+ Meer informatie

TER OVERWEGING

14 minuten leestijd

Dr. G. Dekker en dr. J. Peters, Gereformeerden in meervoud. Een onderzoek naar levensbeschouwing en waarden van de verschillende stromingen.

Uitg. Kok - Kampen. 141 blz., f. 22,50.

Met het woord „onderzoek” in de ondertitel van dit boek wordt een sociologisch onderzoek bedoeld dat zich incasu rieht op de „gereformeerde stromingen” in ons land. Dat dan ook de „christelijk-gereformeerden” (met koppelteken - om de vraag te voorkomen of er ook andere gereformeerden zijn die niet of minder christelijk zijn dan wij, aldus Van der Leeden/Verhage in AC 81-615v.) daarbij betrokken worden is te verwachten. Inderdaad doen de auteurs een serieuze poging om niet alleen die stromingen te onderzoeken, maar ook elke stroming te beschrijven in het geheel dat nogal gevarieerd en gecompliceerd is. Behartigenswaardige kenmerken èn verschillen worden geconstateerd. De vraag is natuurlijk of ieder zich herkent in die beschrijving, resp. of aan elke stroming recht wordt gedaan. Het vijfstromenland van synodaal-, christelijk-, bevindelijk-, hervormd- en vrijgemaakt-gereformeerden - die bij het onderzoek werden betrokken (waarvan drie direct en twee indirect kerkelijk) - laat zich via sociologische methoden in kaart brengen als uiteindelijk een driestromenland: orthodox-, bevindelijk- en modern-gereformeerden (modern de eerste keer tussen aanhalingstekens geplaatst, later niet meer - blz. 48). Een premie voor scherpe onderscheiding kan m.i. in dezen moeilijk worden toegekend - gesteld dat daarop wordt prijsgesteld. Het begrip „orthodox” heeft toch met de leer, met de belijdenis te maken, „bevindelijk” met de beleving ervan (de schrijvers onderscheiden tussen bevindelijkheid in ruimere en in engere zin - 35) en „modern” (in dit geval) met de autonomie die de mens zichzelf toekent. Nergens blijkt dat deze autonomie een rol heeft gespeeld bij het determineren van de „gereformeerden in meervoud”. Eerder lijkt het erop dat men aan „bij de tijd”, „eigentijds” of iets dergelijks heeft gedacht.

En dan is het geen wonder dat de grenzen tussen de „stromingen” vloeiend worden: orthodox, bevindelijk èn modern laten zich dan zonder veel moeite in ééen persoon „samenstromen”! De vraag is maar hoe men deze begrippen vult.

Opmerkelijk is dan ook dat verschillende keren van de christelijke-gereformeerden gezegd wordt dat zij een „tussenpositie” innemen (72, 84, 88); ze zijn „het moeilijkst te karakteriseren” (110), omdat zij „waarschijnlijk toch verschillende gereformeerde karaktertrekken in zich verenigen” (111). Al ben je geneigd bij het laatste „dank u” te zeggen en het eerste toe te stemmen (met „tussen de vuren” werd bijna een halve eeuw geleden al onze positie aangeduid) wanneer je bedenkt dat de sociologische gegevens waarop de schrijvers deze conclusies baseren, verkregen zijn van zegge en schrijve 24 Informanten (56) en dat volgens eigen zeggen soms de onderwerpen „slechts aan de helft van de ondervraagden werd voorgelegd”, dan komt - misschien niet sociologisch, maar wel gewoon logisch - de vraag op hoe het een en ander getaxeerd moet worden.

Kan een groep van maximaal 24 mensen representatief geacht worden als het gaat om een tussenpositiegroepering, die als zodanig „minder homogeen” (88), zo niet ‘heterogeen’ is? De schrijvers zeggen zelf dat zij soms de „kritische grens” naderen, „waarop nog betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan” (57). Menen zij dat „in die gevallen” de nodige voorzichtigheid geboden is, dan resten de andere gevallen. Is de representativiteit voldoende gewaarborgd met 24 (of minder) Informanten?

