+ Meer informatie

Dr H. F. Kohlbrügge

5 minuten leestijd

(VIII.)

In de voortgaande heiligmaking van de wedergeboren mens (zie vorig artikel) dienen wij dus wel te letten op de werkzaamheid Gods; maar ook op de activiteit des mensen. Voegt men dit laatste er niet bij, dan is het in feite niet de wedergeboren mens, die werkt, maar God alleen en is de mens een stok en een blok en niet verantwoordelijk voor zijn daden!

Het is de aard van het nieuwe leven te werken; te werken het werk Gods, de werken des Geestes. Daartoe heeft God dat leven ook geschonken; daartoe herstelt Hij de uitverkorenen.

Anders komen wij met de Heilige Schrift in botsing, die in Efz. 2 : 10 zegt: ant wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus, tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden.

Vooral opmerkelijk is in dezen Fil. 2 : 12b en 13: erkt uws zelfs zaligheid uit met vi'eze en beven; want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Zijn er dus geen goede werken, dan moeten wij besluiten, dat zo iemand onwedergeboren, dood is, ergo geen zaligmakend geloof heeft.

God is dus ook in de voortgezette heiligmaking de eerste. Hij brengt het geschonken geloof tot daden des geloofs; maar nooit zonder de Heilige Schrift, bijzonder de Wet.

Nu wordt ons duidelijk, wat onze Canones leren in Hoofdstuk III en IV, daarvan XI en XII, verbonden met Verwerping der Dwalingen VI. Bijzonder dient hierin geaccentueerd het volgende. „En als dan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bew r ogen zijnde, werkt hij zelf ook."

Men ziet het: hier is dc mens geen stok en een blok, zoals Luther leerde.

Echter moet hier ter voorkoming van misverstand, ook op het volgende gelet. De Geest der heiligmaking is tevens de Geest der voortgaande ontdekking. Die beide gaan altijd samen. De laatste doet de smet der zonde zien en dit veroorzaakt in de godzalige schuldbesef. Zelfverfoeiing, zelfwalging en als vrucht een hartelijk leedwezen, ootmoedigheid, de noodzakelijkheid van de toepassing van het kruisoffer van Christus altijd weer, maar ook het hartelijk vragen: Och, dat mijne wegen gericht werden om Uwe inzettingen te bewaren. De valse heiligmaking kent dit niet, maar vervalt in eigen roem.

Wij vermelden dit alles om een betere kijk op de beschouwing van Kohlbrügge's heiligingslecr te krijgen. Want het is waarlijk niet gemakkelijk om er achter te komen, wat hij bedoelt.

Wat verstaat nu Kohlbrügge onder heiligmaking? De heiligmaking bestaat volgens hem in een overgezet worden in de stand, d.i. op het gebied der heiligheid, in het element der heerlijkheid Gods.

M.a.w. Christus heeft voor de uitverkoren zondaar gerechtigheid en heiligheid verworven welke weldaden hem worden geschonken en toegerekend.

Hier in de stand bleef Kohlbrügge feitelijk staan. Hij had er bij moeten voegen: „Die heiligheid wordt niet alleen toegerekend, maar ook innerlijk meegedeeld door de wederbarende en vernieuwende werking des Heiligen Geestes, totdat zij ten volle den beelde Zijns Zoons zullen gelijkvormig zijn."

Dat deed hij echter niet. Zo onderscheidde hij niet de verandering van staat in de rechtvaardiging en de verandering van toestand in de heiligmaking. Feitelijk waren zij voor hem één.

Wel sprak hij van een innerlijke heiliging. De Heilige Geest is het inklevende werk bij ons. Deze doet het bij ons, maar niet door ons. Niet het nieuwe leven in ons doet het; is dus een werkloos ding. Neen. maar de Heilige Geest noemt hij een springader des levenden waters, De mens is en blijft volgens Kohlbrügge een goddeloze. Feitelijk loochent hij daarmee het bestaan van een wedergeboren, een nieuwe mens. (H. C. 90).

Deze laatste leer noemde hij een leer uit de Antichrist, een Evangelie dat vervloekt is.

Kohlbrügge drukt zich zo uit: De liefde Gods „omgeeft en bedekt ons en houdt ons in zich besloten; en heeft ons alzo gezet in zich in heerlijkheid aan de rechterhand des Vaders. Zo zijn wij tegelijkertijd geheel vlees en geheel geest." Hij laat de christen spreken: „Ik lig, mijn lieve vrienden, kreupel en lam, dood en verrot, vraag naar zonden noch naar heiligheid, naar Wet noch Evangelie, naar hemel noch hel.

Ik kan geen vinger verroeren, geen veer van de mond blazen en daarom loop ik, sta ik, spring ik, dans ik, ben een almachtig man en al wie zou willen beschuldigen, moet de mond gestopt worden.

Wat is nu uit onszelven, wat uit Gods Geest of het geloof? Laat die vraag niet in uw hart opkomen, maar verwerp die deling. Een geheel, een mens. stof, aarde, asse en een God rijk in ontferming over die mens; bij die mens wonend en wandelend naar Zijn Woord; en die mens stierend, leidend en handelend in Zijn Waarheid; een mens, die de kracht heeft afgelegd en Gods macht erkent; een worm onder de bescherming des Allerhoogsten; een mens, een zondaar en niets anders of meer; bedekt met de genade Christi.

Zo is en blijft de gelovige niet alleen onbekwaam, om de Wet te houden, maar ook „onbevoegd." Hij heeft volstrekt geen vatbaai'heid voor Gods doen en wet en wil; wordt evenwel zo bekleed.met de Geest der genade, dat hij in gerechtigheid staat, in gerechtigheid wandelt en in de paden des rechts gehouden wordt."

Wie goed leest, bemerkt hoe Kohlbrügge het opvat: God alles en de mens niets. Namelijk, de mens een goddeloze blijvend, God alleen werkend. De menselijke factor ontbreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.