, die zich al of niet bij de aangeboden genade voegt 4).

Ook hier is de vrije wil de onzekere factor. Voor het moment kan men er volgens de Remonstranten wel zeker van zijn, dat men deelt in het heil, maar men weet niet of men in het geloof zal volharden. Er is een afval der heiligen.

Van deze remonstrantse gedachtengang zegt de Dordtse Synode, dat daardoor de vaste troost der ware gelovigen wordt weggenomen en de twijfeling der pausgezinden in de kerk weer wordt ingevoerd 5).

Het zou niet juist zijn om Roomsen en Remonstranten geheel op één lijn te stellen. Bij Rome is de mens in sterke mate afhankelijk van de kerk, die met haar sacramenten het heilsinstituut is, waarvan men het verwachten mag en moet. De sacramenten bevatten en verlenen de genade immers. Dat is bij de Remonstranten anders.

Met de piëtistische en methodistische opvattingen komen wij in de praktijk meer in aanraking.

Het piëtisme van de zeventiende en achttiende eeuw concentreerde zich op de toeeigening van het heil. Het gaf meestal een uitvoerige beschrijving van de heilsweg of heilsorde. Schrift en ervaring waren de bronnen waaruit werd geput.

Op zelfonderzoek werd ernstig aangedrongen en zowel in verband daarmee als met het oog op de zekerheid des heils werd uiteengezet, wat de kenmerken der genade waren. Daar moest men zich aan toetsen. Bavinck zegt ervan: „De weg des heils is een smalle, nauwe weg, waarlangs de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook is het een lange weg. Van het toevluchtne-mend tot het verzekerd vertrouwen is een groote afstand; daartusschen bewegen zich vele klassen en groepen van menschen, ontdekten, overtuigden, bekommerden, heilbegeerigen, klein, en zwakgeloovigen enz. De verzegeling en verzekering volgt in den regel eerst na langen tijd van twijfel en strijd, en komt dan menigmaal op buitengewone wijze, door eene stem, een gezicht, een plotseling invallend troostwoord der Schrift enz. tot stand” 6).

Dit piëtisme heeft nog altijd een niet te onderschatten invloed.

Het methodisme is eerst langs onze kerken heengegaan, maar wij krijgen er de laatste tijd meer mee te maken.

Wij denken dan vooral aan het methodisme dat een arminiaanse inslag heeft (Wesleyaans methodisme).

In de leer van John Wesley weerspiegelt zich zijn levenservaring. Hij gaf als dag en uur van de grote ommekeer in zijn leven aan: woensdag 24 mei 1738, ’s avonds om kwart voor negen. Het gebeurde in een samenkomst bij de voorlezing van de voorrede van Luthers verklaring van de Brief aan de Romeinen. Wesley noteerde in zijn dagboek: Dit weet ik, dat ik nu vrede met God heb. En ik zondig vandaag niet.

De leer van het heil staat bij de Methodisten centraal. Het gaat om krachtdadige bekering, volstrekte overgave aan Christus en een ijver voor het koninkrijk Gods. „Daartoe moesten allereerst door eene aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde, oordeel en verdoemenis de menschen plotseling tot een diep besef van hun verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde oogenblik, zonder uitstel, door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd; en daarna tot een nieuw, in den dienst van het koninkrijk Gods werkzaam, aan zending en philanthropie zich toewijdend, van allerlei middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespooïd worden” 7).

Terwijl het piëtisme een lange heilsweg heeft, is het bij het methodisme een korte weg. Het trekt alles bijna in één punt samen: Doe het nu! Dan is er ook geen twijfel meer. Men moet niet naar binnen zien, men moet oog hebben voor de nood van de medemens. Met het evangelie de straat op! De invloed van het methodisme bespeuren wij in tal van opwekkingsbewegingen en in allerlei vormen van praktisch christendom. Ook het Leger des Heils en de Pinksterbeweging zijn van huis uit methodistisch. De stichter William Booth en Thomas Barratt waren trouwens ook methodistische predikanten.

Er is zowel in de piëtistische als in de methodistische heilsleer een sterk subjectief moment. Het gevaar van subjectivisme is hier niet denkbeeldig.

Bij het subjectivisme ligt het zwaartepunt in wat er met de mens gebeuren moet, maar bij het objectivisme in wat er onafhankelijk van ons gebeurd is.

De theologie van Karl Barth is een goed voorbeeld van dit objectivisme.

Barth wilde weer beginnen bij wat God in Christus gedaan heeft. Alles is in Christus beslist. Laat dat in het geloof voor u gelden! Alle mensen zijn — objectief gezien — gerechtvaardigd en geheiligd.

Maar al te veel ontbreekt bij Barth de gedachte, dat het heil door de Heilige Geest wordt toegepast. „Bij Barth’s streng-christocentrisch stellen der problemen komt dit eigen werk van de Geest, die ons in Christus’ werk inleidt te kort. En in veler prediking nog veel meer” 8).