Hun beschrijving van de uitkomsten hebben mij in dat opzicht niet overtuigd.

Dat neemt niet weg dat ze waardevolle dingen opmerken die tot nadenken stemmen, ook als het over de christelijk-gereformeerden gaat (bijv. 30-32). Opmerkelijk vond ik verder dat pas op de laatste bladzijden de confessionelen in de Herv. Kerk in het vizier komen (135v.). Maar het is niet duidelijk of zij ergens in het vijfstromenland thuishoren. In elk geval: hun is geen plaats gegeven in de statistieken. Eén ding is m.i. wel duidelijk dat deze „sociaal-wetenschappelijke beschrijving” van vijf gereformeerde groeperingen (voor het eerst in Nederland volgens het achterkaft) voortgezet onderzoek allerminst overbodig maakt.

Maar ‘Ontdekkend’ is het soms wel zo’n sociologisch profiel. En ‘ontdekking’ schuwen we als chr. geref. ambtsdragers toch niet?

Drs. L. Wüllschleger, Scheurmakers en nieuwlichters. Over Remonstranten en Contra-Remonstranten te ’s-Gravenhage (1612-1618).

Uitg. Groen en zoon - Leiden. 141 blz., f. 26,50.

Er wordt nog steeds verschillend gedacht over de remonstrantse en contraremonstrantse twisten in het begin van de 17de eeuw. Op zichzelf niets bijzonders. Er zijn meer zaken in het verleden - en in het heden - die verschillend worden beoordeeld. Opmerkelijk is evenwel dat met name de beoordeling van deze twisten en derzelver uitkomst doet blijken wat men zelf geestelijk is en wenst te zijn. Een zgn. objectieve beoordeling is praktisch dan ook niet mogelijk. Drs. Wüllschleger bedoelt die ook niet te geven; hij erkent graag in het spoor van de calvinistische traditie te gaan en dus geen absolute objectiviteit te pretenderen (13v.). Een zestal hoofdstukken die informeren over Gomarus en Arminius, de strijd om de eenheid rond de belijdenis en de politieke situatie rond de twisten, gaan aan de behandeling van de gang van zaken in Den Haag vooraf, de „sitplaetse” genoemd van de „voornaemste stijvers” (51). Duidelijk laat hij uitkomen hoe het niet om een detailkwestie ging, maar om het hart van het Evangelie en daarom van de kerk. Wordt de mens uiteindelijk naar zichzelf verwezen, naar eigen prestaties en/of kwaliteiten, of naar Gods genade in Jezus Christus?

Door toedoen van de overheid destijds groeide het dogmatische conflict over de pre-destinatie uit tot een nationaal drama (34). Van dat conflict en dat drama, speiend in Den Haag (Maurits en Oldenbarnevelt - de eerste geen „steile calvinist” en de tweede geen „pure Remonstrant” - 48) geeft drs. Wüllschleger een boeiende en instructieve beschrijving.

Drs. J.A. van der Velden, Israël en het antisémitisme.

Uitg. De Groot Goudriaan - Kampen. 71 blz., f. 10,25.

Het eeuwenoude verschijnsel van de jodenhaat wordt in dit boekje aan de orde gesteld. Reeds bij de kerkvaders is die te vinden, zij het niet zonder nuances. De kruistochten zijn in dezen berucht, al kan op een Bernard van Clairvaux gewezen worden (29). De reformatoren hadden er ook weet van. Vrij breed wordt Luther naar voren gehaald. De nazi’s hebben hem in dezen berucht gemaakt. Maar zegt drs. Van der Velden:

„Ten diepste ging het Luther niet om de haat tegen de paus, de jood of de Turk”, maar om het Evangelie van Gods vrije genade in Christus, dat dat „overeind zou blijven staan in de woelingen van de eindtijd” (36). En „Heel zijn leven heeft Luther een intense aandacht gehad voor de joodse wortels van het christelijk geloof” (37).

