+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

J. van Beelen, Doet dit tot Mijn gedachtenis. Een onderzoek naar de relatie tussen Avondmaal en ambt: over Avondmaalsmijding van ambtsdragers en het probleem van de bediening. Uitg. J.J. Groen en Zoon, Leiden 1996. 248 blz. Prijs f 39,95.

Deze Studie diende de hervormde predikant te Randwijk als proefschrift voor de verwerving van de doctorsgraad in de theologie aan de Universiteit van Leiden op 31 januari 1996. Velen zullen inmiddels ovet dit proefschrift hebben gehoord of gelezen, want deze promotie heeft enig opzien gebaard. De reden daartoe was allereerst gelegen in de vraagstelling waar deze Studie zich op baseerde gecombmeerd met de achtergrond van de promovendus. Ds. Van Beelen is te rekenen tot die sector in de Ned. Herv. Kerk die zich rond Het gekrookte riet heeft gegroepeerd. En de zaak die hij aansnijdt, is de vraag naar de motieven en het recht tot Avondmaalsmijding van ambtsdragers in de kerk. Een zaak dus die een zeer persoonlijke geestelijke achtergrond kan hebben.

Bij herhaling heeft de synode van de Ned. Hervormde kerk zich bezorgd uitgesproken, het laatst in 1986, over het feit dat gemeenteleden, maar vooral ambtsdragers zich onthouden van de viering van het Avondmaal. Juist in de invloedssfeer van de historische stroming van het gereformeerde piëtisme wordt een dergelijke schroom voor, maar ook mijding van het Avondmaal aangetroffen.

De studie van Van Beelen wordt zeker niet gekenmerkt door een pastorale benadering van de geestelijke problematiek die hiermee is aangeraakt. Hij is eerder op zoek naar motieven die aan de vermaning van dergelijke kerkleden en ambtsdragers door kerkelijke vergaderingen de grond kunnen ontzeggen.

Daarom gaat hij, na een uitvoerige weergave van de geschiedenis van de Avondmaalsmijding van gemeenteleden en ambtsdragers te hebben gegeven, vooral op zoek naar een benadering van het ambt in de kerk die de Avondmaalsmijding minder problematisch maakt.

Immers - wanneer de ambtsdrager in de bediening van het Avondmaal Christus zou vertegenwoordigen, zou het terecht zijn dat de kerk moeite heeft met ambtsdragers die zelf geen Avondmaal vieren. Wanneer echter de ambtsdragers hoogstens zorg hebben te dragen voor de goede orde bij de Avondmaalsviering, maar het Avondmaal vieren verder een zaak van de gemeente is, en niet een bediening áán de gemeente, dan weegt deze problematiek heel wat minder zwaar! Deze laatste benadering heeft ontegenzeggelijk de voorkeur van dr. Van Beelen. De gemeente breekt het brood. Zij verkondigt de dood van Jezus Christus. Er is dus geen sprake van een ambtsdrager die daarin haar tegenover is (blz. 147).

De conclusies van het exegetische hoofdstuk zijn onder meer, dat bij de viering van het Avondmaal door de nieuwtestamentische gemeente geen sprake is van een voorganger. Gemeenteleden met leidinggevende taken staan niet boven de gemeente, maar worden voorgesteld als leden van de gemeente (blz. 198).

Deelname aan het Avondmaal is met het gemeente-zijn gegeven. Er is moeilijk een reden aan te geven waarom kinderen daarvan uitgesloten zouden zijn. Wat dit laatste betreff erkent de auteur wel dat daar een afzonderlijke Studie aan gewijd zou moeten worden (blz. 199).

Op deze wijze meent Van Beelen de angel uit de problematiek van de Avondmaalsmijding te hebben gehaald, zowel aan de kant van ambtsdragers en gemeenteleden die met deze vragen worstelen, als aan de kant van synodes die de mijding van dit sacrament door ambtsdragers maar moeilijk verdragen.