Als wij dit alles overzien, treft het ons, dat de samenhang van toezegging en toeëige-ning bij deze opvattingen nergens tot zijn recht komt.

De toeëigening wordt verzelfstandigd ten opzichte van de genade en voor een deel aan de vrije wil toegeschreven, waardoor zij onzeker wordt (rooms-katholicisme, remonstrantisme) of verzelfstandigd ten opzichte van de belofte en daardoor moeilijk gemaakt (piëtisme) of door schematisering verzelfstandigd, zodat zij eenzijdig wordt (méthodisme).

De toezegging verandert van karakter, wanneer het een aanzegging wordt van het heil in Christus, waardoor wij niet meer voor een beslissing gesteld worden. Dan wordt de genade „goedkope genade”.

IV

Het blijkt gemakkelijk te zijn om bij de vragen die ons bezighouden, het spoor bijster te raken.

Daarom mogen wij dankbaar zijn, dat het reformatorisch inzicht in de Schrift vastgelegd is in onze belijdenis.

De woorden toezegging of belofte en toe-eigening of deelachtigmaking komen herhaaldelijk in de Drie formulieren van enigheid voor.

Zonder naar volledigheid te streven noem ik enkele belangrijke passages.

In art. 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen wij, dat de Heilige Geest in onze harten een oprecht geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt.

In art. 35 — het artikel over het Avondmaal — : Jezus Christus voedt en onderhoudt het geestelijk leven der gelovigen, als Hij gegeten, dat is, toegeëigend en ontvangen wordt door het geloof, in de geest. Vooral de Heid. Catechismus spreekt veel over toezegging en toeëigening.

Wij denken aan Zondag 7: Wat is dan een christen nodig te geloven? Al wat ons in het evangelie beloofd wordt. Behalve een zeker weten of kennis is het geloof ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil. Hier horen wij de taal van de toeëigening: een vast vertrouwen, dat het ook mij geschonken is.

In Zondag 25 wordt beleden, dat het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt; in Zondag 20, dat de Heilige Geest ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt.

Dat is geen tegenstrijdigheid. De Heilige Geest doet het door het geloof. Dat staat er in Zondag 20 bij. Het geloof komt van de Heilige Geest. Dat wordt er in Zondag 25 bij gezegd.

Een ander woord voor dezelfde zaak is: aannemen. Dat blijkt vooral uit Zondag 23: dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.

Zo komt het woord aannemen al in Zondag 7 voor. Wij denken ook aan Zondag 31, waar sprake is van een met een waar geloof aannemen van de belofte van het evangelie. Wij zien hier, hoe direct toezegging en toeëigening op elkaar betrokken zijn en van hoeveel belang het aannemen van de belofte van het evangelie of de toeëigening van de toezegging is. Het gaat in Zondag 31 over de prediking als sleutel van het koninkrijk der hemelen. De prediking luidt: Zo dikwijls als gij de belofte van het evangelie met een waar geloof aanneemt, zijn al uw zonden u door God om der wille van de verdiensten van Christus vergeven.

In de tijd van de synode van Dordrecht is veel nagedacht over de vragen rondom de toeëigening van het heil. Dat blijkt ook uit de Dordtse Leerregels.

Er wordt gerekend met hen die het levend geloof in Christus of het zeker vertrouwen des harten, de vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, de roem in God door Christus nog niet krachtig in zich gevoelen. Zij worden gewezen op de middelen waardoor God beloofd heeft dit alles in ons te werken 9).

De gelovigen kunnen te kampen hebben met twijfel en in zware aanvechtingen raken. Zij gevoelen het volle geloofsvertrouwen en de heilszekerheid niet altijd. Maar zij kunnen verzekerd zijn van hun eeuwig heil en zij zijn het ook naar de mate van het geloof 10).

Hier moeten ook enkele uitdrukkingen uit het doopsformulier en uit het avondmaalsformulier ter sprake komen.

De Heilige Geest verzekert ons door de doop, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeeigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven.

Wij kunnen dit een klassieke formulering noemen. We komen erop terug.

In het gebed bij het Avondmaal vragen wij zo waarachtig deel te mogen hebben aan het verbond der genade, dat wij niet twijfelen, of God zal eeuwig onze genadige Vader zijn. Wij danken er na de viering van het Avondmaal voor, dat God ons Zijn eniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden geschonken heeft, en dat Hij ons een waarachtig geloof geeft, waardoor wij deel ontvangen aan de heils-weldaden.

V

Het is zaak om niet bij de belijdenis te blijven staan, hoeveel waardevolle gedachten zij ook bevat, maar om op de Heilige Schrift zelf terug te gaan. Dat is de bron. Van de samenhang van belofte en geloof lezen wij reeds in Gen. 15:6. Abraham gelooft de belofte en God rekent het hem tot gerechtigheid.

