+ Meer informatie

Houtskoolbranderij op de Veluwe

"De vlam in de pan"

7 minuten leestijd

Al in de ijzertijd waren er op de Veluwe houtskoolbranderijen. De sporen daarvan, het roodzand, zijn op verschillende plaatsen nog te zien. Houtskool werd toen voornamelijk gebruikt door de ijzerindustrie om ijzererts te smelten. Op één na zijn alle houtskoolbranderijen verdwenen. De laatste en enige branderij in Nederland die nog volop in bedrijfis staat in Uddel, aan de Aardhuisweg. Sinds 1850 wordt hier dagelijks op ambachtelijke wijze hout verkoold. Voor de barbecue.

Aan de rand van frisgroene berken in zomerkleed zit een buizerd pieren te trekken en zangvogeltjes jagen achter insekten aan die op de warmte afkomen. Een vos wordt de grond te heet onder zijn poten als hij ons in de gaten krijgt; hij maakt dat hij weg komt. Hier midden in het bos, in het heetst van de strijd, gedijt de natuur in de luwte van het vuur. Rookwolken blazen de aftocht in zuidwestelijke richting. Waar rook is is vuur. Metershoge vlammen slaan uit enorme ijzeren pannen. Daartussen ontwaren we Willem van de Ridder, die als een mistige schim boven op een soort brandende kookpot de schop hanteert. Hij zwaait als hij ons ziet en daalt via een ijzeren trap de kookpot af De verzengende hitte die de vijf brandende ketels uitstralen houdt ons op afstand. „Zo, die is bijna gaar. Nog effe sudderen", lacht Van de Ridder alsof hij het over de piepers heeft.

Knallen
Hij loodst ons mee naar een andere pot. De koffiepot. Op de vraag wat er boven op zo'n brandende ketel nou te scheppen valt, verduidelijkt hij: „Kijk, als de houtskool bijna gaar is worden alle zuurstofopeningen met zand afgesloten. De trekgaten aan de onderkant en het mangat bovenin. Dat mangat is tijdens het branden altijd open om gassen die bij het verkolingsproces vrijkomen te laten ontsnappen. Anders zou de boel uit elkaar knallen. De gassen vatten vlam en dan lijkt het net of de hele ketel in lichterlaaie staat. Dat is niet zo. 't Is zuiver het gas dat in de fik staat. Nu blijft de warmte circuleren waardoor de inhoud zachtjes nagaart, om het zo maar eens te zeggen. Maar om het hele proces van A tot Z te kunnen begrijpen kan ik beter bij het begin beginnen."

Vlonders
Willem van de Ridder gaat er eens goed voor zitten. „Op maandag bouwen Jacob en ik de boel op. Eerst maken we vijf > vlonders van pallets op de maat van de ketel. Om precies te zijn zes meter twintig in doorsnee. Inmiddels is de kraanwagen gearriveerd, die de ketels oppakt en over de vlonders zet. Vergelijk zo'n ketel maar met een theemuts die van boven open is. Vervolgens vullen we ze tot aan de rand met hout, dat afkomstig is van diverse fabrieken. De kraandrijver zet dan op iedere pot een deksel. Met de tractor ploegen we zand rondom de onderkant van de ketel. Alle kieren en tochtgaatjes dekken we af met zand. Later gaan we met de schop luchtgaten maken, afhankelijk van de hoek waaruit de wind waait. Dan markeren we het aansteekgat." Tijdens zijn relaas werpt de houtskoolspecialist regelmatig een blik op de brandende potten. Geen vlam ontsnapt aan zijn geoefend oog.

Vlam erin
„Dinsdagmorgens gaat de vlam in de pan", grijnst hij. „Met de vuurstok. Die is drie meter lang. Onderaan bind ik een oude jute zak, doordrenkt met dieselolie. Die wil wel fikken, da's makkelijk zat. De brandende vuurstok steek ik in het gemarkeerde gat, precies tot in het binnenste van de ketel. Het mangat boven in het deksel blijft voorlopig open. Voor een goeie trek jaag ik er een paar uur flink wat zuurstof doorheen. Als de trek d'r goed in zit, gaat het mangat dicht en werk ik alleen aan de onderkant met zuurstof Altijd van de wind af natuurlijk. Op de windkant stoppen we de ketel dicht, want vuur wil altijd naar buiten. Het verkolingsproces is nu in het beginstadium. De rook kan niet meer weg, maar circuleert van binnen door het hout. Dat moeten we nou net hebben. Door de hitte van pakweg 500 graden trekt het vocht uit het hout. Dus niet door het vuur zoals je zou denken, 't Is puur water wat er aan de onderkant uitkomt. Als het vocht eruit is gaat het mangat weer open. Nog koffie?"

