+ Meer informatie

De kerkelijke appelprocedure (4)

8 minuten leestijd

Zoals we hebben gezien, moet een appelschrift aan nogal wat vereisten voldoen om ontvankelijk te zijn. Als er (eventueel na aanpassingen) een ontvankelijk appelschrift ligt, moet de kerkelijke vergadering aan de slag. In dit artikel ga ik in op de vraag wat er dan van de kerkelijke vergadering wordt verwacht. Ik zal dat doen door de toepasselijke bepalingen uit de appelregeling te bespreken. Wellicht dat het artikel gemakkelijker te volgen is wanneer de lezer de tekst van het appelreglement bij de hand heeft, zodat de verwijzingen naar dat reglement ook kunnen worden gevolgd.

Ik ga er in dit artikel (gemakshalve) vanuit dat die kerkelijke vergadering de classis is en dat het appel zich dus richt tegen een besluit van een kerkenraad. Maar wat voor de behandeling van het appel door een classis geldt, geldt in beginsel ook voor de behandeling van een appel door de PS en de GS.

Voorbereiding

Artikel 6 van het appelreglement bevat drie regels voor de voorbereiding van het appel. De eerste regel betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid en is besproken in het vorige artikel.

De tweede regel is neergelegd in artikel 6.2 van het reglement en houdt in dat de kerkelijke vergadering ter voorbereiding op het appel een commissie kan instellen. Zoals we in het eerste artikel zagen, is het uitgangspunt dat het beslissen over kerkelijke appelzaken een ambtelijke verantwoordelijkheid is, die is neergelegd bij de kerkelijke vergaderingen. Dat betekent niet dat het gehele besluitvormingstraject zich op een kerkelijke vergadering zou moeten afspelen. De kerkelijke vergadering kan de voorbereiding van de beslissing op het appel delegeren aan een commissie. Die commissie wordt door de vergadering benoemd en bestaat uit minstens drie leden, waarvan het merendeel is afgevaardigd naar de vergadering (zie artikel 1.7). Er kunnen dus ‘buitenstaanders’ in de commissie worden benoemd, maar die buitenstaanders mogen niet de meerderheid vormen van de commissie. Door deze bepaling wordt de ambtelijke inbedding van de beslissing op het appel gewaarborgd.

De derde regel vinden we in artikel 6.3. Die regel is betrekkelijk nieuw en houdt in dat de kerkelijke vergadering de verweerder (dat is de kerkenraad die het besluit heeft genomen waartegen appel is ingesteld) kan verzoeken een verweerschrift in te dienen. In dat verweerschrift reageert de kerkenraad op het appel. Op die manier beschikt de kerkelijke vergadering aan het begin van de appelprocedure over de (schriftelijk vastgelegde) standpunten van beide bij het appel betrokken partijen. Dat is niet alleen praktisch - als het goed is wordt duidelijk waar het nu eigenlijk over gaat, waar het probleem zit -, maar komt ook tegemoet aan het beginsel van hoor en wederhoor, een beginsel dat, zoals we in eerdere artikelen zagen, een belangrijk beginsel is in de appelprocedure.

Ik heb de indruk dat er nog weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om verweerder te vragen een verweerschrift te schrijven. Het verdient aanbeveling dat standaard wel te doen, bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure, zodat de vergadering als de zaak voor de eerste keer dient een ontvankelijk appel en een verweerschrift heeft. Als die stukken er zijn, kan goed worden ingeschat hoe de zaak het beste kan worden behandeld.

Commissiewerk

In artikel 7 van het appelreglement is uitvoerig beschreven hoe de commissie haar werk kan doen. Uitgangspunt is dat de commissie alles doet wat nodig is ter voorbereiding op een adequate behandeling van het appel door de kerkelijke vergadering (artikel 7.1). De commissie heeft dus veel vrijheid.

Artikel 7 besteedt vooral veel aandacht aan het horen van partijen. De commissie bepaalt of zij partijen wil horen. De commissie is daartoe niet verplicht. In artikel 7.2 is vastgelegd dat de commissie appellant en verweerder “indien nodig” hoort. Naar mijn mening zou een commissie het horen van partijen niet te gemakkelijk achterwege moeten laten. Een gesprek met een appellant biedt een unieke mogelijkheid om na te gaan wat nu echt het probleem is, een eventueel onjuiste indruk van de appellant (“het zal wel een zeurpiet zijn”) te corrigeren, misverstanden uit de wereld te helpen en om relevante feiten te achterhalen. Het is mijn ervaring als rechter - en die ervaring deel ik met mijn collega’s - dat ik geregeld na een zitting heel anders tegen een zaak aankeek dan voor de zitting, toen ik alleen maar over het dossier beschikte. Een mondelinge behandeling draagt trouwens niet alleen bij aan een beter beeld van de zaak en daardoor aan goede beslissing, maar is voor de appellant zelf ook waardevol. Als een mondelinge behandeling goed is verlopen, heeft de appellant na de mondelinge behandeling het gevoel dat hij echt ‘gehoord’ is, dat hem ‘recht is gedaan’, ook als de beslissing negatief voor hem uitpakt.

Als partijen worden gehoord, geldt het volgende. Ze worden zo mogelijk in elkaars aanwezigheid gehoord. Van het horen wordt een verslag opgesteld, dat in concept naar beide partijen wordt gestuurd voor commentaar. De commissie verwerkt het commentaar als het terecht is in het definitieve verslag. Het commentaar van partijen wordt aan het definitieve verslag toegevoegd, zodat de kerkelijke vergadering daarvan kan kennisnemen (artikel 7.7). Appellant mag zich laten bijstaan door een woordvoerder.