De apostel Paulus spreekt in verband hiermee in Romeinen en in Galaten over belofte en geloof. Wij denken vooral aan Rom. 4 : 20-22.

Calvijn merkt bij de woorden: „hij gaf God eer” op, dat wij God niet meer eer kunnen toebrengen dan wanneer wij door geloof Zijn waarheid verzegelen, evenals men Hem ook omgekeerd geen grotere smaadheid kan aandoen dan door de genade, welke Hij heeft aangeboden, te verachten of aan Zijn Woord gezag te ontzeggen. „Daarom is dit in Zijn dienst de hoofdzaak, dat Zijn beloften gehoorzaam worden aanvaard; de ware godsdienst begint met het geloof”. Het verband tussen toezegging en toeëigening komt ook duidelijk uit in 2 Cor. 1 : 20. Wij lezen daar: Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons (Vertaling N.B.G.).

Al Gods beloften zijn in Christus bevestigd en wij kunnen er volkomen op vertrouwen. Gods ja en ons amen behoren bij elkaar. Het goddelijk ja in Christus is de grond van het gelovig amen door Christus. Als de Middelaar brengt Hij er zondaren door het werk van Zijn Geest toe om amen te zeggen op de belofte van het evangelie. Uit zichzelf zouden zij daar niet toe komen! Alles is uit God: de heilsbeloften, die in Christus vervuld worden, en het geloof in de beloften van God, dat door de Heilige Geest wordt gewerkt en versterkt.

Wij moeten er ook bij betrekken wat in de Brief aan de Hebreeën staat, met name in de hoofdstukken 4, 6, 10 en 11.

In Hebr. 6 : 12 vinden wij een vermaning om in de weg van het geloof tot het beerven van de beloften te komen.

De Brief aan de Hebreeën zegt duidelijk, dat het bezitten van het goddelijk beloftewoord nog geen waarborg is voor het ontvangen van het beloofde goed. Israël is er een afschrikwekkend voorbeeld van, dat men zich door zijn ongeloof van de belofte kan uitsluiten 11).

Hebr. 10 : 22 is een van de centrale woorden van dit Bijbelboek. Nu Christus Zijn hogepriesterlijk werk volbracht heeft en de weg tot God voor zondaren ontsloten is, worden wij geroepen toe te treden met een waarachtig hart in de volle verzekerdheid van het geloof. Hij Die beloofd heeft, is getrouw.

Wij behoeven ons niet te beperken tot de Schriftgedeelten waarin een direct verband gelegd wordt tussen belofte en geloof, toezegging en toeëigening. De Heilige Schrift staat zo vol beloften, dat ze nauwelijks te tellen zijn.

Gods beloften zijn ons gegeven, opdat ons geloof zich erop zal richten, zich erdoor zal laten leiden en eruit zal leven.

VI

Als wij in deze lijn trachten door te denken over toezegging en toeëigening, beseffen wij dat deze volgorde, die principieel bepaald is, met zich brengt, dat wij niet mogen beginnen met de vraag, wat de mens moet doen om deel te hebben aan het heil. Wij vragen wat God doet om ons de schatten en gaven van Christus deelachtig te maken.

Het gaat dan met name over het werk van de Heilige Geest, Die ons wil toeëigenen wat wij in Christus hebben.

De Heilige Geest voegt niets aan het werk van Christus toe, want het heeft geen aanvulling nodig. Hij past het toe. Hij brengt ons tot Christus om het heil te ontvangen waartoe wij uit onszelf niet zouden kunnen komen (Luther).

Jezus heeft Zelf gezegd, dat de Heilige Geest Hem zal verheerlijken door het uit het Zijne te nemen (Joh. 16 : 14).

Wat eigent de Heilige Geest ons nu toe? Wat wij in Christus hebben. Als Middelaar heeft Christus de volkomen verlossing van zondaren tot stand gebracht. Wij spreken van de schuld, de smet en de macht der zonde. Maar Christus herstelt de rechte verhouding tot God, Hij vernieuwt ons naar Gods beeld en Hij bewaart ons bij de verworven verlossing. Al deze weldaden en zegeningen worden ons in Christus geschonken. Wij hebben ze in Hem.

De verlossing in Christus omvat zoveel, dat het doopsformulier maar enkele aspecten aangeeft, namelijk de afwassing van de zonden en de dagelijkse vernieuwing van het leven. Deze twee aspecten van het heil komen in de Heilige Schrift telkens naar voren. Ze behoren bijeen, al zijn ze te onderscheiden. In de gemeenschap met Christus ligt de heiliging evenzeer besloten als de rechtvaardiging (1 Cor. 1 : 30).

