+ Meer informatie

Ziende Jongelingen

5 minuten leestijd

zien." , uwe jongelingen zullen gezichten (Joël 2 : 28, laatste gedeelte.)

Dat zal één van de heerlijke vruchten van de komst des Heiligen Geestes zijn: ziende Jongelingen.

Wanneer deze Godsman van de oude dag door de Geest der profetie en des geloofs vooruit ziet naar de grote Pinksterdag, waarop Gods Kerk zal worden geplant en gebouwd over de gehele wereld, dan ziet hij de grote kracht van de beloofde Geest, daarin zich openbaren, dat er zullen zijn: profeterende zonen en dochteren, dromende ouden en ziende jongelingen. Oud-Testamentisch drukt hij zich uit, als hij spreekt van profeteren, dromen dromen en gezichten zien, omdat het de Heere behaagd heeft, om voor de afsluiting van de canon van Zijn woord Zijn verborgen raad en wil aangaande de verlossing van Zijn volk door dromen, gezichten en profetiën bekend te maken: Hij doelt hier echter op niets anders dan het inwendig verlichtend werk des Geestes, dat in de Nieuw-Testamentische tijd door middel van het woord zal plaats grijpen.

En nu wij weer staan achter de herdenking van het Pinkster-wonder is het nuttig om op de vervulling van de Gods-spraken van de oude dag te letten. De Geest des Heeren is gekomen, is nedergedaald in Zijn Kerk, om met haar te blijven in der eeuwigheid en er zijn „ziende jongelingen" gekomen en zolang de zon en de maan er zijn, zal de Heere Zijn Naam voortplanten van geslacht tot geslacht en zolang zullen er naast profeterende zonen en dochteren, en dromende ouden, ook „ziende jongelingen" zijn. En wat zou ons voorrecht groot zijn, als wij onder die zouden mogen zijn; wat zou het groot zijn, als het de Heere behagen zou om ook onder de jeugd van onze gemeenten nog profeterende zonen en dochteren te doen zijn en ziende jongelingen. Van nature zien wij niet; dan zijn wij verblind en verdwaasd door de zonde en de heerschappijvoerende kracht daarvan in geheel ons bestaan. Maar wanneer de Geest des Heeren ook over ons uitgegoten zou worden, zouden we gaan zien. En wat zien dan diegenen, die met die Geestesbewerkingen begiftigd worden?

Wel zij zullen door de openbaring Gods in Zijn Woord en de krachtige toepassing daarvan in het hart de heerlijkheid Gods gaan zien. Zijn Heerlijkheid in Zijn vlekkeloze en heilige volmaaktheden; Zijn heerlijkheid in Recht en heiligheid; Zijn Heerlijkheid en goedertierenheid en waarheid. Ziende, door Woord en Geest alzo God in Zijn Wezen en Bestaan, zullen zij ook zichzelven in het licht van Zijn bestaan zien: ziende eigen zonden, schuld en vuilheid: ziende, eigen ellende, in het vreem-

deling zijn van die God, in het afgescheiden zijn van Zijn gunst en gemeenschap; ziende eigen onmacht, daar in het licht van Gods deugden onze werken en gerechtigheden wegwerpelijk zijn; ziende eigen onwil, omdat ons bestaan getekend is in het ene woord: vijandschap; ziende, wanneer die Geest hen daartoe verlicht en bearbeidt: eigen rechteloosheid en waardeloosheid. Welgelukzalig, die alzo leren zien en erkennen: rechteloos voor God te zijn en die met David betuigen: „Gij zijt (volmaakt, Gij zijt Rechtvaardig Heer; Uw oordeel rust op de allerbeste wetten." O, dat zo nog vele ziende jongelingen gevonden werden, want zulken zullen ook Zien, die Grote Verborgenheid, die God openbaart in het hart van een rechteloos en waardeloos volk en waarvan Ethan zingt:

„Gij hebt weleer van Hem, dien Gij geheiligd had, Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat: Ik heb bij enen held voor Israël hulp beschoren, Hem uit het volk verhoogd; hem had ik [uitverkoren, 'k Heb David mijnen knecht, mijn gunsteling [gevonden, En Hem met heilige zalf aan mij en het rijk [verbonden."

Dat te mogen zien: de heerlijkheid van Gods verheerlijkte deugden in die luistervolle weg, Die in Chr istus ontsloten is. Dat te mogen zien leidt tot heilige verwondering en innerlijke verbaasdheid; Die Gezegende Heere Jezus te zien, als de spiegel van al Gods eeuwige deugden; de heerlijkheid Gods in dat troostrijke gezicht.

En naarmate, dat door Gods Geest meer gezien wordt van onszelf, van ons bestaan, van ons verderf, van de verdorven woelingen van ons godloos vlees, van de oorsprong van onze ellende in Adam, naar die mate zal de heerlijkheid van Gods eeuwige vredegedachten in de Heere Jezus meer en meer worden bewonderd en aangebeden.

O, dat het toch gelden mocht van onze jeugd en jongelingen: „zij zullen gezichten zien." Gode-verheerlijkende en zielsvernederende gezichten, ons zelf verfoeiende, maar Christus-verhogende gezichten.

Mijne vrienden, hebt gij die „gezichten" wel eens gezien? Door de onderwijzingen van het Woord en de toepassing van Gods Geest? Als gij hier niet leert „zien"' zult gij aanstonds „zien", maar dan als de rijke man, die zijn ogen opsloeg in de hel, zijnde in de pijn. Dat ge door de overredingen van Uw blindheid en onder het besef van de noodzakelijkheid van te leren „zien", leerdet vragen: „Heere, dat ik ziende mag worden, " opdat de tijd voor U eens aanbreke, dat ge met de blindgeborene leerdet zeggen: „Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie." Als God ons iets leerde zien van Zijn heerlijkheid en algenoegzaamheid en van eigen vloeken doemwaardigheid en in die weg van Jezus dierbaar* heid, leide ons dat tot de gedurige bede om meer te zien, zoals David dat begeerde:

„Och, mocht ik in die heilige gebouwen, De vrije gunst, die eeuwig U bewoog, Zijn lieflijkheid en schone dienst aanschouwen. Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog."

De Heere make het onder ons gedurig waar: profeterende zonen en dochteren, dromende ouden en ziende jongelingen.

Ds A. VERGUNST,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.