+ Meer informatie

GODS GEEST MAAKT ALLES NIEUW

12 minuten leestijd

Vernieuwing!

Waar de Heilige Geest wordt uitgezonden daar worden de dingen nieuw. In Psalm 104 staat dat Gods Geest het gelaat van de aardbodem vernieuwt. We proberen ons voor te stellen, dat het zo ook in de schepping is gegaan. De Geest van de drie-enige God, de ‘Geest des levens’ maakte dat overal leven en glans, warmte en licht kwam. Met nog zoveel woorden meer, die staan voor heerlijkheid en heil, voor leven en liefde, kun je de Geest van God verbinden.

Niet alleen vanuit de schepping is dat zo. Op indringende manier geldt dat ook in Gods verlossingswerk. Immers, door de hele bijbel heen is niet minder de tegenbeweging van de zonde zichtbaar. Tussen God en ons is een diepe kloof gekomen. In plaats van met de gloed van het leven is de schepping vervuld geraakt van de dreiging en de druk van de dood. De mens is aan de dood vervallen en heeft de schepping daarin meegesleurd.

Wat een perspectief zit er juist dan in nieuwtestamentische woorden die over de Heilige Geest spreken in verband met nieuw leven, een nieuwe schepping! Daar komt het op aan: of men een nieuwe schepping is (Gal. 6:15), dat men leert dienen in de nieuwe staat des Geestes (Rom. 7:6), dat we uit de Geest eeuwig leven oogsten (Gal. 6:8), in nieuwheid des levens wandelen (Rom. 6:4), naar de wet van de Geest van het leven (Rom. 8:2). Dat brengt een nieuwe gezindheid mee, de gezindheid van de Geest die leven en vrede is (Rom. 8:6).

Het nieuwe, en het leven, blijken zowel in de schepping als in de verlossing voortdurend verbonden te zijn met het werk van de Heilige Geest.

Rivaliteit tussen Christus en de Geest?

Door de eeuwen heen is er bijzondere aantrekkingskracht uitgegaan van dat ‘nieuwe’ van de Heilige Geest. Op diverse momenten heeft men gemeend met de Heilige Geest verder te komen dan met Jezus Christus. Ook in onze tijd gaat van het spreken over de Heilige Geest soms die suggestie uit. Kan het misschien waar zijn dat de boodschap van de kerk zich teveel heeft geconcentreerd op de Here Jezus, en dat we aan de mogelijkheden van de Heilige Geest te weinig aandacht hebben besteed? Vooral de bijbelse notie van de gaven van de Geest, de charismata, wordt wel als een in de kerk verwaarloosd gebied gezien.

Op de achtergrond speelt dan in elk geval de vraag of het waar is dat de Heilige Geest ons op een ander geestelijk niveau kan brengen dan waar we zijn door het geloof in Christus Jezus. Christenen die zich sterk bezig houden met de bijzondere gaven van de Geest zeggen dat soms, of suggereren dat, door het werk van de Heilige Geest te bespreken zonder dat het over Jezus gaat.

Een paar bijbelse signalen mogen ons helpen de verbanden goed te zien. De brieven van Paulus aan de gemeente van Korinte kunnen daarbij een goede hulp zijn. Er waren in die gemeente een paar problemen, die je kunt samenvatten onder het thema ‘rivaliteit’. Bekend is de (dreigende) partijvorming: ‘Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus’ (1 Kor. 1:12). Ook de in de gemeente gerezen vragen over de gaven van de Geest hebben met rivaliteit van doen. Paulus gaat er in de hoofdstukken 12-14 van de 1e brief aan de Korintiërs op in. De manier waarop hij de verscheidenheid van gaven en de eenheid van de Geest benadrukt, houdt een vermaning in naar gemeenteleden die zich met hun bepaalde gave - namelijk de tongentaai of glossolalie - belangrijker vonden dan degenen die andere gaven hadden. Als Paulus in hoofdstuk 12 een aantal gaven op een rijtje zet, staat daarom de tongentaai opvallend onderaan (1 Kor. 12:10, 30).

Maar helemaal wanneer men zou denken dat er een soort rivaliteit tussen Christus en de Heilige Geest kan bestaan, raakt men van het bijbelse spoor af.

We moeten grondig beseffen, dat ons in en met Christus alle rijkdom geschonken is die maar te bedenken is. ‘In elk opzicht zijt gij rijk geworden in Hem (…) zodat gij ten aanzien van geen enkele genadegave tekort komt, terwijl gij uitziet naar de openbaring van onze Here Jezus Christus’ (zie 1 Kor. 1:4-9). Paulus heeft het dan nog niet over de Heilige Geest, maar wel over de volheid die het deel is van de gemeente. De dwaasheid van de prediking van de Gekruisigde staat tegenover de wens van de Joden die tekenen willen, en van de heidenen die wijsheid zoeken (zie 1 Kor. 1:22-25). De verzoeking van zulke verlangens is ook in onze tijd nog best herkenbaar. Tekenen en wonderen spreken maar al te vaak méér tot de verbeelding dan het geloof in Christus doet. En wanneer tekenen en wonderen dan met de Heilige Geest worden geassocieerd en bij Christus ‘alleen maar’ sprake kan zijn van geloof, dan is de tegenstelling tussen Christus en de Geest levensgroot aanwezig.