Er is geen schuldvergeving zonder levensvernieuwing. Als God ons vrijspreekt van schuld en straf, zal de zonde ook niet over ons blijven heersen. Er is ook geen levensvernieuwing zonder schuldvergeving, geen waarachtig dienen van God dan uit dankbaarheid.

Hoe eigent de Heilige Geest ons de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven toe? Hoe maakt Hij ons de rechtvaardiging, de heiliging en alle weldaden van Christus deelachtig?

Hij bedient Zich daartoe van de middelen der genade: het Woord en de sacramenten. Een voorbeeld: de geschiedenis van Filippus en de kamerling. Een engel moest Filippus opdracht geven om de weg van Jeruzalem naar Gaza te gaan. De kamerling las de profetieën, maar hij verstond ze niet. Uitgaande van Jes. 53 predikte Filippus hem Jezus. De kamerling kwam tot het geloof in de Here Jezus Christus, hij werd gedoopt en hij reisde zijn weg met blijdschap.

Hier zien wij iets van de orde van God, waarvan Paulus in Rom. 10 : 17 spreekt. Het is hoogmoed om de middelen der genade te versmaden, die God gegeven heeft. Daar kan geen zegen op rusten.

De verkondiging van het evangelie is verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. Christus wordt door het evangelie aangeboden. Hij biedt Zichzelf erin aan: Zie hier ben Ik.

De belofte van het evangelie houdt ook in, dat de Heilige Geest het geloof in ons wil werken en versterken, waardoor wij het heil des Heren deelachtig worden.

Juist voor de verbondsgemeente gaan belofte en eis samen. De beloften brengen verplichtingen met zich mee. Het zijn verbindende beloften. Het is onze roeping om de Here, onze God, aan te hangen, te betrouwen en lief te hebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten (Doopsformulier).

Wij kunnen de betekenis van de prediking van het Woord in de heilsbemiddeling moeilijk overschatten. Niemand mag zeggen, dat hij het langzamerhand wel weet. Niet alleen is de situatie telkens nieuw, maar ook is het heil in Christus zo rijk, dat het in de toeëigening wel zal moeten gaan om het steeds weer en hoe langer hoe meer.

Als het goed is, gaan wij de boodschap van het Woord van God dieper verstaan. Dat brengt meer klaarheid en zekerheid, meer innerlijke vrede en geestelijke vreugde in het geloofsleven.

Wij zouden ernstig tekort doen aan het toe-eigenend werk van de Heilige Geest, als wij de sacramenten buiten beschouwing lieten.

De sacramenten zijn er speciaal voor, want ze dienen tot versterking van het geloof. Wat God ons belooft, kan ons te groot zijn om te geloven. Met tekenen en zegelen komt Hij ons tegemoet.

Bij de doopsbediening wordt onze naam erbij genoemd en bij de viering van het Avondmaal worden brood en wijn ons persoonlijk toegereikt. Wat in het Woord aan iedereen wordt betuigd, wordt in de sacramenten nog eens voor ons herhaald, opdat wij er niet aan zullen twijfelen, of het wel voor ons geldt. De beloften van God zijn als het ware op naam gezet.

Door de sacramenten wordt de belofte van het evangelie aan ons verzegeld, dat God ons vanwege het enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt (Heid. Catechismus, Zondag 25).

Voor de toeëigening van het heil is het Avondmaal van grote betekenis. De gemeenschap met Christus komt in dit sacrament duidelijk tot uitdrukking.

Bij de zelfbeproeving wordt aan ieder gevraagd, of hij deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn.

Christus geeft ons aan Zijn tafel de verzekering: dat Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven, Mijn lichaam aan het hout des kruises in de dood geef en Mijn bloed vergiet en uw hongerige en dorstige zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijs en laaf.

Wij belijden dat Hij door Zijn dood de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde weggenomen heeft en ons de levendmakende Geest heeft verworven, opdat wij door die Geest waarachtige gemeenschap met Hem zouden hebben en al Zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid deelachtig worden.

VII

Als de Heilige Geest, wanneer Hij ons toeeigent wat wij in Christus hebben, de belofte van het evangelie — in Woord en sacrament — als middel gebruikt, zal daarmee corresponderen, dat de gelovige toeëigening van het heil ook op deze toezegging gericht is.

De genadige toezegging van God en de gelovige toeëigening van de mens zijn van elkaar onderscheiden en op elkaar betrokken.

Via het geloof komt het tot toeëigening van het beloofde heil. Daarom houdt de kork ons voor, dat alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt en dat wij de gerechtigheid van Christus alleen door het geloof aannemen en ons toeëigenen kunnen.