Als de commissie appellant niet hoort, moet ze hem wel in de gelegenheid stellen schriftelijk te reageren op het verweerschrift.

Artikel 7.3 bevat een regeling voor de situatie dat de appellant aangeeft niet in staat te zijn gehoord te worden. Dan kan eenmalig uitstel worden verleend. Is de appellant dan nog niet hersteld, kan hij zich laten vertegenwoordigen, of kan hij schriftelijk reageren op het verweerschrift.

De artikelen 7.5 en 7.6 bevatten een regeling voor het horen van getuigen en het inschakelen van deskundigen.

Nadat de commissie partijen (en eventueel getuigen en/of deskundigen) heeft gehoord, stelt ze een rapport op van haar bevindingen. Dat rapport bevat allereerst een feitelijk deel. In dat deel geeft de commissie aan wat ze heeft gedaan en welke feiten zij heeft vastgesteld. Dat deel van het rapport stuurt de commissie in concept naar beide partijen. Die mogen daarop reageren. De commissie kan de reacties verwerken in het definitieve rapport. De reacties van partijen worden ook weer bij het rapport gevoegd. Het rapport bevat vervolgens een advies over de gegrondheid van het appel. In dat advies gaat de commissie in op het appel en geeft de commissie, zo gemotiveerd mogelijk, aan waarom het appel wel of niet gegrond is. Het is belangrijk dat de commissie probeert inhoudelijk in te gaan op de argumenten van de appellant. Er is niets zo frustrerend voor iemand die in appel gaat als een afwijzing van het appel zonder dat wordt aangegeven waarom het appel ongegrond is. Ten slotte bevat het advies, indien mogelijk, al een conceptbeslissing

Besluitvorming

Als de commissie haar werk goed heeft gedaan en bovendien partijen al heeft gehoord, kan de classis snel tot een besluit komen, althans wanneer de classis het besluit van de commissie overneemt. De classis kan in dat geval verwijzen naar het rapport van de commissie (artikel 8.8). Dat rapport - het gaat dan om het hele rapport - moet dan aan het besluit van de classis worden gehecht. Als de classis dat laatste niet wil - bijvoorbeeld omdat het rapport vertrouwelijke informatie bevat -, zal de classis zelf een besluit moeten formuleren. De classis kan voor de inhoud van dat besluit natuurlijk putten uit het rapport.

Als er geen commissie is ingesteld, moet de classis het werk van de commissie zelf doen. In dat geval hoort zij ook zelf beide partijen, als zij partijen wil horen (artikel 8.2 in combinatie met 7.2). Ook de classis kan getuigen horen en deskundigen benoemen (artikel 8.4). Als er wel een commissie is ingesteld, zullen appellant en verweerder niet aanwezig zijn bij de behandeling van het appel door de classis. Zij zullen in de meeste gevallen immers al door de commissie zijn gehoord.

Belangrijk is dat de afgevaardigden van verweerder niet aanwezig zijn bij de beraadslagingen over het besluit (artikel 8.3). Zij moeten de zaal waar de classis vergadert dus verlaten. Aan hen mogen ook geen verhelderingsvragen worden gesteld, zoals (in elk geval tot voor kort) gebruikelijk was. Het horen van maar een partij is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Dat geldt ook wanneer het vragen over de feiten betreft. Het is goed mogelijk dat partijen daar nu juist over verschillen en dan wordt de partij die als enige over de feiten wordt gehoord op voorsprong gezet. Bovendien tast het de onafhankelijkheidvan de vergadering die op het appelbesluit beslist aan wanneer die vergadering, buiten de andere partij om, aan een partij vragen stelt over het appel. Als de classis toch onbeantwoorde vragen heeft, dient zij beide partijen in de gelegenheid te stellen zich over die vragen uit te laten. Dat kan via de commissie gebeuren, als er een commissie is ingesteld. Eventueel kan alsnog een commissie worden benoemd.

Hoger beroep

Het besluit van de classis wordt naar beide partijen gestuurd. Die kunnen dan in beroep tegen het appelbesluit. Artikel 9 regelt dat ‘hoger beroep’. In artikel 9.3 is neergelegd dat de procedure in hoger beroep grotendeels verloopt als een gewone appelprocedure. Ik kan daar dan ook kort over zijn. Ik volsta met de opmerking dat de partijen bij het eerste appel - in veel gevallen kerkenraad en gemeentelid - ook in hoger beroep partij blijven. Dat betekent dat de kerkelijke vergadering die over het hoger beroep oordeelt tegenover die beide partijen hoor en wederhoor moet toepassen. Om dat concreet te maken: als een gemeentelid in appel komt tegeneen besluit van de kerkenraad, bij de classis ongelijk krijgt en naar de PS gaat, is ook de kerkenraad partij in de procedure bij de PS. De PS moet de kerkenraad ook in de gelegenheid stellen een verweerschrift in te dienen (artikel 9.4). Andersom - het gemeentelid krijgt gelijk en de kerkenraad gaat in beroep bij de PS - geldt hetzelfde: het gemeentelid is ook partij bij de PS en krijgt gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Ten slotte

In het volgende, en laatste, artikel zal ik ingaan op de eisen waaraan een appelbesluit inhoudelijk moet voldoen (wanneer is een appel nu wel of niet gegrond en wie moet wat bewijzen) en zal ik een voorzet doen voor een eenvoudig model.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.