+ Meer informatie

ROUWDIENSTEN

13 minuten leestijd

— Een absoluut verbod?

In de kerkorde treffen we een artikel aan, dat kort en krachtig de „lijkpredikatiën” verbiedt. „Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld” (art. 65).

We moeten dit artikel beschouwen als een reactie op het roomse gebruik of liever misbruik om bij de begrafenissen de lof van de overledene te bezingen en door allerlei voorbeden de zielerust van de gestorvene te bevorderen.

Tegen de achtergrond van deze roomse superstitie heeft de gereformeerde kerk aangedrongen op een zeer eenvoudige manier van begraven.

Dat dit geen overbodige zaak was kan blijken, wanneer we kennis nemen van de wijze waarop in de Nederlanden de doden werden begraven. We gaan voorbij aan de zeer vroege ontwikkelingen op dit terrein. Het is bekend, dat de Franken in de tijd van hun bekering tot het christendom hun doden begroeven, terwijl de Friezen en de Saksen hun doden verbrandden. Toen Karei de Grote het christendom trachtte te bevorderen, schreef hij op de rijksdag van Paderborn voor dat de doden begraven moesten worden. Men legde daartoe speciale dodenakkers aan, en dezelfde Karei verbood in 809 nog om in de kerken te begraven. Langzamerhand echter werd het toch een gewoonte om juist in de kerken, zo mogelijk dicht bij het altaar een laatste rustplaats voor de doden te zoeken. Wellicht hing dit samen met het feit, dat bij vervolgingen of veroveringen gevallen voorkwamen van gruwelijke lijkschending. Ook de zucht om te mogen rusten vlak bij de relieken van de heiligen zal wel een rol gespeeld hebben, terwijl hier voor de kerken een bron van inkomsten begon te vloeien. Zo kwam het echter ook, dat de armen in de kerken na hun dood geen plaats konden vinden, terwijl het ook een teken van grote ootmoed kon zijn wanneer men zich als een berouwvolle zondaar, na de dood liet begraven buiten de kerk, bij voorkeur onder de dakgoot. Er zouden omtrent deze oude gewoonten nog allerlei wetenswaardige dingen te vermelden zijn, maar deze doen hier weinig ter zake.

Wel is het van belang om te vragen hoe een uitvaart geregeld werd. Zulk een uitvaart (van het lat. exequiae) bestond in het afhalen van het lijk uit het sterfhuis, vanwaar het naar de kerk werd gebracht. Dit geschiedde soms onder het uitspreken van gebeden en gezangen. Dan werden er „metten en lauden” gezongen in de kerk, waar vooral de lijkmis van grote betekenis werd geacht. Er volgden enige gebeden en gezangen bij het lijk, waarna onder gebed en gezang ook de kist naar het kerkhof werd gedragen, eveneens weer onder gebed en gezang. Tijdens de dienst in de kerk werd, wanneer de mis geëindigd was, en wanneer de eretekenen van de overledene op het altaar waren gelegd een rede gehouden, waarin de verdiensten en kwaliteiten van de overledene werden opgenoemd. Reeds bij de oude Grieken en Romeinen vinden we voorbeelden ervan, dat de kinderen van de overledene het spreekgestoelte beklommen en zulk een lijkrede uitspraken. Zo geschiedde het ook in de middeleeuwen. Wanneer er geen kind was, werd dit deel van de uitvaartplechtigheid verzorgd door een vriend. Nog later werd het de gewoonte dat bij de dood van een hooggeplaatste een bisschop of een priester deze taak overnam.

