+ Meer informatie

De Dordtse leerregels en de prediking

5 minuten leestijd

2

We hebben naar aanleiding van een gestelde vraag de vorige keer benadrukt de roeping van iedere dienaar des Woords, die de belijdenis onderschrijft, om in positieve zin de leer, in de belijdenis vervat, te brengen. Er zijn misschien hier of daar lezers, die dit al te formeel vinden. Allereerst zou ik daarop willen zeggen, dat het in onze dagen bijzonder nodig is deze roeping te onderstrepen. Allerwegen dreigt er een grote bandeloosheid. Wie oog heeft voor wat er op het bredere erf van Gods kerk ten aanzien van het gezag van Gods Woord en de belijdenis te doen is, zal weten dat op allerlei erf een geest openbaar komt die het liefst zo snel mogelijk wil afkomen van alle bindingen.

Dan is hier deze roeping in wezen nooit enkel formeel. Zij is nauw verbonden met de inhoud van de belijdenis. De kerk kán het vragen van de dienaren des Woords, dat zij deze leer brengen, omdat de inhoud van de belijdenisgeschriften zo bijzonder is. Zij vertolken Gods Woord. Zij bevatten grote schatten, die uit dat Woord zijn gegraven. Nooit mogen we de belijdenisgeschriften gelijkstellen met het Woord, laat staan boven het Woord stellen Zij komen overeen met Gods Woord, tenzij iemand vanuit dat Woord het anders aantoont. Deze heeft dan eerst de roeping in het midden van de kerk dit te bewijzen. Echter God heeft in het verleden wijsheid gevan schonken om de zuivere leer op zo bijzondere wijze in deze geschriften samen te vatten. En de grote schatten daarin verborgen, moeten doorklinken in de prediking van een dienaar. Daarom is het nooit alleen een formele zaak of de belijdenis verwaarloosd wordt door een predikant. Het raakt grote belangen. Erg is het, als de inhoud met wezenlijk doorklinkt en in de prediking geen „vlees en bloed” geworden is

Wij zijn geneigd om te zeggen, dat dit juist voor de Dordtse Leerregels in het bijzonder geldt. Het is althans opmerkelijk, dat in dit geschrift zoveel schatten gevonden worden die eigen zijn aan de schriftuurlijk-bevindelijke prediking.

Nog niet zo lang geleden is in een proefschrift de stelling naar voren gekomen, dat deze belijdenis een belijdenisgeschrift van de tweede rang is. Het gebeurde bij een promotie in Kampen. Het tekent opnieuw hoe men daar steeds verder van de leer en geest van Dordt verwijderd komt. We gaan er verder niet op in, maar het is in ieder geval, wat de praktijk van de prediking betreft, zeer zeker van de eerste rang.

Het valt reeds op, dat deze leerregels zo vaak spreken over de prediking als zodanig. U zult het weten, dat over vijf hoofdstukken van de leer gehandeld wordt van de Goddelijke verkiezing en verwerping (1); van de dood van Christus en de verlossing der mensen door deze (2); van des mensen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze (3 en 4); van de volharding der heiligen (5). Nu is er geen hoofdstuk waarin niet over de prediking gesproken wordt.

In hoofdstuk 1 begint het al heel spoedig: „En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil, door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus de Gekruisigde”.

In hetzelfde hoofdstuk wordt ook later gesproken over de noodzaak om de leer van de Goddelijke verkiezing voor te stellen in de kerk des Heeren, „met de geest des onderscheids en met godvruchtige eerbiedigheid, heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter ere van Gods heilige Naam en tot een levendige troost van Zijn volk”.

In hoofdstuk 2 wordt ook op de prediking gewezen als het gaat over de belofte des Evangelies: „die zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof”.

Hoofdstuk 3 en 4 spreken over de prediking en de roeping b.v.: „dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie.....”

Tenslotte noemt ook hoofdstuk 5 de prediking. We lezen tegen het einde: „Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik des heilige sakramenten”.

We kunnen hier niet laten even op te merken, hoe hoog de opstellers van de Dordtse leerregels de prediking geschat hebben. En dat niet alleen. Zij hebben achter de verkondiging van Gods Woord, God Zelf gezien. God heeft gezorgd voor de prediking van het Evangelie. Hij zendt verkondigers van de boodschap. En Hij doet dat in Zijn vrijmacht, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. De boodschap van Gods Woord laat zich niet dwingen in haar gang door mensen. God gebruikt mensen, maar bepaalt Zelf de koers. Geheel in de lijn van Dordt wordt zo het welbehagen des Heeren beleden in het geschenk van de prediking. Wel eens te weinig wordt dit onder ons gezien en beleefd. Het voorrecht te mogen zijn onder de rechte bediening van Gods Woord zou meer gekend worden wanneer de ogen hiervoor geopend waren.

Doel: reeds nu kunnen we zeggen: hoe is het mogelijk deze belijdenis in de prediking te verwaarlozen, terwijl er zo’n grote aandacht aan de prediking in deze leerregels gegeven wordt! En teméér klemt dit, omdat ditzelfde geschrift in veel opzichten bepalend is voor de inhoud van de bediening van Gods Woord. Wat we daarmee niet en wél bedoelen, hopen we in een volgend artikel nader te bezien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.