Over Calvijn: „Gods verbondstrouw is opgewassen tegen de feitelijke ontrouw van Israël”, al zegt deze tevens: „Israël is uit het verbond van God vervallen” (38).

Zo is er meer te noemen tot in de 20ste eeuw toe. De wortels van jodenhaat en antisemitisme zitten diep. „Is jodenhaat te overwinnen?” vraagt de schrijver tenslotte. Hij acht voor een positieve beantwoording van deze vraag allereerst nodig dat met het „zogenaamde vervangingsmodel” radicaal wordt gebroken (64). En vooral „een grondige, hartelijke bekering tot de God van Israël en zijn Messias, Jezus Christus” (69). In kort bestek een indringende benadering die zeker overweging verdient!

Drs. H.G. Leih, De vrijheid op het altaar geheven. De Franse Revolutie en het Christendom. Uitg. Kok - Kampen. 224 blz., f. 34, 50.

De visie op de Franse Revolutie van de jaren ′80 en ′90 van de 18de eeuw, die onder ons gangbaar is, is met woorden als antichristelijk, antiklerikaal en atheistisch te om-schrijven. Daarmee is héél die revolutie radicaal en absoluut veroordeeld.

Toch laat dit boek zien dat er in het begin „geen wezenlijke tegenstelling tussen christelijk geloof en revolutie” was (7). Drs. Leih stelt dat deze revolutie streefde „naar wezenlijke waarden, die op zichzelf ook eigen waren aan de christelijke overtuiging”. Het zou te ver voeren zijn betoog hier in grote lijnen weer te geven. Het is inderdaad opmerkelijk wat hij over die eerste période weergeeft. Pas in het begin van de jaren ′90 verslechterde de houding van de Constituantie jegens de R.K. Kerk (79).

Weldra kwamen in steeds sneller tempo kerk en Staat tegenover elkaar te staan wat tenslotte via vervreemding tot vijandschap uitgroeide. Wanneer Groen van Prinsterer in de 19e eeuw „de Revolutie geboren ziet worden uit het ongeloof”, dan is dat volgens drs. Leih een constatering achteraf „als ook de verdere loop der gebeurtenissen bekend is” (71). Boeken als die van Le Roy Ladurie laten inderdaad zien dat het aan-vankelijke gedachtengoed van wat velen in die eerste revolutietijd bezielde, diepe wortels heeft tot de hugenotentijd toe. Het is goed daarop de aandacht te vestigen, al blijft het beslissende principe dat de „Franse Revolutie” tenslotte beheerste: tegen het Evangelie. Opmerkelijk is wel een uitspraak dat de Revolutie-religie een religie is zonder „diaconie” (133).

Het is zeker de moeite waard dit boek te bestuderen.

Drs. R.R. Ganzevoort, Levensverhalen.

Uitg. Voorhoeve - Den Haag 1989. 117 blz., f. 18,90.

Dit boek is de uitwerking van een doctoraalscriptie, verdedigd in Utrecht door een Ned. Geref. predikant. Mensen die in een crisis terechtkwamen door een dwars-laesie (beschadiging van de spieren van het onderlichaam) worden ondervraagd - uiteraard met hun instemming - over hun ervaring in verwerking. Het geloof speelt bij velen zeker in de diepte van de crisis geen rol, bij sommigen later wel. Of een pastor hiermee wat moet, komt niet aan de orde.

Het boek is een verdienstelijke beschrijving van wat mensen beleefden. Of er pastoraat wordt bedreven, lijkt mij de vraag, tenzij men een vorm van medemenselijk omgaan met elkaar pastoraat noemt. Mij is ook niet duidelijk hoe de hermeneutiek hier functioneert. Is daarmee bedoeld: de pastor moet luisteren? Maar wat betekent dit naar het pastoraat toe? Of is luisteren en vragen een vorm van hermeneutisch pastoraat?