— Reformatorisch protest

Tegen deze gebruiken keerde zich de Reformatie. In art. 52 van de prov.synode van Zuid-Holland 1574 werd uitgesproken: „Van den lijckpredicken is besloten, dat men se met grooter voorsichtigheijt, soeckende d’opbouwinghe der kercke, daer se inghevoert sijn, afsette; daer se niet inghevoert en sijn, niet in en voere, om de periculen der superstitie, die daerwt comen, te vermijden”. In 1581 werd het houden van lijkpredikaties door de synode van Middelburg geheel verboden. Verschillende particuliere synoden hebben zich telkens weer op dit verbod beroepen. Toch was de praktijk niet overal een en dezelfde. De synode van Zuid-Holland merkte op dat op verschillende plaatsen gebeden werden gedaan bij de graven, wanneer de doden ter aarde werden besteld. Zij achtte dit als een overblijfsel van de pauselijke superstitie, die daardoor ook onderhouden en versterkt werd. Bij de classes werd er daarom op aangedrongen om deze gewoonte tegen te gaan en op een passende manier af te schaffen (1626). Anders dacht men blijkbaar in het gebied vlak over de grens, dat altijd nauwe contacten had met het kerkelijke leven in Nederland. In de kerkorden van Gulik en Kleef (1662) werd toegestaan, dat het gebruik van het houden van een lijkpredikatie in zwang kon blijven waar het was ingevoerd, indien tenminste de prediker zich vóór alle dingen zou onthouden van het ijdele onnodig noemen van de gestorvene. In de classis Nijmegen (1601) werd gezegd, dat men de lijkpredikaties zou afschaffen. Men mocht ze slechts houden, nadat het lijk begraven was en alleen in de kerk en niet op het kerkhof.

De „personalia” zou men niet mogen „tracteren”. En men zou deze bijeenkomst beginnen en eindigen, alleen met het Gebed des Heren. Maar twaalf jaar later werd nog gerapporteerd dat overal op het platteland en in sommige steden de lijkpredikaties geschiedden met goede stichting en bevordering van het evangelie. Daarom bevorderde de classis dat zulke predikaties gedaan werden op een met name genoemde plaats, indien men tenminste het gebruik verrichtte ná de begrafenis. En zo is het op vele plaatsen in het Noorden nog wel te doen gebruikelijk. Vóor de begrafenis is er een korte bijeenkomst. Na de begrafenis is er sprake van een meer gerichte verkondiging.

Dat men niet overal en altijd gelijk over deze dingen dacht, wordt wel bewezen door een zeer groot aantal uitgegeven lijkpreken, die het licht zagen, ter gelegenheid van het overlijden van belangrijke personen. Van Luther zijn er een aantal bekend, door hem gehouden bij het overlijden van wereldlijke vorsten. En van de bekende piëtist Spener bestaan zes delen met verzamelde lijkpredikaties, in totaal 5661 bladzijden.

— Praktijk in Londen

Ook binnen de gereformeerde traditie dacht men niet altijd gelijk over de kwestie, zoals blijkt uit een van de eerste en belangrijkste kerkordes die we bezitten, die van Marten Micron, De Christelicke Ordinancien der Nederlantscher Ghemeinten te Londen, 1554. Daaruit neem ik het volgende over: „De begrafenis geschiedt bij ons in alle eenvoud zonder enige pracht van heidens of papistisch karakter. Alles wat er met het dode lichaam gedaan wordt dient tot lering en vertroosting van de levenden en niet van de doden. Wij zijn immers door Jezus Christus in zijn gemeente niet aangesteld tot dienaren van de doden maar van de levenden. Wanneer dan het dode lichaam in de kerk gebracht is, temidden van de broeders, die vergaderd zijn, spreekt de dienaar een korte vermaning tot de gemeente, waarin hij gewoonlijk uiteenzet hoe de dood door Adam is gekomen en hoe zij door Christus weer is overwonnen en weggenomen, Hij spreekt over de opstanding van het vlees en het eeuwige leven. Hij toont ook de onzekerheid van het leven aan en hoe de dag des Heren komt als een dief. Daarom vermaant hij een ieder tot waken en bidden. Wanneer er enige en uitnemende deugden in de overledene zijn geweest, dan worden deze verhaald tot de eer van God en de gemeente wordt vermaand om deze deugden na te volgen. Vooral wordt de gemeente opgewekt tot bekering van het leven. Nadat deze vermaning is gedaan wordt de overledene begraven. Intussen zingt de gemeente een psalm, n.l. Loof de Here mijn ziel enz. Wanneer deze psalm is beëindigd spreekt de dienaar dit gebed:

Wij danken u, eeuwige en barmhartige Vader, dat gij onze broeder (of zuster) N. uit de ellende van deze wereld door het geloof in uw zoon Jezus Christus verlost hebt en zijn ziel in uw rijk hebt ontvangen, wiens lichaam gij ook te zijner tijd tot de onsterfelijke heerlijkheid zult opwekken. En wij bidden u, dat ge ons met uw Heilige Geest wilt bijstaan, opdat wij dit vergankelijke leven klein achten en altijd op u mogen zien, en voor u in heiligheid en gerechtigheid mogen leven, opdat wij in het geloof van uw Zoon uit dit leven mogen scheiden en altijd bij U mogen leven, die met U en de Heilige Geest een enig en eeuwig God is, geprezen tot in eeuwigheid. Amen.

Wanneer dit gebed is gedaan wordt de gemeente met de gewone zegen heengezonden, terwijl de diakenen naarstig de aalmoezen voor de armen verzamelen”.

— Blijvend belang van art. 65

Wanneer we nu trachten om de bedoeling van het artikel te verstaan tegen de achtergrond van de geschiedenis zijn er een paar dingen zonder meer duidelijk. Het eerste is het radicale verzet tegen alles wat riekt naar roomse superstitie: het bijgeloof. Het tweede is de afwijzing van elke vorm van mensverheerlijking met betrekking tot de overledene. Wat het derde betreft is er sprake van geen duidelijke visie: het gaat om de participatie van de gemeente. Daarover heeft men blijkbaar in het verleden verschillend gedacht. Over deze drie zaken volgen nu enkele korte opmerkingen.

De eerste is, dat het oppervlakkig gezien wel lijkt, alsof wij in het geheel niet meer bloot staan aan de verzoeking van de bijgelovigheid. Wat is bijgelovigheid? Het is dit: dat men zijn vertrouwen niet stelt op de enig ware God, die zich in Christus heeft geopenbaard. Men zoekt daarbij of daarnevens nog iets anders. Zouden we mogen zeggen, dat, wanneer een begrafenis in zicht komt, de bijgelovigheid geen kans meer heeft? Waar worden de dingen immers échter, wezenlijker dan op die grens van dood en leven, van eindigheid en eeuwigheid, waar geen mens zich meer kan ophouden met schijn zonder wezen? Toch blijkt juist hier het bijgeloof, in de zojuist omschreven zin, een grote kans te krijgen. Wanneer een rouwdienst zou moeten helpen, om de geestelijke status van de overledene wat op te vijzelen, blijft het oude artikel onverminderd van kracht. Het zou superstitie zijn, wanneer men de gedachte zou voeden, dat het er iets mee te maken had, zul k een rouwdienst, Of het iets te maken had met de vraag van eeuwig wel of wee. Hier beslist alleen de vraag van het geloof, dat beleden en beleefd moet worden vóór het sterven. Wat dit punt betreft is de grootst mogelijke soberheid vereist. En met het oog daarop kan het niet eenvoudig genoeg zijn.

Hoe veel te meer geldt dit van het tweede: de mensverheerlijking. Wanneer een kind in de middeleeuwen het spreekgestoelte moest bestijgen om de lof van vader of moeder te verkondigen, doet dit ons aan als iets wat behoort bij de duisternis van de middeleeuwen. Wanneer in later tijd een priester of bisschop werd gehuurd om iets dergelijks te presteren, denken we: wat voor vreemde mensen waren dit?

Maar is het vandaag anders? Welke gevaren bedreigen een spreker, die zich opmaakt om over „doden niets dan goeds” te vermelden? Goedmoedigheid, welwillendheid is een grote deugd. Maar zij past beter bij de levenden dan ten opzichte van de gestorvene. Het gebod van het ogenblik vereist dat men betraande ogen ontziet. Kan men ooit aan een graf de waarheid spreken zonder te veinzen? Is men altijd in de gelegenheid om een kind, om een vriend te laten spreken?