Het is niet denkbeeldig dat op deze manier de aandacht voor de Heilige Geest en zijn werk vooral gericht is op de mogelijkheden die voor een geestelijk mens bereikbaar zijn. Er komt dan een element in van een ‘hogere’ en ‘meerdere’ geestelijke ervaring, die de betekenis van het leven met Christus in de schaduw stelt. In 2 Korintiërs 11 tekent Paulus hoe zulke geestelijke ‘avonturiers’ kunnen uitkomen bij een andere Jezus, en een andere geest, en een ander evangelie (2 Kor. 11:4), terwijl het pastorale doel van de apostel was om de gemeente ‘als een reine maagd voor Christus te stellen’ (2 Kor. 11:2), in een ‘eenvoudige en loutere toewijding aan Christus’ (2 Kor. 11:3). Op zoveel plaatsen meer wordt duidelijk dat de Heilige Geest nooit tot verwaarlozing van de betekenis van de Here Jezus leidt. Als Jezus de Trooster belooft, zegt Hij, dat de Geest der waarheid Hem zal verheerlijken, ‘want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh. 15:14; vgl. 14:25-26). Over dat heil in Christus gaat het ook als Paulus de Korintiërs zegt: ‘Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten wat ons door God in genade geschonken is.’ (1 Kor. 2:12).

Aandacht voor de Heilige Geest zal altijd leiden tot aandacht voor Christus. ‘Meer ruimte voor de Geest’ zoals wel is bepleit, zal legitiem kunnen zijn. Er kan een tekort aan inzicht zijn in het werk van de Geest van God. Maar als er een zekere zelfstandigheid van de Geest ten opzichte van Christus mee bedoeld is, dan wordt het vast een dwaalspoor.

Een klein stukje geschiedenis

Voor bovenstaand waarschuwingssignaal zijn ook historische gronden. Fascinatie voor het ‘hogere’ van de Geest heeft al in de tweede eeuw van onze jaartelling geleid tot de beweging van de montanisten. Montanus, in Frygië in Klein-Azië, leerde dat met Christus nog niet de volheid van het charisma van de profetie was gekomen. Dat was pas met hemzelf, en zijn twee priesteressen, Maximilla en Priscilla. Zij ontvingen immers rechtstreekse ingevingen van de Heilige Geest, in een grotere volkomenheid dan de apostelen hadden ontvangen. Er waren drie openbaringsstadia: de wet (het Oude Testament), het evangelie (het Nieuwe Testament) en de nieuwe profetie. Daarmee was pas echt het tijdperk van de Heilige Geest aangebroken! Het tijdperk van Christus was daarmee verouderd.

Scherp zie je daar gebeuren, dat door de geest van die beweging niet Christus wordt verheerlijkt, maar de ultieme waarheid zoals die met Montanus was gekomen. Hij en zijn profetessen werden de maatstaf van het geloof.

In de middeleeuwen heb je nog de beweging van de monnik Joachim van Fiore gehad, voor wie het Oude Testament vooral het tijdperk van de Vader was, het Nieuwe Testament dat van de Zoon, terwijl de tijd na Opstanding en Pinksteren vooral het tijdperk is van de Heilige Geest. Theologen uit de pinksterbeweging en de charismatische vernieuwing in de kerken hebben in de twintigste eeuw sympathie voor deze gedachten uitgesproken. Zo is er ruimte voor een verdere openbaring van de Heilige Geest door alle eeuwen heen. Die openbaring kan dus principieel uitgaan boven de Heilige Schrift, en heeft zich vooral geconcentreerd op de genadegaven zoals die nu voor mensen beschikbaar zijn.

De grote variatie van leraars binnen deze bewegingen laat bij sommigen een grote aandacht voor de Here Jezus zien, maar bij anderen een overtuiging die ook helemaal buiten Christus om het voorkomen van wonderlijke verschijnselen in heidense godsdiensten aan de Heilige Geest toeschrijft.

Het is niet zo moeilijk om een dergelijke gedachte als ernstige naïviteit aan de kaak te stellen. In 1 Korintiërs 12:1-3 heeft Paulus er al op gewezen dat de primaire herkenning van de Heilige Geest gelegen is in de belijdenis dat Jezus de Here is. En dat iemand die Jezus vervloekt niet door de Heilige Geest spreekt. In 1 Johannes 4:3 staat het nog scherper, namelijk dat iedere geest die Jezus niet belijdt niet uit God is. Vandaar de opdracht - gegeven door de Heilige Geest! - om de geesten te beproeven. Opnieuw gáát het daarbij om Christus!