Calvijn zegt, dat het de aard van het geloof is om de oren te openen en de ogen te sluiten, „dat is, dat het alleen zich richt op de belofte en de gedachte afwendt van alle waardigheid of verdienste des mensen” 13) geloof begint bij de belofte, daarop berust het, daarin eindigt het 14). „Het is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, welke gegrond op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus, door de Heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart wordt verzegeld”. „Dit is dus de ware kennis van Christus, wanneer wij Hem aannemen, zoals Hij door de Vader wordt aangeboden, namelijk met Zijn evangelie bekleed” 15).

Wat verstaan wij in dit verband onder aannemen en zich toeëigenen? Bedoelen wij dan ’het „verzekerd geloof”?

Men is in de zeventiende eeuw gaan onderscheiden tussen het toevluchtnemend en het verzekerd geloof, het wezen en het welwezen van het geloof, het gaan tot Christus zelf en het zich bewust vergewissen van het deel hebben aan Christus en al Zijn weldaden.

Deze onderscheiding is op zichzelf niet verkeerd. Als het maar geen scheiding wordt tussen twee soorten geloof!

Men nam soms een scheiding aan tussen het geloof dat nog niet zeker is van zichzelf, en de zekerheid die later geschonken wordt, niet zelden op een bijzondere wijze. „Het geloof is eerst jaren lang een zuchten en klagen, een bidden en hopen. De zekerheid is door een reeds van bevindingen, door een tijdsverloop van vele jaren van het gelooven zelf gescheiden. Zij is niet met het geloof gegeven, zij vloeit er niet uit voort, zij wordt er dikwerf mechanisch, van buiten af, door bijzondere openbaringen aan toegevoegd. Soms ontstaat zij door het plotseling invallen van een of anderen Bijbeltekst”. Weinigen komen echter zover, dat zij een plaats krijgen onder de bevestigde, verzekerde christenen 16).

Maar Bavinck zegt terecht: „Geloof is zekerheid en sluit als zoodanig allen twijfel uiit. Wie dan ook, door schuldbesef getroffen en verslagen, in oprechtheid tot Christus de toevlucht neemt, is reeds een ge-loovige; hij heeft in dezelfde mate, als hij het toevluchtnemend vertrouwen oefent, ook reeds het verzekerd vertrouwen” 17).

Met grote beslistheid hebben Schotse theologen als Boston en de Erskine’s geleerd, dat het geloof een „toeëi gen ende zekerheid” of een zekerheid met toepassing op onze persoon zelf is, waarvoor de grond niet ligt in onszelf, ook niet in onze geestelijke ervaringen, maar alleen in de aanbieding en schenking van Christus in het Woord 18).

De Westminster Confessie heeft een apart hoofdstuk over de heilszekerheid. Daarin wordt gezegd, dat de ware gelovige tot deze zekerheid kan komen. Daarom is het ieders plicht om zich te benaarstigen orn zijn roeping en verkiezing vast te maken.

Het gaat in de gelovige toeëigening van het toegezegde heil niet alleen om de weldaden die Christus voor ons verwierf. Het gaat ten diepste om de gemeenschap met Hemzelf.

Hij biedt Zich aan en Hij wil aangenomen worden. De Heilige Geest wil ons tot lidmaten van Christus heiligen. De gelovigen hebben gemeenschap aan de Here Christus en al Zijn schatten en gaven (Heidelbergse Catechismus, Zondag 21).

Er is immers geen heil buiten de Heiland om. Het gaat wel om de schuldvergeving en de levensvernieuwing, maar niet om deze weldaden op zichzelf. Wat is een gerechtvaardigde en geheiligde op zichzelf? Het gaat er in dit alles om, dat wij zullen leven van de genade van onze Here Jezus Christus en delen in de rijkdom van de gemeenschap met Hem.

De Heilige Geest wil in de weg van de toeëigening Christus in ons leven verheerlijken.

VIII

Hoe functioneert dit alles in de gemeente? Ik hoor de opmerking, dat daar nogal wat aan ontbreekt. Maar dan hebben wij als ambtsdragers juist een taak!

Wat staan de ouderlingen voor mogelijkheden ten dienste? Zij kunnen in het gesprek op de geloofsmoeilijikheden ingaan. Er valt niets te forceren, maar dat betekent niet, dat wij alleen maar hebben af te wachten, of het tot de gelovige toeëigening komt. Het is de Geest Die het heil deelachtig maakt, maar Hij schakelt mensen in bij de volvoering van Zijn werk, opdat allen de eenheid des geloofs en de volle kennis van de Zoon van God bereiken, de maat van de wasdom van de volheid van Christus.

Er is meer te noemen dan het ambtelijk werk. Het christelijk getuigenis, het onderling gesprek over de vragen van het geloof, is ook van belang. Dan is de benadering echter anders, want het christelijk getuigenis heeft betrekking op het evangelie, zoals het wordt toegeëigend in menselijke levenswerkelijkheid 19).

