+ Meer informatie

Bernardus Smytegelt

7 minuten leestijd

Smytegelt als zielzorger

(IV).

Niet alleen als boeteprediker, maar ook als zielzorger vertoont Smytegelt de kenmerken van de Nadere Reformatie. Zijn opvolger, Ds. de Beveren zegt: „Als Chrysostomus predikte Smytegelt van de ziel, de eeuwigheid, de hemel, de hel, de vergeving der zonden, de verleidingen des satans. Hij doelde op geloof en bekering; hij behandelde het innigste van het Christendom; de bijzonderste gevallen van de consciëntie en de wetenswaardigste punten van onze religie." Met deze korte beschrijving is de prediking van Smytegelt volledig geschetst. Zielzorger was hij, zoals Voetius, Lodenstein, Brakel en Witsius vóór hem en zoals Comrie en Van der Groe na hem. Er is echter geen standaardtype bij de Nadere Reformatoren. Ieder van hen heeft zijn eigen aanleg, karakter, vorming, zijn eigen leiding en bevinding, zodat er in prediking en zielzorg altijd een zeer persoonlijk element aanwezig blijft. Smytegelt kende uit de Heilige Schrift wel de voorbeelden van een schokkende, krachtdadige bekering: Zaeheüs, Saulus, de stokbewaarder, maar uit eigen ervaring kende hij dat niet. Hij was een Timotheüs, die van zijn jeugd aan de Heere had gevreesd. Dergelijke mensen zijn gemakkelijk geneigd tot bekommernis over hun staat. Zij kunnen hun „weg" zo niet vertellen, zij hebben niet zulke schokkende dingen beleefd. Als ze dat van anderen wél horen, komt bij hen de vraag op: „Heb ik wel genade? " „Ben ik wel een kind van God? " „Waarbij zal ik het weten? "

Smytegelt kende uit eigen ervaring de gestalten en ongestalten van het geestelijk leven en bracht de noden van de bekommerde zondaar op de kansel. De prediking van hem, die zo „naar het hart van Jeruzalem" wist te spreken, trok vele twijfelende en bestreden zielen aan. Toen enkelen zich ook bij Smytegelt aan huis vervoegden om raad voor bepaalde „consciëntiegevallen", zei hij: „Houd u maar onder de bediening, daar zal ik van deze dingen spreken." Zo ontstond de prekenserie over „Het gekrookte riet."

Het verdient onze aandacht, dat Smytegelt de ontdekte en bekommerde zondaar niet „met een boekje in een hoekje" liet zitten of uitsluitend naar de gezelschappen verwees, maar dat hij steeds weer opriep tot waarneming van de door God ingestelde genademiddelen. Hoewel hij een open oog had voor het verval in de Kerk, zegt hij (in een preek over Psalm 119 : 120) „Wordt niet wanhopig; er zijn nog vromen; God houdt niet op te werken door Zijn Geest tot bekering en tot bevestiging." In een andere preek (over Hooglied 2 : 4) beschrijft hij de Kerk als volgt: Een wijnhuis is een openbaar kruis. Ieder komt er binnen: rmen en rijken; een knecht en een heer; een meisje en een vrouw; vromen en onvromen komen er, predikanten en lidmaten. Wie dorst heeft, kome en wie wil, neme het water des levens om niet. Alleen daar is de wijn te krijgen: e roeping, het geloof, de vergeving der zonden — In Christus woont al de volheid van genade en waarheid. De dienaren geven ieder naar Zijn behagen. Zij zijn de uitdelers van de verborgenheden Gods. Daar zijn de kannen, de glazen, de flessen — de middelen cler genade; de instellingen van Christus. Daar verdrijft men alle kommer, schroom en vrees. Zijt ge bedroefd? Ga naar de Kerk! Daar zal uw droefheid, benauwdheid en neerslachtigheid verdreven worden. Uw zuchting zal er wegvlieden."

In de 17de eeuw hadden de „gezelschappen" een belangrijke plaats in het geestelijk en kerkelijk leven ingenomen. Als zodanig werden ze gestimuleerd door Voetius, Lodenstein, e.a. Ook Smytegelt was een voorstander van goede gezelschappen. Hij zegt (in „Des Christens heil en sieraad"): „Er zijn particuliere samenkomsten, die onderscheiden zijn van de openbare bediening des Woords. Daar zijn groepjes vromen; één onder hen is door Gods Geest bekwaamd om te bidden en een stichtelijk woord te

spreken. Zulke samenkomsten zijn gegrond in de Schrift; daar kan niemand iets tegen hebben, dat de vromen zich oefenen in bidden en danken, in het behandelen van gemoedsgevallen, in regels van voorzichtigheid, moedgeving en troost aan elkander te geven."

