+ Meer informatie

Het grote goed.

3 minuten leestijd

O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen. • Psalm 31 : 20a.

De dichter van de Psalm, David, de man naar Gods hart en de lieflijke in Psalmen, kon het maar niet afmeten, de grootheid van het goed des Heeren in Christus. Daarom roept hij in heilige verwondering uit: O, hoe groot is Uw goed. En dit is de zielservaring van elk*van Gods kinderen als zij een indruk daarvan in het hart mogen ontvangen. De weg des Heeren met Zijn knecht, zo blijkt uit deze Psalm, was een weg door de diepte heen. Men denkt aan de vervolging, die hij lijden moest onder Saul in 1 Samuël 23—26. En die gang, de diepte in, was een oefenschool voor hem. Daar had hij geklaagd: 'k Ben afgesneên van voor Uw ogen; Dan nog woudt G' U ontfermen, Toen Gij mij hoordet kermen.

Daar echter, kwam ook de Heere tot Zijn ziel spreken en Zijn gunstrijke ontferming lieflijk doen ervaren. En nu, nu zijn oog de Heere in Zijn gunst mag aanschouwen, is hij als het ware al gered vóór hij nog uit zijn uitwendige benarde omstandigheden verlost is. Ja, gewisselijk, de engel des Heeren legert zich rondom degenen, die de Heere vrezen en rukt ze uit. Zo gaat het immers al Gods volk. O, als zij verwaardigd worden in al hun omstandigheden met het . oog des geloofs de Heere te mogen zien, dan vinden ze de ware rust alleen in Hem. Dan mogen ook zij wel uitroepen met de dichter: O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen.

Hoe groot is Uw goed. Dat spreekt van Gods goed. Het is Zijn eigendom. Zeker de ganse wereld is des Heeren, met al wat er op is. Maar hier gaat het over een bijzonder goed Gods. Dat is het geestelijk goed, dat alle weldaden van heil en zaligheid in zich bevat voor al Gods uitverkoren gunstgenoten. Het is het door Christus' lijden en sterven verworven goed der zaligheid, waarvan de Zijnen in Zijn dierbare gemeenschap aan deze zijde des grafs reeds iets krijgen te proeven en te smaken. Dat goed nu is een onvergankelijk en een duurzaam goed. Alles wat uit stof is neemt een end ; door de tijd, die alles schendt. Dat goed echter staat daar ver boven verheven. Het is eeuwigheidsgoed. Het is ook een. zo gans ander goed dan het schijngoed dezer wereld. Arme mens toch, die zijn goed slechts in de dingen dezer aarde zoekt.

Dat goed is verder een door de Heere weggelegd goed. O, de Heere heeft het reeds uitgedacht in de stille eeuwigheid. Hij heeft het als een kostbare schat weggelegd, opgeborgen in Zijn eeuwige Raad, in de borgtocht van Zijn Zoon, in al de beloften in Christus voor de Zijnen, in de hemel, en daar is het geschonken aan en verzegeld in handen van de verheerlijkte Immanuël, hun Hoofd, Wiens mede-erfgenamen zij zijn van dit dierbare goed der hemelse erfenis.

Dat goed nu is weggelegd voor hen, die de Heere vrezen. Dat is dat door de zaligmakende bediening des Heiligen Geestes aan zichzelf ontdekte, in zich zelf arm en ledig gemaakte volk. Hier geldt zo: Nieten en nullen, wil God vervullen met het goed Zijner genade. Dat zijn zij in wier hart de Heere de vreze Zijns naams heeft gelegÖ. Die vreze des Heeren, het beginsel der wijsheid, doet de Heere aankleven in de Heere Jezus als het hoogste God, uit Wien alle goed toevloeit. Hier geldt zo, evenals bij David voor al, Gods volk:

Het Goddorstig volk Wordt in die diepe kolk Eerst recht tevreên.

(Overgenomen uit de, Kerkbode van de Geref. Gem. te Gouda).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.