+ Meer informatie

Johannes Duns Scotus: geniaal en creatief

6 minuten leestijd

In de serie "Kerkhistorische monografieën" verscheen een tweede deel, gewijd aan de grote middeleeuwse theoloog Johannes Duns Scotus (1265/1266-1308) en geschreven door dr. Antonie Vos Jaczn., universitair hoofddocent in de systematische theologie te Utrecht.

De jonge Schot uit het geslacht Duns werd in 1291 tot priester gewijd in Northampton, studeerde in Oxford, Parijs en Cambridge dat wil zeggen aan alle drie de universiteiten waar je in die tijd theologie kón studeren op academisch niveau- en was van 1305 tot zijn overwachtse dood in 1308 hoogleraar te Keulen. Een kort leven dat geheel in het teken stond van theologische bezinning.

Grote bewondering

Vos toont zich een groot bewonderaar van Duns. Zo schrijft hij: ,,In november 1308 is een van de meest onwaarschijnlijke sterren van het mondiale denken gedoofd" (37). Het overlijden van een zo briljant geleerde op 42-jarige leeftijd was een pijnlijke schok die door heel de franciscaanse wereld ging. Duns liet een gigantisch, maar onvoltooid oeuvre achter. De "Lectura Oxoniensis", het centrale werk van Duns' theologische periode in Oxford, wordt door Vos geroemd als ,,een uniek jeugdwerk van een vroegrijp genie. Als zodanig is het een unicum in de Europese geestesgeschiedenis en verdient het een ereplaats in de ,,history of ideas"" (38/39).

Verder stelt hij: ,,Met een Johannes Duns Scotus die zeventig geworden zou zijn, zou de wijsgerige pelgrimstocht der mensheid anders verlopen zijn" (63). Aan het slot van zijn boek schrijft Vos zelfs: ,,Hier liggen de wortels voor de reconstructie van de wetenschappelijke theologie in de eenentwintigste eeuw" (273).

Enige overdrijving kan aan deze uitspraken niet ontzegd worden en of we werkelijk een groot Duns Scotus-revival tegemoetgaan, waag ik te betwijfelen. Maar anderzijds doet dit enthousiasme de lezer goed en brengt lezing van Vos' werk, waarin een brede weergave wordt geboden van Duns' theologisch en wijsgerig denken, ons zeker onder de indruk van het formaat van deze hooggeleerde middeleeuwer.

Moeilijkheidsgraad

Vos schrijft ergens dat de moeilijkheidsgraad van Duns' gedachtengangen berucht is. Na een poging deze gedachtengangen in Vos' weergave te volgen, moet ik zeggen dat dit ook volkomen terecht is. Wellicht moet toch gezegd worden dat Vos er ook voor een deel schuldig aan is dat de niet in de middeleeuwse systematische theologie geschoolde lezer al gauw dreigt af te haken bij het lezen van de hoofdstukken die aan de verschillende thema's van de dogmatiek bij Duns zijn gewijd.

Ik ben onder de indruk van Vos' wetenschappelijke bagage, maar is het nu nodig in een serie die behalve wetenschappelijk verantwoord ook ,,leesbaar voor een brede kring van geïnteresseerden" wil zijn, allerlei discussies tussen vakgenoten van vroeger en later tijd weer te geven? Veel van wat nu in de tekst staat, had naar de noten moeten verhuizen. Ook wordt er te veel als bekend verondersteld.

Vos had er goed aan gedaan het eerste deel uit de serie "Kerkhistorische monografieën", het boek van H. J. Selderhuis "Huwelijk en echtscheiding bij Martin Bucer", als voorbeeld te nemen. Dan zou hij een boek geschreven hebben dat echt een introductie biedt tot het boeiende denken van Duns voor geïnteresseerde 'leken'. Nu heeft zijn boek het niveau van een pittige dissertatie en moet je behoorlijk filosofisch en dogmatisch geschoold zijn om het met profijt en plezier te kunnen lezen.

