+ Meer informatie

De moeite van het herdenken waard?

11 minuten leestijd

Hachelijke onderneming?

Op verzoek van de commissie Kerkendag hield ondergetekende op 26 mei j.l. een korte toespraak over het 125-jarig voortbestaan van ons kerkverband sinds 1892.

De commissie had als thema voor de dag gekozen:‘Breng ons samen’.
Dat is niet bepaald een titel waaruit een feeststemming spreekt. Het is niet minder dan een gebed.
Wat zit daarachter? De gedachte dat we elkaar binnen de kerken zijn kwijtgeraakt of bezig zijn kwijt te raken? Wie ons kerkelijk leven een beetje kent, zal eerlijk moeten toegeven: het heeft er alles van dat we steeds meer uit elkaar groeien.
Wie op een zondag twee willekeurige gemeenten bezoekt of het beleid van twee kerkenraden op allerlei punten van iets dichterbij bekijkt, kan de neiging hebben om te vragen: is dat allebei christelijk-gereformeerd?
Geen juichstemming dus. Eerder hoor ik in het thema iets van bezorgdheid doorklinken.
Maar waarom zouden we er dan aandacht voor vragen: 125 jaar christelijk-gereformeerd?
We kunnen onder ons ook wel eens geluiden horen in de trant van: ‘We leven nu niet meer in 1892; ik voel mij niet verantwoordelijk voor de keuze die mijn voorvaderen toen hebben gemaakt’.
Heeft herdenken überhaupt wel zin? Betekent het een je vermeien in het verleden, met een stil heimwee: was het nog maar zo? Houden we ons bezig met een stukje nostalgie? Bouwen we op deze manier ‘de graven van de profeten’?
Dat lijkt mij niet erg vruchtbaar. De commissie heeft het blijkbaar toch aangedurfd om er aandacht voor te vragen: 125 jaar christelijk-gereformeerd. Met een gebed in het hart: ‘Breng ons samen’.

En toch: ‘k Zal gedenken…’

Bijbels gesproken is jubileren altijd: gedenken.
Gedenken wat de Heere heeft gedaan.
Durven we dat ook ten aanzien van 1892 te zeggen, zoals men in vroeger jaren vrijmoedig deed? Of schamen we ons vandaag voor wat onze vaderen deden?
In het boek dat verscheen ter gelegenheid van het 100-jarig voortbestaan van ons kerkverband werd gesproken over ‘gepaste, dankbare aandacht’. En zonder schroom werd toen opgemerkt: ‘Wij erkennen (…) dat het slechts aan Gods genade is toe te schrijven, dat het beginsel van de Afscheiding op deze manier kon blijven leven’.
Ik hoop dat wij dat vandaag nog met volle overtuiging nazeggen. Niet om kerkistisch te zijn en de luiken naar anderen toe gesloten te houden, maar om te weten waar wij vandaag principieel hebben te staan. Waar ging het onze vaderen toen om, en waar gaat het vandaag om? Waar staan we als kerken?
Vroeger, op de catechisatie, gebruikten we een boekje van ds. J.H. Velema: Bijbel en belijdenis. Een hoofdstukje over de geschiedenis van ons kerkverband begon met een Bijbelstudie over Openbaring 3 : 7 – 13: de brief van de Heere Jezus aan de gemeente van Filadelfia.
Dat had naar mijn besef iets van een ideaal in zich: zo willen we graag zijn. Maar ook iets van een spiegel: zijn we het ook werkelijk?

Waar ging het om in 1892?

Oudere mensen heb ik het nog wel eens horen zeggen: ‘Ik ben van ’34’. Of: ‘Ik ben van ‘92’.
Wat betekent dat? Waar ging het om in 1892?
In 1834, bij de Afscheiding, was het gegaan om het alleenrecht van de gereformeerde belijdenis in de kerk, met daaraan gelieerd een prediking van de vrije genade. Men zag een duidelijke samenhang tussen de belijdenis van de kerk en van de genade aan de ene kant, en de beleving van echte vroomheid aan de andere kant.
En toen kwam daar in 1886 de grote beweging onder leiding van Abraham Kuyper: de Doleantie. Die leek in bepaalde opzichten op de Afscheiding. Maar het was een beweging die veel meer in termen van kerkelijke strategie dacht ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk, en waar ook in bepaalde opzichten een andere geestelijke beleving heerste.
Het was aan de ene kant logisch dat beide bewegingen toenadering tot elkaar zochten. Immers, ze hadden beide uit onvrede over de liberale koers van de Hervormde Kerk de band met deze kerkgemeenschap verbroken. Maar betekende dat nu ook dat men dus wel op één beginsel stoelde?
Een grote meerderheid was van mening van wel. En zo kwam het, zes jaren na het begin van de Doleantie, tot de Vereniging tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk (zoals de verenigde Afgescheidenen sinds 1869 heetten) en de Dolerenden. De naam van de verenigde kerk werd: Gereformeerde Kerken in Nederland (in 2004 opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland).
Er was een grote euforie bij velen: ‘God heeft bij ons iets groots verricht: Hij heeft samengebracht wat bijeenhoort’.

