+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

28

Staat uw hart wantrouwend tegenover de Heere, verdenkt u Hem in Zijn liefde, trouw en macht, dan maakt dat uw hart beschroomd, het ontneemt u de moed verder te gaan en u wordt vreesachtig. Daarom hebt u ook uw hart en leven te toetsen aan de proefsteen van Gods getuigenis. Het moet u duidelijk worden wat de oorzaak is van dat wantrouwend denken en van dat beschroomd staan tegenover de leeuwen om niet verder te gaan op de weg naar Sion. En die oorzaak is in het innerlijk leven, daar mankeert wat aan. U hebt toch het W oord toen het u gepredikt werd met vreugde ontvangen en dat deed u moedig op reis gaan naar Sion. Maar toen is het u toch ook gezegd, dat we door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods, en zie, nu deinst u daarvoor terug.

Waarom bent u nu zo vreesachtig? U wordt er door verlamd in uw godsdienstig leven. U zakt af, daar is een zekere neiging bij u te bemerken weer terug te keren naar de wereld. U wilt toch nog wel weten wat de oorzaak van dat alles is? En dat moet u weten, opdat de genezing van dat kwaad gezocht zou kunnen worden.

Volgens het licht van de Schrift zijn de eigenschappen van een gezond geestelijk leven niet bij u aanwezig. Dat brengt ons tot de vraag: Zou de wortel der zaak, waaruit de onberouwelijke keus de Heere te vrezen opkomt, wel aanwezig zijn? En nu moet u niet zeggen: Ja, daar heeft vroeger wel wat plaats gehad, ik heb weleens aangename tijden gehad. Want daarmee wordt het nu niet anders.

Smeek de Heere om de innerlijke gemeenschap met Christus, want in hem is de levenskracht van het nieuwe leven der genade. En door de dierbare werkingen van Zijn Geest is dat te bekomen. Het is de wortel der zaak waaruit het leven der genade opbloeit en de Pelgrim kracht bekwam om staande te blijven in de verzoeking terug te gaan naar de stad Verderf. Let op het einde van de vreesachtigen, want hun deel is in de poel, die brandt van vuur en sulfer. De kracht, die de Pelgrim deed staande blijven, had hij vanuit Christus, zijn Levensbron. Zodat wij er door opgewekt worden dat ernstig te zoeken aan de troon van Gods genade.

Het is de ongeloofspredikers niet gelukt het hart van de Pelgrim aan het wankelen te brengen, al had hij wel terdege angst voor het gevaar dat dreigde, want hij zou dat ook zeker op zijn weg ontmoeten. Maar gelukkig kon de verderfelijke geest, die het hart wantrouwend en beschroomd zocht te maken, bij hem geen voet aan wal krijgen, al werd alles daartoe in het werk gesteld. Het eeuwige leven behield in zijn hart de overhand, en dat deed hem dan ook in de kracht van het geloof optrekken.

Bij het vervolgen van zijn weg had de Pelgrim behoefte vertroost te worden vanuit zijn rol tot versterking van het innerlijke leven. Wanneer wij slaags geweest zijn met de predikers van het ongeloof, dan vergt dat veel kracht van het innerlijk leven. Altijd weer heeft onze geest het nodig in het getuigen van de Heere gesterk te worden door het getuigenis van de Heilige Geest.

Maar wat een bittere teleurstelling was het voor de Pelgrim toen hij bij het tasten in zijn borstzak zijn rol niet vond. Zijn rol, die hij niet missen kon tot versterking op de weg en nodig had tot reispad naar de hemelstad. Het gemis van de rol maakte hem radeloos, er was niets te bedenken wat die rol kon vervangen. Hoe is het mogelijk moedig verder te reizen zonder het getuigenis van de Heilige Geest in het hart? Hij weet zijn hart niet te vertroosten, zijn geloof niet te versterken en zijn smader niet te antwoorden. Kan een kind des Heeren, dat weet het eigendom van de Heere te zijn, zoals de Pelgrim dat deelachtig was geworden aan de voet van het kruis, dan nog weer radeloos worden? Ja, en dan nog erger dan toen hij radeloos zat te wenen in het veld. Want nu heeft hij het bezit der zaak, de zalige vertroosting van de rol leren kennen. En als de staat der genade niet weerspiegelt in de stand van een gezond geestelijk leven, wordt men vanuit zijn staat smartelijk gekastijd. Het gemis van de rol is voor de Pelgrim een allersmartelijkste kastijding. Nu mist hij niet alleen het getuigenis van de Heilige Geest, maar daarbij ook nog het licht van Gods vriendelijk aangezicht. De arme man wist niet wat nu te doen. Nog maar enkele ogenblikken geleden sprak de Pelgrim met vastigheid en zekerheid tot de ongeloofpredikers: „Ik wil dus voorwaarts gaan!” En zie, nu kan hij geen stap verder. Bij het hartelijk willen hebben wij ook het geestelijk kunnen nodig. De man staat in diepe ontroering als aan de grond genageld met de vraag in zijn hart: Waar is toch mijn rol gebleven, waar ben ik het getuigenis van de Heilige Geest kwijt geraakt? Op welke plaats heeft mijnhart daarin voor het laatst mogen delen? En zo heeft hij zijn geheugen ingeschakeld om aan de weet te komen waar hij zijn rol heeft te zoeken. Bij het genis der zaak moeten wij altijd weer terug naar de plaats waar wij nog mochten delen in het genot der zaak.