Het is aan te bevelen vóór de lectuur van dit boek zich eerst kort te oriënteren in de hoofdlijnen van Scotus' denken, bijvoorbeeld aan de hand van de bladzijden die dr. G. van den Brink daaraan wijdt in zijn "Oriëntatie in de filosofie I" (Zoetermeer, 1994).

Zeer de moeite waard

Wie de moeite neemt om het boek te doorworstelen, wordt daardoor verrijkt en ziet hoe pover veel moderne theologie afsteekt bij wat er in vroeger tijden is gepresteerd. Als Duns Scotus een Mount Everest is, komt menig spraakmakend en smaakmakend modern theoloog niet verder dan de Vaalserberg.

Het denken van Duns is verankerd in de augustijnse traditie. Bij de Godsleer staan "oneindigheid" en "vrijheid" centraal. Vrijheid en contingentie zijn kernbegrippen in zijn werk. Diep heeft hij doorgedacht over de vrijheid van Gods handelen, die toch geenszins met willekeur mag worden vereenzelvigd. In veel opzichten is Duns de geestelijke voorvader van de latere reformatorische theologie. Er is een rechte lijn te trekken van Duns naar Gomarus!

Predestinatie en erfzonde

Opmerkelijk vond ik de asymmetrische verhouding van verkiezing en verwerping bij Duns. De grond voor de verkiezing ligt alleen in Gods wil en welbehagen. Maar bij de grond van de verwerping ligt dat toch anders: ,,Zich willen wreken veronderstelt dat de ander wil zondigen en daarom kan God iemand alleen maar willen veroordelen, omdat het rechtvaardig is. Dan is het hiervoor dat God iemand wil veroordelen, noodzakelijk dat hij zich aan hem als zondaar aanbiedt", zo schrijft hij in zijn "Lectura".

Duns was een supralapsarisch denker. Treffend in zijn kortheid en kernachtigheid vind ik de typering die Vos geeft van het verschil tussen "infra" en "supra": in het surpralapsarisme is het zo dat de verkorenen zondigen, in het infralapsarisme dat zondaars worden verkoren. Infra denkt vanuit het begin, supra vanuit het einde.

Duns ontkent de erfzonde niet, zoals dat wel beweerd wordt, onder andere door A. D. R. Polman in de "Christelijke encyclopedie". Wel geeft hij er een nieuwe interpretatie aan, omdat hij de keuzevrijheid van de mens niet wil opgeven. Inzake de rechtvaardigingsleer zijn er sterke overeenkomsten met Luther. In zijn diepzinnige benadering van de dingen ñiet voor niets ontving hij de erenaam doctor subtilis, de scherpzinnige doctor- liggen vele mogelijkheden om schijnbaar tegenstrijdige posities op een hoger niveau van denken te overstijgen.

Ten slotte een citaat dat veel lezers van dit dagblad kan aansporen om een moeilijk boek als het hier besprokene toch maar met goede moed ter hand te nemen: ,,Er was ook een reformatorisch scotisme, ook al is dat veel moeilijker te ontwaren dan het franciscaans scotisme. Daarvoor grijpen we terug op andere grootse namen uit de zeventiende eeuw: Franciscus Gomarus en William Twisse, Gijsbert Voet en Melchior Leydekker, Francesco Turretini en Johannes à Marck enzovoorts. De gereformeerde besluiten- en predestinatieleer veronderstelt Scotus' godsleer en ontologie. Alleen in deze termen kan ook het conflict tussen Arminius en Gomarus goed gereconstrueerd worden. Hier ligt de sleutel voor het verstaan van de "Canones Dordracenae" (de Dordste Leerregels, JH)" (273).

N.a.v. "Johannes Duns Scotus" (Kerkhistorische monografieën 2), door dr. Antonie Vos Jaczn.; uitg. J. J. Groen en Zn., Leiden, 1994; 284 blz.: ƒ 39,90 (bij intekening op de serie ƒ 32,50).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.