De ambtsdragers mogen bij het geven van geestelijke leiding niet uitgaan van eigen ervaringen en zeker niet vooropstellen, hoe zij het zelf beleefd hebben. Zij komen niet met iets van zichzelf, maar met d’e boodschap van Gods Woord.

De Here leidt al de Zijnen trouwens, zoals het Hem behaagt. Hij heeft met elk van Zijn kinderen Zijn geheim.

Er zijn christenen die zich de beloften maar niet durven toeëigenen. Als zij iets bijzonders ondervinden, zouden zij het durven te geloven. Maar daarna twijfelen zij er weer aan. Zij komen maar niet tot de vrijmoedigheid en blijmoedigheid van het geloof.

Soms is ihet niet alleen twijfel, maar ook twijfelzucht.

Het kunnen invloeden van opvoeding en milieu zijn die iemand eirvan weerhouden om zich geheel en al aan Christus toe te vertrouwen. Dan kan een gesprek zeer verhelderend zijn.

Wanneer gewezen wordt op de rijkdom; van Gods beloften, is de reactie soms: Maar daar mogen wij onze hand zomaar niet naar uitstrekken, want het is alleen voor de uitverkorenen. Ook als kind van God mag men de beloften niet aannemen, als ze niet op een bijzondere wijze geschonken worden. Deze opvatting komt nog altijd voor. Woelderink heeft gelijk, als hij er in dit verband op wijst, dat God ons geen bijzondere openbaring geeft, maar ons het evangelie laat prediken. „En wie het Evangelie wantrouwt, als het zo duidelijk spreekt, wie het wantrouwt ook in dit stuk, bedroeft den H. Geest” 20).

Laten wij dat maar eerlijk zeggen.

Er zijn mensen die aan chronische twijfel lijden. Dat kan een kwestie van karakter en instelling zijn: altijd op zichzelf zien en alleen maar op zichzelf zien.

Hier moet gezegd worden: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Wij moeten ons leven en onze zaligheid buiten onszelf leren zoeken.

Het komt ook wel voor, dat de vrijmoedigheid ontbreekt, omdat er onbeleden zonden zijn. Het geweten klaagt iemand aan, dat hij de weg des Heren verliet.

In dit geval is alleen door verootmoediging en bekering de vrede voor het hart te vinden, want juist de zonde sloot de toegang tot Gods beloften af.

In verband met inzinkingen van het geloofsleven hebben wij te bedenken, dat wij maar niet geloven kunnen, als wij willen. De beloften van God zijn geen toverstaf, waar wij wonderen mee doen. Wij zijn diep afhankelijk van de werking van de Heilige Geest. Het blijft daarom ook altijd een zaak van gebed 21).

Als het gekomen is tot de gelovige toeëigening van het heil in Christus, kunnen wij dan de toezegging missen? Geen sprake van. Ook dan blijft het een leven bij Gods beloften. „Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd’, gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven”.

In dit opzicht is er ook geen verschil tussen toevluchtnemend en verzekerd geloof.

Als wij met de woorden van de kerk (Zondag 20) mogen zeggen: De Heilige Geest is ook mij gegeven om mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig te maken en Hij zal eeuwig bij mij blijven, kunnen wij dat alleen maar belijden in het vertrouwen, dat Hij Zijn werk zal voleindigen.

De grond voor dat vertrouwen ligt niet in wat wij hebben of zijn, maar in wat ons is toegezegd.

Tot de toeëigening komen echter niet allen die tot de veïbondsgemeente behoren. Niet allen zijn met de toezegging werkzaam.

Er zijn er die er niet in het geloof amen op zeggen, zelfs geen ja-maar. Bij hen is het nee en blijft het nee.

Het ongeloof is ook een realiteit waarmee wij te rekenen hebben. In het licht van Gods heilstoezegging is er echter geen enkele verontschuldiging voor.

IX

Wij willen nog nagaan, hoe er in andere kerken van gereformeerde belijdenis en in andere sectoren van de gereformeerde gezindte over ons onderwerp gedacht wordt. Er zijn verschillen aan te wijzen, die in de regel samenhangen met een andere visie op het genadeverbond en de veribondsbe-lofte.

Volgens de Vervangingsformule die in de Gereformeerde Kerken in Nederland van 1946 tot 1959 gegolden heeft, „moet de kerk, daar het haar niet gegeven is over het verborgene te oordelen, geen onderscheid maken tussen leden en leden, doch, bouwende op Gods belofte en overeenkomstig het spreken der Schrift, de kinderen, tenzij zij zich als ongelovigen openbaren, beschouwen en behandelen als zulken, die delen in de wederbarende genade van den Heiligen Geest”.

Er staat niet, dat zij delen in de belofte van de wedergeboorte, maar dat zij delen in de wederbarende genade. Waar de belofte is, wordt de vervulling van de belofte verondersteld.