„Eindelijk herinnerde hij zich, dat hij had liggen slapen in het prieel aan de zijde van de heuvel”. Ja, daar heeft zijn hart nog mogen delen in het getuigenis van de Heilige Geest. Daar is hij nog als vanuit de mond des Heeren vertroost en versterkt geworden. Maar sinds dat droevig slapen in het prieël, heeft hij geen weet meer van zijn rol. „Nu zonk hij op de knieën en smeekte God om vergiffenis voor zijn dwaze handelwijze, en daarop ging hij terug om de rol te zoeken. Maar wie kan de droefheid beschrijven, die zich van de Pelgrim meester maakte, toen hij zich gereed maakte om terug te keren. Nu eens zuchtte hij, dan weer weende hij en dikwijls klaagde hij zichzelf aan vanwege zijn dwaasheid om in het prieël in slaap te vallen, dat daar toch alleen geplaatst was om een ogenblik uit te rusten”.

Voor het innerlijke leven is het van grote betekenis de zonde van nalatigheid te kennen, om te weten waarom wij in het gemis zijn gekomen van het getuigenis van de Heilige Geest. Stappen wij over dat gemis heen, dan raken wij het gemis eindelijk gewoon en dat veroorzaakt een geestelijke onvruchtbaarheid. Men gaat van zichzelf getuigen, getuigen van bekering en bevinding tot zelfverheffing. Want zonder het getuigenis van de Heilige Geest kan het hart niet komen in verwondering en aanbidding voor het aangezicht des Heeren.

„Terwijl hij terug ging, keek hij zorgvuldig rond naar alle kanten of hij de rol ook zag liggen, waarvan de inhoud hem zo menigmaal vertroost en verkwikt had gedurende de reis. Eindelijk kreeg hij het prieël in het zicht, waar hij in slaap was gevallen, maar die aanblik maakte zijn droefheid nog groter, omdat hij opnieuw inzag hoe zorgeloosheid hem had doen insluimeren”.

In deze droeve overgave aan de slaap der zorgeloosheid is de liefde Gods, waarin hij zo ruim had mogen delen, door hem gekrenkt. Dat deed hem met smart aan dit woord denken: „Maar ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten”. En er is niets te bedenken, dat smartelijker is voor het hart, dan de Heere tegen te hebben.

„Hij ging dus voort en beweende zijn zondige slaap, zeggende; O, ellendige zondaar, die ik ben, om te slapen terwijl het dag is, om te slapen temidden van allerlei moeiten en bezwaren! Hoe heb ik zo zeer toe kunnen geven aan het vlees, dat ik de rust heb gebruikt, die de eigenaar van de heuvel had geschonken tot verkwikking voor de zielen van de pelgrims! Hoeveel schreden heb ik tevergeefs afgelegd! Zo is het Israël vergaan op zijn tocht door de woestijn. Om zijn zonde moest het terugtrekken naar de Rode Zee, en ik ben genoodzaakt met treurigheid des harten dezelfde weg driemaal te gaan in plaats van hem met blijdschap af te leggen. Hoe ver had ik reeds gevorderd kunnen zijn! En ik vrees door de nacht overvallen te zullen worden, want de dag is reeds bijna ten einde. O, was ik slechts niet in slaap gevallen!”

In plaats van voorwaarts te gaan toen de Pelgrim de top van de heuvel Moeilijkheid mocht bereiken, moest hij een heel eind rugwaarts keren om, wat zijn innerlijk leven betrof, weer op het rechte spoor te komen. Wat niet recht gedaan is, moet overgedaan worden tot verkrijging van een gezond geestelijk leven, waarin het getuigenis van de Heilige Geest gevonden wordt; het getuigenis dat God onze Vader is en dat wij Zijn kinderen zijn, tot beleving van het kinderlijk leven, dat de Heere welbehagelijk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.