In bepaald opzicht de moeite waard, maar voor wat wij onder pastoraat verstaan niet bevredigend.

Coert H. Lindijer, Leven en Dood, zaak van het pastoraat.

Uitg. Meinema - Den Haag 1989. 218 blz., f. 32, 50.

De auteur is luthers hoogleraar geweest aan de universiteit van Amsterdam. Hij publiceert veel, ook in de jaren na zijn emeritaat. Het is altijd de moeite waard om zijn geschriften te lezen. Dit boek behandelt aspecten van het thema in de titel aangegeven. Vooral komen aan de orde: Het belaagde leven; Nee tegen het leven (euthanasie, zelfdoding, abortus); Leven en dood wereldwijs (thema’s van het conciliair proces). Er is ook een hoofdstuk met bespreking van Albert Schweitzer, Carl Rogers, Dietrich Bonhoeffer.

Het boek biedt eigenlijk nog meer dan de titel belooft. Vanuit dit thema wordt het pastoraat behandeld. Zo is er eigenlijk een wisselwerking tussen het a.b.c. van het pastoraat en pastoraal omgaan met het thema leven en dood. Dat gebeurt op pastorale en intelligente wijze, met kennis van de zaken die aan de orde zijn!

Er is uit dit boek, dat compact geschreven en gedrukt is, veel te leren. Wij zouden de plaats van het Woord van God allesbeslissend willen doen zijn! Nu moet dat Woord zijn plaats delen met onze ervaringen. Overigens bedoelen we met deze laatste zin niet, dat onze ervaringen in het pastoraat niet aan de orde moeten komen. Dat het hier gebeurt, achten we juist. Het gaat erom hoe dat gebeurt. Hierin verschillen we met de schrijver van mening.

Bernard Rootmensen, 40 Woorden in de Woestijn.

Uitg. Meinema - Den Haag 1988. 207 blz., f. 25,00.

De schrijver is studentenpredikant in Amsterdam. Hij schreef dit boek tijdens een studieverlof na een reis naar Amerika. Zijn intentie is het christelijk geloof tot leven te brengen in de crisis van kerk, geloof en cultuur. Hij doet dat door veertig begrippen, verdeeld over vier hoofddelen, te behandelen. Elke paragraaf wordt met een vraag (die uit meer zinnen bestaat) afgesloten. Er vindt een peiling plaats van de nood, soms verrassend en ontdekkend diep. De therapie wordt gezocht in een vernieuwing die het geloof doet aansluiten bij inzichten en ervaringen van de hedendaagse mens! De vraag is, bestaat de crisis niet juist in datgene wat als therapie wordt aangeprezen, namelijk in de aanpassing van het geloof bij het levensklimaat van vandaag?

Dat zou betekenen, dat de crisis door dit boek niet wordt opgelost. Ze wordt er alleen door bevestigd, alle goede bedoelingen ten spijt.

Drs. H.J. Boiten e.a., Bijbelstudie in de gemeente.

Uitg. De Vuurbaak - Barneveld 1989. 134 blz.

Het verschijnsel van de bijbelstudiekringen of -groepen neemt in de (vrijgemaakt) Gereformeerde Kerken toe. Tot een zeker verdriet van de officiële bonden van mannenen vrouwenverenigingen, vaak ook van de kerkeraden.

Het gereformeerd sociaal en economisch verbond heeft een uitvoerig onderzoek laten instellen naar het reilen en zeilen van deze groepen, en naar reacties van leden van mannen- en vrouwenverenigingen daarop. Op de beredeneerde uitslag volgen enkele artikelen, o.a. van voorzitter en presidente van mannen- en vrouwenbond. Zij willen alles doen wat mogelijk is om de (gemengde) bijbelstudiegroepen binnen hun bond te krijgen, ook al kennen zij tot heden geen gemengde verenigingen. Prof. Trimp dringt aan op wederzijds begrip en samenwerking. Mevr. Van der Stoep stelt voor in plaats van bijbelhoofdstukken een jaarthema te kiezen, dat in het licht van bijbelgedeelten wordt besproken. De heer Bos geeft aanwijzingen voor het samen praten over de Bijbel. Het zijn meer gesprekstechnische aanwijzingen (vooral voor de gespreksleiders) dan inhoudelijke. Drs. P. Houtman werpt een blik op het verleden en trekt lijnen uit de historie door naar vandaag.