Deze leer veroorzaakt valse gerustheid, zoals van christelijke gereformeerde zijde herhaaldelijk is betoogd.

Toezegging en toeëigening zijn twee. Het is niet hetzelfde, of iemand krachtens de verbondsrelatie zeggen kan, dat de Here zijn God is, of in geloofsvertrouwen belijden mag, de de Here zijn God is. Daar ligt het gelovig werkzaam zijn met de belofte tussen. Ons bezwaar is dus, dat de schenking van de belofte en de deelachtigmaking door de Heilige Geest in de Gereformeerde Kerken niet voldoende onderscheiden worden 22). Het is te betwijfelen of de terzijdesteilling van de Vervangingsformule in 1959 een wezenlijke verandering betekent, omdat daarbij aan de rechtmatigheid van de formule vastgehouden is.

Hoe is het in de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt)?

Bij de door deputaten gehouden samen-sprekingen bleken vooral op twee punten verschillen te bestaan. Een van die punten is de toeëigening des heils 23).

Bij een van d’e ontmoetingen werd het verschil zo onder woorden gebracht: ,,U, christelijke gereformeerden wilt sterke nadruk leggen op de toeëigening en daarom op het werk van de Heilige Geest; wij willen ook sterke nadruk leggen op de toeëigening en daarom op de verantwoordelijkheid” 24).

De bedoeling is, dat in de ene kerk naar voren komt, dat het geloof Gods gave is en dat wij van het werk van de Heilige Geest afhankelijk zijn, Die het Woord heiligt aan het hart; in de andere kerk, dat de Heilige Geest in en door de prediking van het Woord tot ons spreekt en dat onze verantwoordelijkheid tegenover „het Woord van de Geest” daarom zo groot is.

Onzerzijds wordt gevreesd voor een eenzijdige ontwikkeling, waarbij het werk van de Heilige Geest niet tot zijn recht komt.

De persoonlijke verhouding tot God staat in de Gereformeerde Gemeente wel in het middelpunt. Maar de leer van het verbond der genade, die hiervoor van fundamentele betekenis is, wordt door de leer van de uitverkiezing beheerst.

In de leeruitspraken van 1931 is wel sprake van de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden in het evangelie, maar men -mag toch zomaar niet op de belofte van het verbond pleiten, want beloften zijn er alleen voor de uitverkorenen. Dat laatste ligt opgesloten in de uitspraak die in 1950 bij de veroordeling van het gevoelen van ds. R. Kok gedaan werd 25).

„De optatief wordt dan schering en inslag in de prediking: de prediker spreekt in de wensende vorm — „mocht het nog eens gebeuren” — met alle variaties daarop. Maar het appèl ontbreekt hoewel de noodzaak van de bekering wordt gepredikt. Doch niet de kracht van Gods belofte wordt beklemtoond; niet de permissie die God Zelf in zijn belofte geeft om zich te bekeren. Descriptieve — beschrijvende — prediking van „de weg” wordt gebracht. Maar dat is in de regel niet de prediking, die Christus in het centrum stelt” 26)

Niet zelden wordt opgemerkt, dat er veel overeenkomst is tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.

In bepaalde opzichten is d’at ook wel zo. Een onderwerp als dat van vandaag zou daar ook actueel zijn. Dat dit thema in discussie is, blijkt o.a. uit het geschrift van dr. C. Graafland over „Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking” (1965) en uit de reacties daarop.

Graafland wijst er op, dat er een wettisch systeem is, dat een verstarrende uitwerking heeft. Eerst zou men op een bepaalde wijze tot kennis van zijn zonde en ellende moeten komen, voordat Christus wordt geopenbaard. Het gevolg daarvan is, dat velen zich pijnigen met de vraag, of zij al genoeg zondekennis bezitten en zo geheel gericht worden op zichzelf in plaats van op Christus.

„Zien wij”, zegt Graafland, „de ontdekking der zonde als een genadewerk Gods, dan is Christus er reeds van begin af aan. Dan mogen wij ook van begin af aan zijn liefde en heil ervaren” 27).

Moeten wij nog verder om ons heen zien? Woelderink zegt ergens, dat er tal van predikers zijn, die de mensen ernstig waarschuwen voor de toeëigening des geloofs. Men zou niet alleen stil moeten afwaohten, men zou zelfs iedere neiging tot toeëigening moeten weerstaan, om als de Heilige Geest dan toch komt met Zijn verzekerende genade, er des te meer van overtuigd te zijn, dat het van God is. „Zo drijft men de mensen weg van de markt der vrije genade” 28).

Woelderink noemt geen namen. Maar als dit zo is, moet men diep medelijden hebben met de gemeenten die zulk een misleidende prediking moeten aanhoren.

Laten wij hopen, dat de reformatorische gedachten overal zullen doorwerken!