Daarom hebben de gereformeerden gezegd: laat men over de dode zwijgen. Geen „laudatio”, geen lofprijzing voor de overledenen bij het graf of in de kerk. Of het moet zó duidelijk zijn, dat het de deugden van God zijn, die zich demonstreren in een mensenleven, dat men aan die deugden te kort zou doen wanneer men ze onvermeld zou laten. Met het oog op deze twee zaken is en blijft het bepaalde van art. 65 van kracht.

Om bijgelovigheid te vermijden, om mensverheerlijking te voorkomen zal men geen lijkpredikatiën houden.

— De betrokkenheid van de gemeente

Maar daarmee is toch niet alles gezegd. Immers we kennen ook het voorbeeld van de vluchtelingengemeente van Londen. Wanneer we in het oog houden wat in de kerkorde van Marten Micron werd bepaald, vallen op z’n minst twee dingen op. In de eerste plaats de verkondiging van het evangelie, dat in zulk een rouwdienst de hoorders kan bepalen bij de laatste vragen van dood en leven, van de eeuwige dood en van het eeuwige leven. Ook in deze kerkorde werd ruimte gegeven om te memoreren de gaven die God aan een overledene had verleend, opdat zijn naam er door geprezen zou worden en de gemeente zou worden opgewekt om zulke voorbeelden na te volgen. Maar deze „herdenking” was geen prijzen van menselijke kwaliteiten. Het was integendeel een roemen van Gods genade, die zich in het leven van mensen verheerlijkt. Het laat zich denken, dat met vermijding van bijgelovige en mensverheerlijkende toestanden, een gezelschap bijeen geroepen wordt door het evangelie, een gezelschap, dat, gezien de omstandigheden juist behoefte heeft aan de troost van dat evangelie, en dat, mede met het oog op die omstandigheden, open staat voor de vermaningen voor allen die niet naar het evangelie leven.

Een tweede zaak is in dit verband nog te vermelden. Men heeft de dood, men heeft het sterven uit de samenleving gebannen. De mensen gaan dikwijls naar een ziekenhuis om te sterven. De gemeente van Christus is echter de plaats, waar men weet dient te hebben van het sterven. En wat is er redelijker, dat iemand, die in de gemeente werd geboren, en die omdat hij een lidmaat van de gemeente was, werd gedoopt, ook in die gemeente en met die gemeente leeft. Waarom zou de gemeente dan niet tegenwoordig kunnen zijn, wanneer aan zulk een persoon de laatste dienst werd bewezen, die hier op aarde bewezen kan worden: het zaaien van zijn dode lichaam in de schoot van de aarde? Wanneer de gevaren, die aan een lijkdienst verbonden zijn worden onderkend en worden gemeden, wat is er dan tegen on aan de levenden het evangelie te verkondigen en om dan als gemeente zich betrokken te weten bij de laatste daad, die gedaan kan worden: de teraardebestelling?

Midden in dit leven zijn wij door de dood omgeven. Zó is het inderdaad. Maar voor hen die de Here vrezen geldt ook: midden in de dood omringt het leven ons. Natuurlijk is het feit van geboorte en sterven een zaak van een familie. Maar staat een familie ook niet binnen het geheel van de gemeente? Daarom mag men stellen, dat een rouwdienst in principe niet tegen de bedoeling van de kerkorde is, mits daarin elke vorm van mensverheerlijking wordt vermeden en vooral indien daar de volle gelegenheid wordt benut om het evangelie bekend te maken.

Het komt voor dat een rouwdienst wordt gehouden, wanneer de overledene een bijzondere plaats heeft gehad in het leven der gemeente. Indien men dán wél de gemeente er in betrekt, is er geen argument om andere leden van de gemeente, die misschien niet een zo vooraanstaande plaats hebben ingenomen, op een andere wijze te laten scheiden van de gemeente Gods hier beneden.

De ernst van het leven wordt nergens meer duidelijk dan waar men de levenden confronteert met de dood. Maar ook springt de genade Gods nergens sterker in het oog, dan waar, midden in onze realiteit verkondigd mag worden dat de bezoldiging van de zonde de dood is, terwijl de genadegift van God het eeuwige leven is door Jezus Christus, onze Here.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.