Ervaring
Collega-vakman Jacob Bleijenberg stapt binnen en gunt zich ook even tijd voor een bakkie. De ketels staan te branden. „Lekker windje om te branden vandaag", merkt hij op. „Op die twee is het bijna gebeurd", wijst Bleijenberg. Hoe hij dat ziet? „Tja, da's moeilijk uit te leggen. Kwestie van ervaring. En aanvoelen. Als de vlammen minder worden, raakt het verkolingsproces op z'n end. Hier en daar prikken we d'r in of alles gaar is. Als er nog 'n plek is waar die nog een beetje vuur hebben moet, halen we wat zand weg. Het vuur trekt er dan vanzelf naar toe. Als de houtskool door en door gaar is, sluiten we de ketels helemaal af Tot maandagmorgen blijven ze zo staan. Dan komt de kraanwagen weer. Die pakt de pot in zijn geheel op en zet hem op een van de verse vlonders die wij inmiddels opgebouwd hebben. De houtskool staat dan als een afgekoelde taart klaar om getransporteerd te worden", legt hij uit. „Met een bulldozer scheppen we het hele zaakje in containerbakken, die naar de fabriek in Uddel gaan. Daar zeven ze het zand eruit. Vervolgens worden met een magneet spijkers en nietjes verwijderd. Een speciale breker breekt de houtskool in kleine stukjes, waarna het spul in papieren zakken verpakt wordt voor de verkoop."

Noodgevallen
Volgens Van de Ridder gaat er zelden wat mis. „We houden de boel goed onder controle. We spelen niet met vuur. We laten het vuur werken. Voor noodgevallen hebben we een ijzeren doofpot staan die als een stolp over de ketels past. Die hebben we nog niet hoeven gebruiken." De mannen dragen gewoon een overal. Geen speciale kleding? „Nee", zegt Willem van de Ridder. „Ik stap er zo op. We hebben wel speciale schoenen. Die kunnen 300 graden hebben. En handschoenen natuurlijk. Maar voor de rest, nee. Je went eraan. We doen dit werk al zo lang. 't Is al een heel oud beroep. Er zijn bijna geen mensen die dit kunnen. Er is ook geen opleiding voor. Branden moet je leren van je voorganger of van jezelf. Gewoon aanpakken. Net wat Jacob zegt: een kwestie van ervaring opdoen in de praktijk. Dat is het. Jacob en ik hebben hier een vrij leven met de elementen om ons heen. Wind, vuur en natuur. Mooier kan je niet hebben. De baas bemoeit zich er niet mee. Ze geven je helemaal het vertrouwen. We weten wat we doen moeten en doen dat. Makkelijk zat, he Jacob?"

Dag en nacht
„Vergeleken met vroeger hebben wij het een stuk makkelijker", weet Bleijenberg. „Toen er nog met houten meiiers gebrand werd, was de brandploeg hier dag en nacht. Drie weken woonde de ploeg in een houten keet op de branderij. Want zo lang duurde het hele proces toen. Wij met onze moderne ijzeren ketels doen er drie dagen over. Da's andere koek. De meeste branders kwamen uit Hierden. Ze hadden een hard leven. De mannen kookten hun eigen potje. In de hoek van de keet stond een kist voor levensmiddelen. Bonen, aardappels, brood en spek. Met regenwater deden ze de afwas. Ze sliepen om beurten. Gewoon in de kleren op strozakken. Er moest altijd wacht gehouden worden, 'n Eenzame bedoening als je dat vergelijkt met ons."

Stoof
Houtskool werd vroeger veel gebruikt in vuurpotten en stoofjes. Als de mensen 's winters naar de kerk gingen hadden ze een speciale kerkstoof Met een mooi koperen hengsel. In de stoof stond een aardewerk vuurpotje waarin houtskool gloeide. Om tijdens de dienst de voeten te warmen. „Tot 1966 hebben onze voorgangers met houten meiiers gewerkt. Daarna kwamen de ijzeren ketels. Ongeveer zoiets als we nu nog gebruiken, alleen kleiner. Twintig jaar geleden zijn we met deze grote ketels begonnen. Zo'n 90 kuub hout gaat er in. Een hele vooruitgang." „Die ketels worden bij ons in Uddel gemaakt", vult Van de Ridder aan. „Door de dorpssmid. Da's een vak apart. Ze wegen elf ton per stuk. Transportbedrijf Van der Scheur uit Apeldoorn heeft ze hiernaartoe gebracht. Dat was een gigantische klus. Trok een hoop bekijks. Reken maar. Het wildrooster op de Aardhuisweg moest er speciaal voor afgebroken worden, want anders konden ze er niet door. De mensen moesten eens weten wat er allemaal bij komt kijken voor hun biefstukje ligt te sissen op een gloeiend houtskoolvuurtje", lacht de brander.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.