Het gezelschapsleven was in zijn dagen echter al zó diep in verval geraakt, dat hij er herhaaldelijk tegen heeft moeten waarschuwen. „Van het begin van mijn bediening af heb ik altijd veel tegen de gezelschappen gehad. Ik ben nooit een vijand van stichtelijke conventikelen geweest. Maar ik heb ze dikwijls moeten houden voor het verderf en dc verwildering der vromen. Dan is het beter er geen omgang mee te hebben. — Wij schrikken als wij eraan denken: zij toetsen en wegen, ja zij durven het vonnis van leven en dood uitspreken, waar de uitnemendste predikant beeft om de rechtvaardige niet te bedroeven en de goddeloze niet te stijven — Wel, zeggen ze soms, ik heb meer bekwaamheid dan die of die predikant, en dan willen ze gaan prediken! — Weet ge wanneer de gezelschappen stichtelijk zijn? Als men ze houdt in vragen en antwoorden; als men voorleest en repeteert. Wie gezelschappen wil moet de openbare bediening des Woords en de dienaren des Woords niet verachten. Men moet ook geen gezelschappen houden tijdens de openbare godsdienstoefeningen."

Uit dit alles blijkt, hoe hoog Smytegelt de bediening van Woord en Sacramenten aansloeg. Hij vreesde dat het conventikel de weg zou openen voor sectarisme en geestdrijverij en hij wist uit ervaring, dat men in de meeste gevallen meer tot ergernis dan tot stichting bijeen was; dit alles meer tot schade dan tot voordeel voor het geestelijk leven. Waar Smytegelt preekte, daar had men eigenlijk het gezelschap in de Kerk. Hij wist te spreken „naar het hart van Je-Aizalem, maar tegelijk „naar de rechte mening des Geestes." Zo'n prediking is ontdekkend voor de onbekeerden; onderwijzend voor de bekommerden; vertroostend voor de ware gelovigen.

Smytegelt's prediking — vooral „Het gekröokte riet" — is „kenmerkenprediking" bij uitstek. Wie daar bezwaar tegen heeft, moet ook bezwaar maken tegen de belijdenisgeschriften der Kerk. Immers, ook de Dordtse Leerregels somo men in hoofdstuk I, artikel 12, een aantal kenmerken op. Daar heten de kenmerken: „onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord aangewezen' en als eerste kenmerk wordt genoemd: „een waar geloof in Christus."

Er is echter ook een kenmerkenprediking, die gevaarlijk is voor mensen met een nagepraat of ingebeeld geloof. Als willekeurige kenmerken tot een grond des geloofs worden gelegd en als de bekommerde mens in de gestalte wordt opgebouwd, zonder dat Christus hem wordt aangewezen als het enige fundament der zaligheid, dan is er geen behoefte meer aan een Zaligmaker; dan wil men alleen maar kentekenen horen om te weten, hoever men gevorderd is op de weg des levens, en of men er wel bij hoort. Smytegelt was té Schriftuurlijk onderlegd en tezeer op de hoogte met de Reformatorische leer, om in zijn kenmerkenprediking het spoor bijster te raken, al heeft hij naar onze smaak weieens een teveel aan kentekenen gepredikt. Maar dat is meer te wijten aan de langdradigheid en de breedsprakigheid van zijn eeuw. Toch gebiedt de eerlijkheid ons te constateren, dat ook Smytegelt niet altijd het gevaar van een kenmerkenprediking voldoende heeft beseft. Legt men zijn preken naast die van bijv. Voetius, Lodenstein en Th. a Brakel, dan is er een duidelijk accentverschil merkbaar. Bij hen staat het geloof meer op de voorgrond, bij Smytegelt neemt het gevoel een belangrijke plaats in. Uitdrukkingen als: „Wanneer ge wist, een gekrookt rietje te zijn, ge zoudt het niet meer zijn; " „men kan genade bezitten en toch denken, dat men geen genade heeft; " „wat is de mens gelukkig, die bekommerd is over zijn staat, " enz., zijn bepaald niet Reformatisch. Voor de waarlijk bekommerde is dit niet erg, maar de naamchristen zou hieruit verkeerde conclusies kunnen trekken.

Ondanks dit bezwaar mogen we zeggen, dat Smytegelt in zijn leven en nog lang na zijn dood velen tot zegen is geweest. De praktijk der godzaligheid, waarin hij zulk een helder inzicht had, heeft hem tot een van de meestgelezen „oude schrijvers" gemaakt. Wie hem zó wil lezen, tegen de achtergrond van zijn tijd en zijn volk, zal merken, dat zijn boodschap nog steeds niet verouderd is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.