+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

5 minuten leestijd

38.

De drieeenheid Gods (vervolg).

De eeuwige generatie van de zoon.

Onze lessen over de drieeenheid Gods betreffen nu de wijzen of manieren van het bestaan Gods. Deze zijn onderscheiden. We hebben reeds opgemerkt in onze vorige les, dat de drie Personen geen deling zijn van het ene Goddelijke Wezen. A1 de drie Personen bezitten ieder het gehele Goddelijke Wezen, de een niet minder dan de andere. Wij mogen de drie Personen ook niet zien als „modaliteiten”, zoals Sabellius leerde, namelijk dat God Zich nu eens openbaart als Vader, dan eens als Zoon en dan weer eens als Heilige Geest. Dit zou betekenen, dat er maar 66n Persoon is.

Wel is dus God een in Wezen, doch Hij is tevens drie in Personen.

De drie Personen in het ene Goddelijke Wezen verklaren ons, hoe ondoorgrondelijk groot, majesteitelijk, heerlijk, volzalig God is. De Vader als Bron, Oorsprong, Fontein vanalle leven. Christus Zelf zegt in Joh. 5 : 26: „Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf”.

De tweede Persoon, de Zoon bezit het Goddelijke Wezen door eeuwige generatie of voortbrenging van de Vader. Hieropwijst duidelijk Ps. 2 : 7: „Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd”.

Dit „heden” in de tekst bedoelt te zijn: het eeuwig heden in God Zelf. Daarom is de Zoon de Logos, het Woord, Joh. 1 : 1. Johannes mocht het diepst inblikken in de grootheid en heerlijkheid van Christus als ook waarachtig God zijnde, als de Zoon van God, eenswezens met de Vader en de Heilige Geest. Hij begint zijn Evangelie met de diepzinnige woorden: „In den beginnewas het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God”. In het oorspronkelijke staat: Logos.

In deze Logos, het Woord, was het leven, zo schrijft Johannes in vers 4. Christus getuigde in het genoemde Joh. 5 : 26: „alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf’. Het „gegeven” wijst op de„generatie van de Vader” en het woord „te hebben in Zichzelf” wijst op de persoonlijke bestaanswijze van de Zoon als God. Want Hij is „het uitgedrukte Beeld van Zijn (des Vaders) zelfstandigheid”. (Hebr. 1 : 3)

In de Vader Zelf is het leven, want Hij is de Bron, Oorsprong. Ware er niet een Tweede Persoon in het Goddelijke Wezen, een Zoon, dan zou met heilige eerbied gesproken, de Vader altijd in Zichzelf zijn gekeerd gebleven en dus de Onkenbare. Dan zou er ook nooit van leven naar buiten, door „schepping” en „herschepping”, sprake kunnen geweest zijn. Daarop doelt dezelfde apostel Johannes als hij in zijn algemene zendbrief hoofdstuk 1 : 2 schrijft: „Want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien en wij getuigen en verkondigen Ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij de Vader was, en ons is geopenbaard”.

Welnu, we keren weer terug naar het Evangelie van Johannes, het eerste hoofdstuk. Hij schrijft in vers 3: „Alle dingen zijn door Hetzelve (de Logos, het Woord) gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is”.

Hier wordt dus duidelijk, dat de schepping aller dingen mogelijk was, omdat het leven in de Vader naar buiten is getreden in de Zoon.

O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Zo mochten we wel uitroepen bij de overdenking van dit zo diepe, ja, ondoorgrondelijke stuk van het bestaan Gods.

Meer nog.

Niet alleen de schepping, maar ook de verlossing en de herschepping is mogelijk, ja, werkelijkheid kunnen worden. Want wat schrijft Johannes in het 14e vers van hoofdstuk 1 van zijn evangelie? „En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eengeborenen van de Vader)”.

Niet de Vader kon de menselijke natuur aannemen ter verlossing, want Hij is de Eiser als Rechter. Ook niet de Heilige Geest, want dit houdt ook verband met Diens bestaanswijze als derde Persoon van het Goddelijke Wezen. (Hier dieper op in te gaan, zou voor ons bestek als catechisatie-les te ver voeren). Alleen dit: de Heilige Geest is de Persoon, Die het Goddelijk Wezen „doorwoonf’, vervult. „De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods” (1 Kor. 2 : 10).

Welnu, alleen de Zoon als het „Woord” kon „vlees worden”, de menselijke natuur aannemen. Zo kon er verlossing zijn door God, maar ook uit God. Hier wordt het schijnbare dorre leerstuk van de drieeenheid Gods een bron van allerrijkste vertroosting voor degenen, die langs de weg des geloofs mogeningeleid worden in het aanbiddelijkeheilgeheimnis van de grootheid en heerlijkheid en volzaligheid van de drieenige God en Diens grotewerken. O, welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is, Ps. 33 : 12a.

Behoort u tot dat volk, door levendmakende genade? Hebt u met die God al tedoen gekregen, om met Hem verzoend te worden? Is die God al uw deel geworden?

Want:


Zalig hij, die in dit leven
Jacobs God ter hulpe heeft;
Hij, die door de nood gedreven
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop, in’t hachlijkst lot,
Vestigt op de Heer’, Zijn God.


Besluiten we onze les met het zingen van deze psalm.

R’dam-W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.