+ Meer informatie

Dreigend hartinfarct vroegtijdig lierkennen

Proefschrift door Rotterdamse huisartsen

4 minuten leestijd

Onlang^s promoveerden twee Rotterdamse hulsartsen tot doctor in de greneeskunde op één grezamenliDk onderzoek. Een dergrel^ke dubbelpromotio is een zeldzaam g'ebeuren in Nederland; voor de medische faculteit in Rotterdam in leder g^eval een primeur. De artsen E. van der Does, lector hulsartsengeneeskunde en J. Lubsen, epidemioloog^, beschreven hun bevindlng^en in één proefschrift.

Zij brengen hierin de resultaten bijeen van het zgn. IMIR-onderzoek. IMIR staat voor „Imminent Myocardial Infarction Rotterdam", dat wil zeggen „Dreigend hartinfarct Rotterdam". Deze naam werd gekozen omdat het doel van het onderzoek de opsporing was van mensen, die een grote kans hadden om op korte termijn een hartinfarct te krijgen. Een bijzonderheid van het onderzoek was de jarenlange samenwerking tussen een 16-tal huisartsen, het Rotterdams Universitair Huisartsen Instituut en het Thoraxcentrum. Ook de Harvard Universiteit in Boston, USA, was bij het onderzoek betrokken. Aanleiding tot het onderzoek, dat vier jaar heeft geduurd, was, aldus dr. Van der Does, „de onmacht om als huisarts de patiënt met een hartinfarct beter op te vangen en de vraag of mensen die een hartinfarct gaan krijgen te herkennen zijn".

Onderzoek

Hoe was nu de gang van zaken in het onderzoek en wat waren de voorna,amste bevindingen? Alle patiënten die bij een van de vijftien deelnemende huisartsen kwamen met bepaalde, mogelijk op hartlijden wijzende klachten, werden nader onderzocht met behulp van elektrocardiografie (het vastleggen van het hartritme op een strook papier) en laboratoriumonderzoek (bloedonderzoek). Het doel daarvan was na te gaan of de patiënt op het moment dat deze door de huisarts werd gezien, reeds een infarct had of niet.

Had hij inderdaad een infarct, dan werd hij natuurlijk direct opgenomen op een speciaal voor dat doel bestaand hartbewakingsbed. Voor het onderzoek (IMIR) deed deze patiënt dan niet meer mee.

Had de patiënt geen hartinfarct, dan werd hij gedurende 10 maanden verder gevolgd om te zien of zich alsnog een hartaanval voordeed. In totaal werden meer dan 1300 patiënten op deze wijze bij het onderzoek betrokken. Op grond van de verzamelde gegevens was het mogelijk na te gaan welke patiënten de grootste kans hadden om op korte termijn een hartinfarct te krijgen. De onderzoekers ontwikkelden een methode voor het berekenen van de kans dat een patiënt die met „waarschuwende" klachten bij zijn huisarts komt, in de tien maanden die daarop volgen een hartaanval zal doormaken. Zij concluderen, dat van tien procent van de mensen met hartklachten inderdaad één op drie de kans heeft om een hartinfarct te krijgen.

Risicofactoren

De onderzoekers noemen deze 10% „risicopatiënten". Zij zijn gemiddeld ouder dan de patiënten die een lage kans hebben op een hartinfarct. Het zijn meestal mannen, waarbij ook vaker afwijkingen in het hartritme voorkomen. Ook wordt suikerziekte genoemd, hoge bloeddruk en vocht in de longen. Ook hebben zij vaker nieuwe of erger wordende angina pectoris, een bepaald soort stekende pijn op de borst, die optreedt bij inspanning of emotie.

Dat een op de drie van deze risicopatiënten inderdaad een hartinfarct krijgt, opent volgens de onderzoekers mogelijkheden voor toekomstige gerichte preventie. Tijdens het nu afgelopen onderzoek konden de huisartsen binnen de kortst mogelijke tijd beschikken over 'n hartritmestrook van de patiënt en over de waarden van het bloedonderzoek. Dat is nu voorbij, zodat de huisarts in zijn dagelijkse praktijk niet meer beschikt over voldoende materiaal om het hartinfarct op te sporen bij een patiënt die wordt bedreigd. Daar de verschijnselen van een hartinfarct erg variabel blijken en lang niet altijd zo kenmerkend zijn voor een infarct als wordt gesuggereerd, betekent dit, dat patiënten eerder in een ziekenhuis zullen worden opgenomen, of dat de huisarts het hartinfarct helemaal niet herkent.

Een huisarts die gemiddeld maar één of twee keer per week een patiënt met een hartinfarct ziet, loopt de kans, dat over het hoofd te zien. Dr. Van der Does zegt dan ook in een van zijn stellingen (IV): Bij het eerste huisarts-patiënt-contact wordt een belangrijk deel der .pa» tiënten met een hartinfarct gemist. •^«5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.