Het eigen werk van de Heilige Geest

Hoewel we voortdurend mogen bedenken hoe intens God de Heilige Geest verbonden is met God de Vader en met de Zoon, mogen we zeker aandacht vragen voor het eigen werk van de Heilige Geest.

Niet voor niets heeft de Here Jezus de Heilige Geest beloofd! Niet voor niets is de Geest van God uitgestort op het Pinksterfeest. Er is wel degelijk een nieuwe periode aangebroken! Niet een periode waarmee we de Vader en de Zoon achter ons mogen laten. Integendeel, juist op Pinksteren wordt duidelijk hoe nabij God ons gekomen is. Wat de Vader heeft beloofd en schenkt, wat de Zoon heeft verworven, dat wordt door de Heilige Geest in vervulling gebracht. Wat dan wel? Dat God de kloof die de zonde heeft geslagen, ten volle heeft overbrugd. In Christus heeft God ons bezocht. Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Hij is de Immanuël - God met ons. In de Heilige Geest maakt God nu de werkelijkheid van het nieuwe leven vast tot in de harten van mensen. De brug van God is nu geslagen tot binnen in de mens. Nu gaan de beloften van het Oude Testament in vervulling, dat God zijn wet in het binnenste van zijn volk zal leggen, en die in hun hart schrijven (Jer. 31:33), en dat God een nieuw hart in het binnenste van zijn volk geeft en een nieuwe geest; het hart van steen zal Hij uit hun binnenste verwijderen en ze een hart van vlees geven. Zijn Geest in hun binnenste! (Ez. 36:26-27)

Hoe wordt het zichtbaar vanaf de pinksterdag! Mensen komen tot geloof in de Here Jezus. Ze horen de boodschap van bekering en doop en van vergeving van zonden. En dat in een maat die alle grenzen doorbreekt. De Heilige Geest blijkt de deuren naar de volken wijd open te zetten. In alle talen worden nu de grote daden Gods gesproken, en niet alleen meer in de taal van het oude volk (Hand. 2!). Paulus schrijft aan de Efeziërs van dat geheimenis dat de Heilige Geest heeft geopenbaard wat voorheen verborgen was, dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden, en medegenoten van de belofte in Christus Jezus (Ef. 3:5-6). Zo is het wonder van de gemeente tot stand gekomen, als een eenheid van Joden en heidenen in die ene naam van Jezus Christus. De diepte van die eenheid is waarachtig, doordat de Geest van God Zelf de gemeente tot zijn woonplaats heeft gemaakt. Zo heet de gemeente dan ook ‘de woonstede Gods in de Geest’ (Ef. 2:22). En zo heet de gemeente een tempel van de levende God (Ef. 2:21; 1 Kor 3:16; 2 Kor. 6:16).

Die nieuwe werkelijkheid van de Geest is ook een persoonlijke werkelijkheid voor allen die door een levend geloof aan Christus verbonden zijn. Dat geloof is aan de Heilige Geest te danken, die harten opent, zoals bij Lydia (Hand. 16:14), die zondaren ook persoonlijk tot zijn tempel maakt (1 Kor. 6:19). Dat is de werkelijkheid van de verzegeling met de Heilige Geest. De Geest Zelf is het zegel, ook wel: het onderpand van Gods persoonlijke aanwezigheid in een mens (Ef.1:13; 2 Kor. 1:22).

De gelovigen zijn heilig, juist doordat Gods Geest in hun leven, in hun lichaam woont. Ze zijn andere mensen geworden. Niet in die zin dat ze zonder zonde zijn, maar wel in die zin, dat ze weten van de nieuwe mens, van het vernieuwd worden naar het beeld van Christus, van de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. De brieven van Paulus zeggen het op allerlei manieren.

Nee - het werk van de heilige Geest betekent inderdaad niet, dat er geen zonde meer in een christen is. Eerder dat hij de zonde des te scherper gaat zien. Dat er onderscheid komt tussen de werken van het vlees en de vrucht van de Geest (Gal. 5:19-22). De zonde gaat des te meer pijn doen, omdat de zonde juist tegen die God ingaat, die ons in Christus, en ook heel persoonlijk in de Heilige Geest zo heel nabij gekomen is. Dan wordt begrepen dat zondigen is: het ‘bedroeven van de Heilige Geest door wie gij verzegeld zijn tegen de dag der verlossing’ (Ef. 4:30).

Inderdaad - de Heilige Geest maakt mensen, zondaren nieuw. Hij doet ze Christus als hun Borg kennen en liefhebben. Hij leert ze ook zijn werk lief te hebben - om hoe langer hoe meer er te zijn voor de Here. Een levende tempel. Vruchtbaar door genade, dienstbaar door de gaven die Hij geeft. Daar kun je zelf nooit groot mee worden. Daar wordt alleen de Here groot mee.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.