+ Meer informatie

BESPREKING

5 minuten leestijd

’s Middags was er ruimte voor diepgaand gesprek over het thema. Een vraag ging over de erosie van het ambt. Is er misschien sprake van de erosie van de roeping? De klacht, aldus de inleider, is van alle tijden; men moet dus wel dieper doorstoten: niet alle klachten zijn/waren terecht. De maatstaf moet blijven: de norm van de Schrift. Wanneer men ziet dat het heel moeilijk is om ambtsdragers te krijgen, noopt dat tot bezinning: in hoeverre is er sprake van ‘gemakkelijk’ bedanken, in hoeverre van legitieme omstandigheden? Soms is er sprake van een zekere ‘gearriveerdheid’… Het roept ook de vraag op van de wenselijkheid van al of niet periodiek aftreden van ambtsdragers, zoals verankerd in art. 27 K.O. De hoofdlijn van de reformatie, nl. periodiek aftreden, bedoeld om het voeren van heerschappij te vermijden, wordt meestal in de kerken gevolgd.

Er werd vanuit de zaal een lans gebroken voor een duidelijke vorming voor beginnende ambtsdragers. Het zal lastig zijn, aldus de inleider, om dat te formaliseren; het comité is wel van plan om over dit punt eens goed door te denken en te zien of het mogelijk is een concrete handreiking te doen. Daarnaast kan er ook plaatselijk geholpen worden, door de predikant en door de meer ervaren ambtsdragers. Als belangrijke aanvulling hierop (niet als vervanging ervan), zo klonk uit de zaal, mag er vertrouwen zijn dat de Here zal geven wat wij nodig hebben, wanneer we Hem daar om bidden.

Concreet zijn er vandaag veel zorgen om onze jongeren; er komt veel op hen af. Hoe staan we om hen heen? Calvijn dacht er ook al over na, zo bleek uit het antwoord. De jongerencultuur van toen wijkt natuurlijk nogal af van die van vandaag. Hij benadrukte de bijbelse structuur van het gezinsleven. Zó komen jongeren tot kennis van de Schrift! De eerste catechismi waren dan ook bedoeld als handleiding voor de ouders (en niet voor de kerk). Later, toen dit doel te hoog bleek, heeft de kerk deze taak op zich genomen. Toch blijft het van belang dat de kerk de ouders op deze hoge roeping wijst. En er mag wel veel gebed, ook in de kerkdiensten, voor gezinnen en kinderen zijn! Daarnaast is er soms sprake van heel specifieke problemen rond bepaalde jongeren. Laten kerkenraden dan toch in eigen kring rondzien of er een speciale broeder is, die een goed hart en oor heeft voor jongeren, en die daarom ook gemakkelijker toegang heeft. Eventueel moet de lijn naar de professionele hulpverlening gelegd worden. Luther wees daarnaast al op het belang van onderling pastoraat, waarbij niet meteen een ambtsdrager betrokken is. Dat, aldus prof. Baars, heeft door de tijden heen een plaats gehad: er zijn voorbeelden te geven van oude, wijze zusters in de gemeente, die op die manier voor velen tot zegen zijn geweest, zonder dat er een kerkenraad aan te pas kwam.

Intensieve pastorale zorg (nodig om vertrouwen te krijgen) wordt in sommige gemeenten bemoeilijkt vanwege het gebrek aan ambtsdragers; vaak wordt dat opgevuld door pastorale teams. In dat geval klemt dan de moeite rond ‘tuchtbezoeken’. De inleider wilde voor de frequentie van de bezoeken geen normen aanleggen; het ligt overal en in iedere situatie weer anders. Een luisterend oor en trouw aan gedane beloften zijn ieder geval van wezenlijk belang. Eén maal per jaar huisbezoek is het absolute minimum. Om het ambtelijk bezoek heen vormt zich het bezoek door anderen, geformaliseerd in een wijkteam bijvoorbeeld. Men kan dank baar zijn voor de intensiteit van de contacten die daaruit voortkomen. Het mag echter geen vervanging zijn van het eigenlijke huisbezoek, waar over de vrucht op de prediking wordt gesproken, en waar — indien nodig — ook vermaan en tucht kan plaatsvinden. Een pastorale werker loopt juist daar tegen de grenzen van zijn opdracht aan. Inhoudelijk is bij een tuchtbezoek de houding van de ambtsdrager van groot belang: ‘de liefde tot Christus dringt ons!’ Dat brengt ootmoed met zich mee. In het vermaan moet het verlangen om iemand te behouden, voor God en voor de gemeente, doorklinken.

Een belangrijke taak van de ouderling is die van het toezicht op de prediking. Dat heeft verschillende kanten. De kerkenraad spreekt met oog hierop regelmatig over de prediking van het Woord. Dat kan aan de hand van de verslagen van huisbezoeken; het kan ook van tijd tot tijd een apart agendapunt zijn op de vergadering. Dat is teer werk, omdat bij de prediking het hart van de predikant is opengegaan. Met wijsheid kunnen er echter zegenrijke dingen gebeuren.

De conferentie werd inhoudelijk afgesloten door ds. P.DJ.Buijs te Harderwijk. Hij mediteerde over 1 Petrus 5:1–4, waar het gaat om de ambtsdrager als voorbeeld van de kudde, in ootmoedigheid (het woord duidt op slavendienst). Dat leren we van de Here Jezus; in de omgang met Hem raken ambtsdragers meer en meer ‘in vorm’. Zo zullen zij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid ontvangen, als Jezus, de grote Opperherder, terugkomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.