En toch: er was van tevoren bezwaar gemaakt. Ernstig bezwaar. De predikanten F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse hadden mede namens een aantal predikanten, kerkenraadsleden en andere leden een bezwaarschrift ingediend bij de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk, op 7 juni 1892 bijeen in Amsterdam.
Was men tegen een vereniging van kerken? Dat niet. Maar wel tegen deze Vereniging, op dit tijdstip en volgens deze voorwaarden.
Een vijftal bezwaren werd genoemd: de gemeenten waren er niet in gekend, de beschouwing van de Hervormde Kerk was verschillend, niet alle Doleantiekerken konden voetstoots als zuiver erkend worden en de zo nodige wederzijdse liefde ontbrak. Hoe kun je nu tot een huwelijk komen als er geen liefde is?
Het vijfde bezwaar luidde letterlijk als volgt: ‘En eindelijk (ten slotte dus, PB) is het ons een overwegend bezwaar voor gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der doolerende kerken in den laatsten tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent Wedergeboorte en den Heiligen Doop’.

Als we de geschiedenis van na 1892 overzien, moeten we zeggen: daar zat inderdaad de kern van het bezwaar.
Kuyper en meerderen met hem ging er vanuit dat we een verbondskind voor wedergeboren moeten houden, tenzij het tegendeel blijkt. Op grond van die veronderstelde wedergeboorte mocht het kind gedoopt worden.
Uiteraard had dat ook gevolgen voor de prediking. Hoe zie je de gemeente? Als een gemeente van louter gelovigen?
Vooral Van Lingen ging daar bij allerlei gelegenheden scherp tegenin. Hij beklemtoonde dat wie tot de kerk behoort daarmee nog niet een uitverkorene tot zaligheid is. Ook het hart van een verbondskind moet veranderd, vernieuwd worden. De genade van het verbond is onuitsprekelijk rijk. Maar als een verbondskind zich blijft verharden, zal zijn doop hem tot oordeel zijn.
Er zijn dus twee soorten kinderen van het verbond, te vergelijken met twee soorten ranken in de Wijnstok (zie Johannes 15 : 1 – 8).

Naar de vaste overtuiging van Van Lingen en Wisse en hun geestverwanten ging het hier maar niet om accentsverschillen, maar was de leer van Kuyper een ander spreken dan dat van onze belijdenis. Het gaat om een wezenlijk punt. Het gaat om de vraag hoe zielen geleid worden op de weg naar de eeuwigheid. Op zo’n aangelegen punt kun je in de kerk niet zeggen: jij op jouw manier en ik op de mijne.
Geloof is maar niet een kwestie van een theoretische beschouwing of een leerstellige constructie. Dat is verstandsgeloof.
Nee, het gaat om de persoonlijke doorleving van zonde en genade, in het hart bewerkt door de Heilige Geest. En dat moet in de prediking doorklinken.
Wie wil weten hoe dat in de praktijk van de prediking gestalte kreeg, kan terecht in het jongste boek van ds. H. van der Ham: Ambtsbroeders, over de beide predikanten Van Lingen en Wisse.

In dat opzicht trok men het beginsel van de Afscheiding door.
Immers, toen ds. Hendrik de Cock zelf in zijn hart gegrepen was – daar begint elke Reformatie! – ging het eenzijdige genadekarakter van Gods heil voor hem spreken. En dat begon hij ook te preken. De Dordtse Leeregels bijvoorbeeld werden weer geestelijk kapitaal dat benut werd.
Daarom konden onze vaderen in 1892 niet mee met de Vereniging. Daarom zetten de gemeenten van Noordeloos, Zierikzee en Teuge de Christelijke Gereformeerde Kerk voort. En al spoedig werden het er veel meer.

Waar gaat het om in 2017 en daarna?

