+ Meer informatie

Van het Zendingsveld

5 minuten leestijd

(38.)

J. T. v. d. Kemp. Ongeloof en twijfel.

't Was een wonderlijk geneesheer, Dr Van der Kemp, in de Zeeuwse hoofdstad. Hij wenste nooit meer dan twaalf patiënten te hebben, opdat Hij gelegenheid zou hebben de ziekteverschijnselen goed te bestuderen. Hij moest voor zichzelf goed weten waarom hij dit of dat medicijn toepaste. Er moest logisch inzicht zijn. Van de vaccinatie wou hij niets weten, niet op principiële gronden, maar omdat hij er niet precies kon achter komen hoe de koepokstof werkte.

In de tijd van Van der Kemps verblijf te Middelburg woedden de partijtwisten overal in ons land. We weten hoe scherp de tegenstellingen waren tussen de Patriotten en de Prinsgezinden. Nu en dan waren er heftige botsingen, totdat eenmaal stadhouder Willem V de wijk moest nemen naar Engeland, om nooit zijn vaderland meer te zien.

Op een zomeravond in het jaar 1787 liep Dr Van der Kemp door Middelburgs straten en zag, dat een Patriot door een troep Prinsgezinden zou worden aangevallen. Nu stond Van der Kemp heus niet aan de zijde van de Patriotten, maar hij kon het toch niet uitstaan, dat op zo'n manier werd opgetreden. Hij verzocht de Oranjeklanten om de Patriot met rust te laten.

Een groot geschreeuw was het antwoord. Wat moest die dokter zich met hun zaken bemoeien ? Was hij soms ook een Patriot? „Roep Oranje-boven!" schreeuwen ze hem toe, en meteen wordt zijn hoed hem van het hoofd geslagen. In een oogwenk prijkt er een groot oranjelint aan het hoofddeksel, waarna Van der Kemp zijn eigendom, nu mooi versierd, in ontvangst kan nemen. Heel kalm neemt de geneesheer zijn hoed aan, trekt het lint er af en geeft het aan de mannen terug.

„Ik ben een Oranjeman, " spreekt hij met vaste stem, „maar 't is geen eer voor de Prins om iemand te dwingen oranje te dragen."

Nu valt het lint op de grond en ontstaat er een hevige worsteling. Met Van der Kemp moeten ze echter oppassen. Hij was officier geweest en kende de klappen van de zweep. Verscheidene mannen worden door hem op de grond geworpen.

Tenslotte zijn ze zo wijs om het vechten maar te staken. Van der Kemp nodigt een zestal uit om met hem in zijn huis te gaan om rustig met elkander te spreken.

Vanaf dit ogenblik wordt door de burgerlijke overheid de eis gesteld, dat de militairen een nieuwe eed van trouw moesten afleggen. Van der Kemp, die, behalve dokter, ook commandant was over een compagnie vrijwilligers, zou dus ook een nieuwe eed moeten doen. Daar zou de overheid echter lang op moeten wachten. Van der Kemp had eenmaal de eed gedaan. Als hij die opnieuw zou afleggen, zou dit een verdacht teken zijn. Dat was zijn eer te na. Hij nam ontslag als commandant, bleef ook niet langer meer in Middelburg, maar ging naar Zwijndrecht.

Tot nu toe was Van der Kemp nog steeds gevangen in de boeien van ongeloof en twijfel. Een eigenaardig man was hij. Hij was lid van de kerk en ging zelfs ten Avondmaal, maar helemaal niet op de rechte wijze. H\j gebruikte het Sacrament slechts om eerbied aan Jezus te betuigen. Jezus verzette zich tegen de godsdienstige meningen van het Joodse volk en zo verzette Van der Kemp zich innerlijk tegen de godsdienst der Christenen. Zo kwamen Christus' gevoelens overeen met die van Van der Kemp. Dat was de dwaze mening van de ongelovige en twijfelende geneesheer.

Deze opvattingen brachten de man in grote moeilijkheden. De vrouw van Van der Kemp was geen lidmate van de kerk, maar ze wenste dit, in Middelburg reeds, te worden. Haar man begon in Zeeland reeds haar voor te bereiden tot de aanneming. Op theologisch gebied was hij heus niet achter. Hij had gestudeerd aan de hogeschool. Zijn vader was predikant geweest. Helaas, wat hij wist van de geloofsleer, geloofde hij niet. Die leer was waardeloos voor hem, maar daarover durfde hij tegen zijn vrouw niet te reppen. Wat kennen we toch weinig de diepste roerselen in het hart van een ander! Wat vertonen velen aan de buitenkant zich anders dan ze van binnen zijn! De Heere alleen doorgrondt het hart.

In zijn dagboek schrijft Van der Kemp: „Ik vreesde met mijn twijfel in haar gemoed een zielverdervend ongeloof te planten." O, wat wist hij goed, wat ongeloof was. En hoe machteloos stond hij om dat ongeloof uit te bannen.

Een nieuwe moeilijkheid: zijn zestienjarige dochter zou worden aangenomen en de dominee liet haar door haar vader onderrichten. Hoe meer Van der Kemp zich nu verdiepte in de geloofsleer, hoe groter zijn ongeloof werd, zodat hij tenslotte niet anders meer kon denken, dan dat de Christelijke leer enkel bedrog was.

Toen 't zover was gekomen, meende hij dat het tijd werd om te bedanken als lid van de kerk. Maar wonderlijk: wanneer hij die stap wilde doen, dan klonk er een stem in zijn binnenste: „Staat uw mening zo vast? "

een stem in zijn binnenste: „Staat uw mening zo vast? " Nu werd het bidden en worstelen tegen de zonde. Het was of de Heere hem afvroeg: „Wanneer zult gij tot Mij komen? " De Heere begon in hem te werken. Souvereine weldaad van God. Het werk dat Hij begint, zal Hij zeker voleinden.

M. NIJSSE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.