+ Meer informatie

Naarde katechisatie

4 minuten leestijd

141

HET DERDE GEBOD (slot)

Zoals we reeds opmerkten, verwerpen de Dopersen de eed. Zij beroepen zich op Bijbelplaatsen, o.a. op Mattheus 5 : 34, Jakobus 5 : 12.

Wanneer Christus tot de farizeëMaar Ik zeg u, zweert ganselijk niet”, dan bedoelt Hij ermede hen te waarschuwen voor het LICHTVAARDIG zweren, namelijk over allerlei kleinigheden. Daarmede wordt de NAAM des Heeren ijdellijk gebruikt.

En wanneer Jakobus schrijft: „Mijne broeders, zweert ganselijk niet”, dan betrekt hij het zweren bij de Gemeente des Heeren (Mijne broeders) en daarin mag de eed niet gedaan worden. Het zou een miskenning zijn van de tegenwoordigheid des Heeren. Voor haar geldt het: „maar uw ja zij ja en het neen, neen.”

Het Godzalig eedzweren is op Gods Woord gegrond. Zo hebben de Aartsvaders gezworen. Abraham bij Abimelech te Berséba. Jacob bij de ontmoeting van Laban. David bij Jonathan. Zo lezen we ook, dat Jezus Zèlf heeft gezworen, voor Kajafas’ rechterstoel. En bovenal heeft GOD ook Zèlf gezworen, namelijk bij Zichzelf: „Zeg tot hen: zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: zo Ik lust heb in de dood des goddelozen.” Ezech. 33 : 11.

Ook heeft Jezus Zelf gezworen, namelijk voor Kajafas’ rechterstoel.

De eed wordt afgelegd onder aanroeping van de Naam des Heeren. Nu geeft de overheid permissie om inplaats van de eed een belofte af te leggen voor hen, die bezwaar hebben tegen het afleggen van een eed. Wanneer we gehoord of gelezen hebben, dat uit de TROONREDE, door H.M. onze vorstin uitgesproken, de bede om de ZEGEN des Heeren is weggelaten, wat zal men dan doen met de eed, die onder aanroeping van ’s Heeren Naam gedaan wordt?

Al driester verheffen zich de machten uit de afgrond. Het „nòch God, nóch meester” dringt al dieper door. Men wil God op alle terreinen van het leven uitbannen.

Maar, hoe staat het nu bij òns ten opzichte van het „Godzalig eedzweren”?

Mogelijk hebben we nooit een eed voor de overheid afgelegd. Gaan we daarom onschuldig uit voor God ten deze? Volstrekt niet. En we denken hier aan de beloften, die voor Gods Aangezicht worden gedaan in het midden van de gemeente, aan het ja-woord op de vragen van de heilige Doop, bij de bevestiging van het huwelijk in de gemeente, bij het afleggen van openbare belijdenis. Is dit „ja-woord” dan niet gelijk aan een „eed”? Wat al „mein-eden” worden dan niet gepleegd vóór God! Wie zal onschuldig kunnen uitgaan ten opzichte van het HOUDEN van die eden? Dat is: met ons „bevestigen van waarheid en trouw”? Hoe brengen we het er af bij de opvoeding van onze kinderen? In ons huwelijksleven? Na het afleggen van onze belijdenis? In het „ambtelijk” leven? Of na een ziekbed, toen men misschien de Heere beloofde, anders zijn leven te zullen inrichten?

En moeten we nog niet verder terug? Naar het Paradijs, waar we in ons verbondshoofd Adam onze Schepper de dienst hebben afgezworen en een „voorzichtig verdrag hebben gesloten met de hel”? Hebben we dan niet de eeuwige dood verdiend? Zijn we hieraan ontdekt? Hebben we dit door genadebearbeiding des Geestes leren inzien en is daaruit een roepen tot God geboren? Smeek hierom! Dat Gods Geest ons de dienst der zonde, der wereld en des duivels doe afzweren en ons brenge tot die hartelijke keus, van welke de dichter van Psalm 119 belijdt:

„Ik zwoer en zal dit met een blij gemoed Bevestigen, in al mijn levensjaren, Dat ik Uw Wet, die heilig is en goed, Door Uw genâ bestendig zal bewaren.”

Is het niet een eeuwig wonder, dat God van den hemel ZELF zweert „Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijnen weg en leve.”

En U, die bekommert zijt over zoveel ONTROUW tegenover den Heere en Zijn dienst, u schuldig ziet en moet belijden: „En ga niet in het gericht met uwen knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn”, wel, vertrooste de Heere u door u te wijzen op Hèm, Die volmaakt „waarheid en trouw heeft bevestigd” vóór Kajafas’ rechterstoel, ja, voor Zijn Vader in al het werk, dat Hij volbracht heeft voor een doemwaardig volk!

Vertrooste Gods Geest het in-zichzelf-ontrouwe volk met de betuiging van de God des eeds en des Verbonds: „Alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.”

(Jes 54 :: 9 en 10).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.