De vraag is natuurlijk wel: wat moeten wij daar vandaag mee? Hebben wij nog een boodschap aan wat Wisse en Van Lingen en anderen in 1892 deden? Of zeggen we: de tijden veranderen en wij met hen, en we zijn er eerlijk gezegd toch wat anders over gaan denken?
Het lijkt me van belang om elkaar in dit herdenkingsjaar een paar positief-kritische vragen te stellen.
Staan wij nog op ditzelfde fundament? Onderschrijven we nog steeds dat het hierom gaat: een prediking waarin onderscheid wordt gemaakt tussen hen die de Heere kennen en hen die, ook binnen de gemeente, nog altijd het wonder van de hartvernieuwende genade missen?
Zo’n prediking zal niet beginnen bij de beleving, maar bij de heilsfeiten en van daaruit de verbinding met het hart zoeken.
Dat betekent aandacht voor het werk van de Heilige Geest, in de ontdekking aan zonde en schuld, in het heenleiden naar Christus, in het bedienen uit Zijn volheid in de praktijk van het leven.
Zo’n prediking zal de ernst van eeuwig wel en wee verkondigen, ruim in het aanbod van Gods genade, maar tegelijk duidelijk in het toesluiten van Gods Koninkrijk voor wie zich niet bekeert. Er zal in zo’n prediking leiding worden gegeven aan het geestelijk leven van Gods kinderen, aan de vragen van het hart, terwijl die prediking tegelijk midden in de tijd staat en ook op de vragen van de tijd ingaat.
Een veelzijdig onderscheidende prediking dus. Daar ging het om in 1892, maar daar zal het in 2017 en daarna (zolang de Heere Jezus nog niet is teruggekomen) ook om moeten gaan.

Waar dit niet of mondjesmaat gebeurt, verliezen we als Christelijke Gereformeerde Kerken onze bestaansreden en ons bestaansrecht.
Al in 1981 wees wijlen ds. J.H. Velema tijdens een ambtsdragersconferentie over de prediking in dit verband op het gevaar van de uitgedunde paardenstaart: hoe lang kan ik haren uit een paardenstaart trekken dat het toch nog een paardenstaart is? Hoe lang kan ik wezenlijke elementen uit de prediking weglaten dat die prediking toch nog Schriftuurlijk-bevindelijk genoemd mag worden? Is in dat licht het feit dat in steeds meer gemeenten de catechismusprediking aan het verdwijnen is, niet een teken aan de wand? Wordt de gemeente dan nog gevoed in de grondslagen van de gereformeerde leer?

Tegen de gemeente van Filadelfia kon de Heere Jezus zeggen: ‘U hebt kleine kracht en toch hebt u Mijn Woord bewaard’ (Openbaring 3 : 8).
Kleine kracht. Als we dat betrekken op het ledental van ons kerkverband kunnen we dat ook wel zeggen. We stellen niet zo veel voor. Maar dat is niet zo belangrijk. In de kerk van Christus focussen we niet op aantallen.
Maar kan Christus het ook van ons zeggen: ‘U hebt Mijn Woord bewaard’?
Bewaard, door een eerlijke prediking die niet uitgaat van wat mensen graag willen horen, maar van wat God wil dat zij horen? Bewaard, tegenover een manier van uitleg van de Bijbel, waarbij de huidige cultuur heerst over de Schriftuur? Bewaard, ook door over kerkmuren heen de hartelijke verbondenheid te zoeken en te beleven met allen die op dezelfde basis willen staan? Bewaard, nee, niet als een museumstuk, maar als een Woord waar we uit leven en dat we uitdragen in deze stervende wereld?
Christus zegt: ‘Zie, Ik kom spoedig. Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen’ (Openbaring 3 : 11).
Het is niet belangrijk of er bij de wederkomst van de Heere Jezus nog een Christelijke Gereformeerde kerk is. Wèl of we getrouw bevonden worden.

Laten we daarom bij deze mijlpaal eindigen met een blik omhoog.
In dankbaarheid voor het vele goede dat de Heere in en door de kerken in deze jaren gegeven heeft. Hoevelen zullen door een trouwe prediking het leven in de Heere Jezus hebben gevonden? Wie zal kunnen nagaan hoeveel er in stille trouw en hartelijke liefde gebeurd is in de opbouw van de gemeenten, door tal van broeders, zusters en jongeren? Wie zal de vrucht kunnen benoemen van het werk van de kerk naar buiten toe?
Ook in verootmoediging: ‘Heere, vergeef onze ontrouw en lauwheid, onze wereldgelijkvormigheid en kerkelijke zelfgenoegzaamheid’. We hebben bepaald geen reden om ons kerken te verheffen.
En met verlangen: ‘Breng ons samen, samen met allen die U liefhebben, ook in andere kerkverbanden, op dat enige Fundament dat het houdt: Uw onfeilbaar Woord waarin het gaat om Jezus Christus en Die gekruisigd. En houd ons daar, ieder persoonlijk en als kerken, totdat U komt’.

Aan het adres van zulke bidders klinkt Zijn belofte: ‘Wie overwint, hem zal Ik tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan’ (Openbaring 3 : 12).

P.D.J. Buijs

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.