X

Tenslotte zouden wij ons kunnen afvragen, of de zaak die ons nu bezighoudt, nog wel voldoende aandacht krijgt. Wordt er genoeg ernst gemaakt met de persoonlijke verhouding tot God?

Er is veel aan het veranderen. Men heeft gezegd, dat de mens van vandaag niet meer vraagt: Hoe krijg ik een genadig God? „Zijn vraag — radicaler, meer elementair — is de vraag naar God als zodanig: Waar zijt Gij, God? Hij lijdt niet meer onder de toorn van God maar onder het besef van Gods afwezigheid. Hij lijdt niet meer onder zijn zonde maar onder de zinloosheid van zijn bestaan. Hij vraagt niet meer naar de genadige God maar of God wel werkelijk bestaat” 29).

Daar is wel iets van waar. Maar de vraag naar God zal toch altijd de vraag moeten zijn, wie God voor mij is. Dan is het ook de vraag naar de genade van God!

In de geest van deze tijd vraagt men eerder: Wat heb ik eraan? dan: Heb ik er deel aan? Men vraagt meer: Wat doet het mij? dan: Wat doet God met mij?

De mens wordt in het middelpunt geplaatst. Het is waar, dat dit ook kan gebeuren, als naar de heilszekerheid wordt gevraagd, maar daarom beginnen wij ook niet bij onze toeëigening, maar bij Gods toezegging, bij wat ons ontbreekt, maar Hij ons schenkt.

Het gaat erom, dat Christus in ons leven verheerlijkt wordt. Daarom zijn wij met de toezegging niet klaar en zijn wij met de toeëigening nog niet aan het einde.

God heeft ons ontzaglijk veel meer beloofd, dan wij hebben ontvangen. Het heil in Christus omvat veel meer dan wij kunnen bevatten.

De gemeenschap met Christus houdt meer in dan schuldvergeving en levensvernieuwing. Er is niet alleen een komen tot Christus, maar ook een leven uit Christus en een dienen van Christus.

Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus kwam al eerder ter sprake. Als wij het eigendom van Christus zijn, houdt dat ook in, dat Hij ons door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

1.) Het referaat over: „Toezegging en toeeigening” is min of meer een vervolg op dat van de conferentie van 1967, toen prof. dr. B. J. Oosterhoff sprak over de vraag: „Voor wie is het evangelie?” (Ambtelijk Contact, no. 64 - dec. 1967).

2.) J. T. Bakker, Coram Deo, 1956, 112.

3.) Vgl. C. N. Impeta, Luthers werken, 1959, 37 en 40.

4.) Dortse Leerregeis, II, Verwerping der dwalingen 6.

5.) Dortse Leerregeis, V, Verwerping der dwalingen 5.

6.) H. Bavinck, Gereformeerde dogmatiek, III, 1929, 535.

7.) H. Bavinck, Gereformeerde dogmatiek, III, 1929, 536.

8.) H. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie, z.j., 39.

9.) Dortse Leerregels, I, 16.

10.) Dortse Leerregels, V, 11 en 9.

11.) Theol. Wörterbuch zum N.T., II, 1935, 581

12.) W. Kremer, Enkele opmerkingen over het spreken Gods in de Openbaring onder het N.T., bepalend voor de positie der bondelingen in het verbond der genade, 1955, 18 en 19.

13.) J. Calvijn, Institutie, 111, 13, 4.

14.) J. Calvijn, Institutie, III, 2, 29.

15.) J. Calvijn, Institutie, 111, 2, 7 en 6.

16.) H. Bavinck, De zekerheid des geloofs 3, 1918, 47.

17.) H. Bavinck, De zekerheid des geloofs 3, 1918, 91, 92.

18.) Wet en evangelie, twaalf vragen, vert. door E. Kuyk, 1948, 44.

19.) A. A. Ruler, Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome, 1965, 175.

20.) J. G Woelderink, Leven uit Gods beloften, 1946, 34.

21.) Vgl. J. G. Woelderink, Leven uit Gods beloften, 1946, 20-44.

22.) Vgl. .J. H. Velema, Kerk tussen klem en knoop, 1967, 106-123.

23.) Acta van de Generale Synode der Chr. Ger. Kerken in Ned., 1962, art. 154.

24.) Acta van de Generale Synode der Chr. Ger. Kerken in Ned., 1962, blz. 241.

25.) Vgl. C. Veenhof, Prediking en uitverkiezing, 1959, 302, 306-310.

26.) J. H. Velema, Kerk tussen klem en knoop, 1967, 128.

27.) C. Graafland, Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking, 1965, 63

28.) J. G Woelderink, Uit de praktijk der godzaligheid, 1956, 32.

29.) Offizieller Bericht der Vierten Vollversammlung des Lutherischen Weltbundes, 1965, 466, 467.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.