+ Meer informatie

Het ontstaan van ons PSALMBOEK

4 minuten leestijd

III.

Hebben we vorige keer gezien, , hoe Calvijn aan de woorden voor zijn psalmboek kwam, thans zullen we zien, hoe hij aan de melodieën kwam.

Om geen half werk te doen, wendde Calvijn zich tot één der beste musici, die hij vinden kon, n.1. Bourgeois. De opdracht, die deze kreeg uit te voeren, was niet eenvoudig: hij moest melodieën maken voor de psalmen van Marot en Beza, ' melodieën, die goed in het gehoor lagen, melodieën, die de woorden weergaven en onderstreepten, melodieën, die zich leenden voor massazang, melodiën, die verheven en majestieus varen.

Om wijzen te krijgen, die goed in het gehoor lagen, had Calvijn een goed musicus nodig. Om wijzen te maken, die de woorden onderstreepten, dus zich volkomen bij de w T oorden aanpasten, deze in waarde verhoogden, had Calvijn een gelovig protestant nodig, want die alleen kon de waarde der verzen peilen. Aan beide eisen voldeed Bourgeois.

De eis van melodieën voor massazang in de kerk was geheel nieuw. De kerk kende dat niet. In deze opdracht moest Bourgeois zich even schikken. Hij voelde echter de wijze bedoeling van zijn pastor wondergoed aan, en hij schonk dan ook aan de kerk der reformatie een schat van de prachtigste melodieën.

Om wijzen te maken, geschikt voor massazang, volgde Bourgeois de gewoonte van zijn tijd door voor 't grootste gedeelte van zijn psalmwijzen bestaande, dus reeds bekende wijzen te gebruiken. Dat waren veelal wijzen bij een wereldlijke, ja vaak lichtzinnige tekst gebruikt. Zo kwam het bij dë meerstemmige muziek der oude roomse kerk voor, dat één der stemmen een geestelijke tekst te zingen had, b.v. een „incarnatus" of een „sanctus", terwijl dan tegelijkertijd door één der andere stemmen een bekend liedje gezongen werd, b.v. „Robin m'aime" (Robin heeft me lief) of: „Mon mari m'a diffamée" (mijn echtgenoot heeft me belasterd), hetgeen dan vaak door de gemeente meegezongen werd. Doordat deze wijzen eenmaal een zekere bekendheid gekregen hadden, gingen ze er straks bij het volk gemakkelijker in. Het moest immers massazang worden! Bourgeois heeft nu met kunstenaars-

hand die melodieën omgewerkt, waardoor ze waardige draagsters werden van tekstinhoud. Geen wereldlijke melodie is in het psalter binnengekomen, ze zijn omgewerkt, waardoor ze niet alleen vaak stalen va.n eenvoud, stoerheid en verhevenheid werden, maar ook zijn ze meerdere malen uitingen van waarachtige levensen geloofsvreugd (zie b.v. de wijzen van Ps. 47 en 99.) Als goed kunstenaar onderwierp Bourgeois zijn werk ook aan herzieningen. De zo mooie melodie van Ps. 51 is b.v. een tweede bewerking. Aanvankelijk, zong men deze psalm op een andere wijs.

Toch heeft Bourgeois alle psalmen geen wijs kunnen geven, want terwijl hij nog lang niet met zijn werk klaar was, begon hij met het schrijven van 4-stemmige zettingen. Daar was niets op tegen, maar hij wilde ze ook laten zingen in de dienst en dat wilde Calvijn onder geen enkele voorwaarde. In de Lutherse kerken had hij de eerste bedenkelijke symptonen van Koorzang in de kerk reeds waargenomen: Kunst om de kunst. Niet dat Calvijn tegen 4-stemmig zingen was, maar niet tijdens de godsdienstoefening. De gemeente immers kan niet 4-stemmig zingen, dus zou het moeten gebeuren door een kerkkoor. Dan zou echter de gemeente weer moeten zwijgen en werd de eenheid verbroken. Calvijn wilde immers juist, dat de kerk zong tegen elke prijs, 't Verschil van mening liep zo hoog, dat een botsing tussen beide mannen onvermijdelijk was. In 1557 verliet Bourgeois Genève, terwijl het begonnen werk niet klaar was.

Een waardig opvolger stond echter reeds klaar, om het over te nemen: Mattre Pierre, die aan de toonzetting der psalmen nu verder werkte. Maar ook hij kreeg het werk niet af. Bij zijn dood hadden 24 psalmen nog geen melodie. Deze 24 werden toen maar gezongen op reeds bestaande wijzen. Zo komt het dan ook, dat wij voor verschillende psalmen dezelfde melodie hebben, b.v. ps. 17 en 63, ps. 36 en 68, ps. 66, 98 en 118 enz.

Trekken we hier onze eerste conclusie:

Het psalmboek van Calvijn had zijn woorden van de dichters Marot en Beza (in het trans), en de wijzen zijn van de componisten Bourgeois en M a i t r e Pierre.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.