+ Meer informatie

Onvergelijkelijk

2 minuten leestijd

„Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen". Job 23:3

De reden waarom Job de naam van God niet noemt, doch die uitdrukt met het woord "Hem" is ten eerste omdat hij veronderstelde, dat allen wel wisten dat behalve God niemand of niets waardig was zo ernstig gezocht te worden. En ten tweede omdat hij met zulk een diep ontzag vervuld was en onder zulke hoge bevattingen van God verkeerde, dat hij Hem niet kon uitdrukken.

Het is alsof hij wilde zeggen: „Hij is de Onvergelijkelijke; niet dat Hij geen Naam heeft, doch die is niet in woorden te brengen". Het grote doel dat hij beoogde met de indiening van zijn bede is, dat hij tot Zijn stoel, of zoals het ook gelezen kan worden, tot Zijn daartoe bereide troon zou komen. Het is alsof hij zeide: „Met de opzending van mijn smeekbede beoog ik dat liefelijk doeleinde, dat ik moge komen daar Hij is en dat ik een dierbare zielverkwikkende blijdschap geniet, en gemeenschap met Hem bekomen mag".

Die afstand en die verlating van God is een zaak die de heiligen niet vreemd is. Dit zeggen toch: „Och, of ik wist dat ik Hem vinden zou" geeft te kennen, dat hij God verloren had en verre van Hem was.

Ik zal mij niet ophouden om te bewijzen dat de gesteldheid van de meeste belijders het bewijst. Het staat op de voorhoofden van de meesten onzer geschreven: „Christus is weggegaan en zal nooit weer terugkomen".

Andrew Gray (Uit: Elf predikaties op Avondmaalstijden)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.