+ Meer informatie

Naar de katechisatie

6 minuten leestijd

139

DE WET DES HEEREN. Derde gebod.

We hebben besproken, dat Gods Namen Zijn ZELFOPENBARING zijn. Wie enige bevindelijke kennis mag krijgen van Gods heerlijke Namen zal ervaren, Wie Hij is in Zijn grootheid, algenoegzaamheid, beminnelijkheid voor arme schuldige zondaren. Zij krijgen God lief in al Zijn volzalige deugden en volmaaktheden. En wanneer Gods Geest die allergrootste Naam van Jehovah verklaart in het hart, wordt die Naam de allerrijkste openbaring van Gods volzalig Wezen. Want zij openbaart, dat God in Christus, de algenoegzame Verbondsmiddelaar, Jezus Christus, de getrouwe en onveranderlijke VerbondsJehovah is voor een in zichzelf ontrouw schepsel.

Welnu, die ’s Heeren Naam leren kennen en beminnen, zullen die Naam niet anders dan met vreze (de kinderlijke vreze) en eerbied gebruiken. Zij leren het verstaan, dat de Heere recht heeft op het erkennen en belijden van Zijn Naam. En wàt is dit erkennen en belijden? Wel, zoals we gezien hebben: die Naam opheffen tot een heilig en eerbiedig gebruik, in het bidden, zingen, spreken over die Naam! En de Heere is het zo eeuwig waardig.

Daarom toornt God ook zo vreselijk over de ontheiliging van Zijn Naam, over het ij d e 11 ij k gebruiken van ’s Heeren Naam, dat is, die Naam opheffen tot het ijdele, zinloze.

Dit nu gebeurt opzettelijk in het misbruiken van Zijn heilige Naam, in het vloeken. Hoeveel terechtstellingen zouden moeten plaats hebben in ons z.g.n. Christelijk Nederland over de ontering en lastering van Gods Naam, in ’t gesprek, in de pers, in de radio, in de televisie. Het is een gruwelijke aanranding van Gods heilig Wezen. Wat draagt onze Overheid een diepverantwoordelijke taak, maar hoe laat zij dit helaas ongestraft toe.

Maar, al mogen wij voor dit opzettelijke misbruik bewaard zijn door Gods algemene goedheid, we komen daarom echter niet onschuldig uit ten opzichte van de overtreding van dit derde gebod!

’s Heeren Naam „opheffen tot het ijdele, zinloze” gebeurt ook ONDOORDACHT en VERFIJND. Hierbij denken we bv. aan de z.g.n. „basterdvloeken” allerlei afkortingen van Gods Naam, zoals „o Je”, „Gó”, „verdorie” e.z.

Gods Naam tot het „ijdele, zinloze’ opheffen heeft ook plaats in het GEBED. Wanneer namelijk de Naam „Heere” of „o God” herhaaldelijk wordt genoemd als onnodig. Men heeft er zelf geen erg in, maar ’t is eigenlijk niet meer dan een stop-woord.

Het ijdel gebruik kan zich ook voordoen in het ZINGEN van onze psalmen, wanneer namelijk het zingen zó vlug gaat, dat men onmogelijk kan bedenken, wàt men zingt. Of, dat het zó langzaam gaat, dat men 3 of 4 keer adem moet halen om het volgende woord te zingen, ‘k Weet niet of dit wel eerbiedig is. Maar anderzijds vinden we ons persoonlijke meer in ’t dan wat langzamer zingen, mits het niet al te erg is, dan in dat afraffelen van de verzen.

Gods Naam misbruiken (opheffen tot het zinloze) wordt ook gevonden bij het verdraaien van Gods Woord, bij het uitleggen der Schrift naar eigen smaak en mening. Want God heeft in Zijn Woord Zijn Naam bekend gemaakt. Daarom is de „leugenleer” zo God-onterend!

We hebben hier ook te denken aan de „profanie”. Wat is zij? Bijbelteksten gebruiken bij de alledaagse dingen, tot het „zinloze”. De uitdrukking als „de deugd in het midden” doet denken aan Christus, Die eens aan het kruis tussen de beide moordenaren hing.

We zouden hierbij ook kunnen vragen of ook bij het preken Gods Naam gebruikt kan worden tot het ijdele, zinloze. Och neen, niet op de grove manier, maar wel zó, wanneer de boodschap van ’s Heeren Naam op een platvloerse en zelfs profane manier gebracht wordt. Men wil dan „populair” zijn. Niet minder onterend is het voor Gods Naam, wanneer zelfs een Bijbelvertaling wordt aangediend als in zoëven genoemde zin, aanpassend bij de alledaagse taal van nu. Zie „Groot Nieuws voor u!”, een uitgave van het Nederl. Bijbelgenootschap in samenwerking met de Katholieke Bijbelstichting, een vertaling in de „omgangstaal.”

Tot het ijdel gebruik van ’s Heeren Naam behoort ook, op welke wijze wij spreken over Gods werken in de natuur, ja, hoe wij zitten en verkeren in Gods huis! Wat het eerste betreft: meermalen wordt wel eens gezegd: wat een slecht weer of wat een hondenweer. Neen, het weer is altijd goed, want God regeert alle dingen. Zie Zondag 10. Maar het weer komt òns niet altijd gelegen of van pas. En wie laat in de kerk komt en neerploft in de bank of ergerlijk zit in zijn bank, beseft niet, dat daarmede Gods Naam onteerd wordt, omdat men zit onder de verkondiging van ’s Heeren Naam en Woord.

En wanneer wij in Gods huis verkeren, ach, wat is er dan vaak een lippentaal en onze godsdienst een „sleurdienst”. Valt dit alles ook niet onder het zinloze gebruik van ’s Heeren Naam? Ja… „Uw gebod is zeer wijd!”

Die Naam opheffen tot een eerbiedig, Godvrezend gebruik, dàt is het doel der Wet, alzo van het derde gebod.

We kunnen die Naam ook „laten liggen”. Dàt is de staat van een onbekeerd mens. Hij moge uiterlijk die Naam op zijn lippen nemen, maar hij kent niet de liefde tot die Naam. Wanneer de Heere een mens bekeert, dan zal het hart zeker vervuld worden met heilige eerbied en tere Godsvrees. Dit komt uit in de ootmoedige verhouding tot den Heere, tot Zijn Naam, tot Zijn Woord en tot Zijn dienst. Dan werkt Gods Geest ook de ootmoedige hoogachting jegens den Heere, zoals Abraham beleed: „ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere.”

Dan zal ook het belijden en prijzen van ’s Heeren Naam in woord en wandel staan in het teken van ootmoed, kinderlijke vreze en aanbidding. Smeken we om in diè Godvrezende verhouding tot den Heere gebracht te worden door vernieuwing des harten!

De Heere ontdekt Zijn volk hoe langer hoe meer aan zijn verdorven bestaan, ook ten opzichte van die Godslasterlijke natuur, die zij na ontvangen genade blijven omdragen, maar waarover zij zich weer telkens moeten wegschamen voor God. Ja, Gods kind kan wel eens ontsteld worden door innerlijke vloeken, die in het hart kunnen oprijzen. Dan is het bang. Het zijn de boze inwerpselen van de vorst der duisternis.

Maar nu is er een Fontein geopend voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.” Zach. 13 : 1. Het is Christus, Die voor al dat volk als een Godslasteraar werd veroordeeld. Hij is als de Fontein des heils geslagen, opdat uit Hem de reinigende en genezen wateren uitvloeien zouden in de gewonde harten van de verslagenen van geest.

Kent u dit, lezer(es)?

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.