Een bundel die zich met een vraagstuk bezighoudt, dat ook in onze kerken wel besproken zou mogen worden. Mij lijkt het in elk geval noodzakelijk dat ook bijbelstudiegroepen hun activiteiten bij de kerkeraad melden. Soms is er plaats voor verschillende kringen (officiële verenigingen in kringen). Overleg en samenwerking lijkt mij goed, zelfs geboden. Bestudering van dit boek kan een weg doen zoeken, en naar we hopen, ook doen vinden.

Sjalom. Handreiking - bijbels theologische - bij het conciliair proces. Uitg. Boekencentrum - Den Haag, Kerk en Wereld - Driebergen. 232 blz., f. 24,90.

Dit is een boek van twee Duitse theologen, die zich met de thema’s van het conciliair proces intensief bezig houden. Ook vroegere publikaties leggen van die belangstelling getuigenis af. Er wordt een indrukwekkende hoeveelheid feiten over de verwoesting van het milieu en de verspilling van energie op tafel gelegd. Ontstellend! Alleen al daarom is dit boek de moeite van het bestuderen waard.

Het gaat volgens de schrijvers in dit alles om het belijden van de kerk. Wel moet gezegd worden dat dit belijden meer accent ontvangt dan het belijden van Christus tot verlossing van onze zonden. Het lijden van God in en met de schepping ontvangt meer aandacht dan Christus’ plaatsbekledend lijden.

Er worden over gerechtigheid en vrede veel bijbelplaatsen en bijbelse noties aange-reikt. Echter steeds weer eenzijdig toegespitst. Wij moeten erkennen dat deze teksten bij ons niet altijd beluisterd worden. Er zijn punten die om tegenspraak vragen. Is arm zijn een grond om begenadigd te worden? Is Romeinen 9-11 de plaats die be-doelt het vraagstuk van sociale gerechtigheid aan de orde te stellen? Is de these dat het calvinisme de oorzaak van het kapitalisme is (althans de historische verklaringsfactor) niet reeds lang op goede gronden weerlegd?

Toch stelt dit boek ons voor vragen die we niet mogen laten liggen. Het stimuleert de beantwoording van die vragen.

J.H. Bavinck, Religieus besef en christelijk geloof, uitgebreid met „Algemene openbaring in de niet-christelijke religies” (vertaald uit het Engels door R. van Woudenberg), met een Woord vooraf door dr. J. Verkuyl.

Uitg. Kok - Kampen 1989. 217 blz., f. 34,00.

Een herdruk van een boek dat voor mij „klassiek” is. Een analyse van allerlei godsdienstige verschijnselen, lezingen en ervaringen, in het licht van wat Paulus schrijft in Romeinen 1: 18-32. Er is eigenlijk niet te spreken over waarheidselementen in andere religies, want structuren en samenhang binnen die godsdiensten is totaal verschillend van het christelijk geloof. Men zou wensen dat er op dit moment aan Bavincks universiteit, de V.U., nog zo duidelijk gesproken werd. Duidelijkheid doet aan bewogenheid bij Bavinck niets af. Ze versterken elkaar! Prof. Verkuyl schetst met sympathie Bavincks levensgang en werk! Dat hij woorden als heiden en heidendom „om allerlei begrijpelijke redenen” (XVI) vermijdt, wijst op het verschil dat er tussen Verkuyl en Bavinck is. Onder Verkuyls opvolger is er een kloof ontstaan! Dankbaar ben ik dat dit boek weer verkrijgbaar is. Dat het gelezen en bestudeerd worde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.