In een - nogal mager uitgevallen - systematisch slotdeel wordt de gevonden hoofdgedachte uitgewerkt. Het centrale woord blijkt het bijbelse woord koinoonia, gemeenschap, te zijn. Maar er wordt nog wel verschil gemaakt tussen prediking en Avondmaal. In de prediking is immers wel sprake van bediening van het Woord met ambtelijke autoriteit. Op dat punt had men wel een wat fundamenteler bezinning mogen verwachten dan nu gegeven wordt. Feitelijk wordt met deze benadering impliciet afscheid genomen van de wijze waarop bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de sacramenten en over de verhouding Woord en sacrament spreekt. Een predikant die in de gereformeerde traditie Staat binnen de Nederlandse Hervormde Kerk had zich daarover wel wat degelijker mogen verantwoorden dan hier gebeurt.

Men kan deze studie moeilijk een doorwrocht werkstuk noemen. Het boek wordt feitelijk gekenmerkt door een ietwat opportunistisch zoeken naar argumenten die de druk van de Avondmaalsmijdingsproblematiek zouden kunnen wegnemen. Dat is wetenschappelijk een te smalle benadering, terwijl vervolgens de conclusies die Van Beelen trekt, nogal fors zijn.

Juist in de theologie van het ambt is de eigenlijk biblicistische benadering zoals Van Beelen die geeft, onaanvaardbaar. De gereformeerde ambtsopvatting is niet gefundeerd op enkele teksten, maar op een luisteren naar de samenhangen en verbanden van de Schrift. Het zou meer voldoening hebben gegeven als Van Beelen zijn vermoedens bijvoorbeeld zorgvuldig had vergeleken met de ambtelijke theologie en met de Avondmaalsleer van Calvijn. Dan zou er over het gezag van het ambt, over de Heilige Geest en het ambt, over de verhouding van Woord en sacrament in relatie tot het ambt, wat meer aan de orde gekomen zijn. Het boek was dan wellicht wat breder geworden van opzet, maar het had ook wat meer diepgang gekregen.

Nu heeft het boek stellig zijn waarde om de beschrijving van de problematiek van de Avondmaalsmijding, maar dat het werkelijk de gemeente en de theologie verder helpt, kan helaas niet worden gezegd. Daarvoor is de opzet te smal en de uitwerking te mager.

Dr. W. van ‘t Spijker, Gemeenschap met Christus. Centraal gegeven van de gereformeerde theologie. Uitg. Kok, Kampen. 94 blz. f 24,50.

Deze Apeldoornse studie (no. 32) zou een onderbouwing en uitwerking van de beide gedenkboeken genoemd kunnen worden die in 1992 en 1994 zijn versehenen: ‘Een eeuw christelijk-gereformeerd’ en ‘Een eeuw theologie in Apeldoorn’. Deze theologie wordt gekarakteriseerd door ‘een existentiële relatie tussen Woord en theologie, kerk en theologie, confessie en theologie en geloof en theologie’ en dat ‘in een doelgericht toespitsing op de praktijk’ (15). Al zal de lectuur van dit inhoudsvolle boekje niet voor ieder even gemakkelijk zijn, duidelijk wordt wel dat de positie van onze kerken die wel eens als “tussen de vuren” is aangeduid, ook de theologie van “Apeldoorn” geldt, die zich ‘gebonden’ wil weten ‘aan de Schrift krachtens het sola scriptum, gebonden door de genade krachtens het sola gratia en aan het geloof krachtens het sola fide’ van de Reformatie (24) en dat in ‘gemeenschap met Christus’, het ‘centrale gegeven van de gereformeerde theologie’

Het is verleidelijk breder op een en ander in te gaan, juist in verband met de ‘diepe en intensieve crisis’ die in de hedendaagse theologie heerst (33) en ‘de essentie van het gereformeerde belijden, de gereformeerde kerk en van de gereformeerde theologie’ (43) raakt. Wie op de vraag wat toch eigenlijk christelijk-gereformeerd is in deze “crisis”, kan hier een antwoord ontvangen dat bijbels en reformatorisch z’n positiekeuze fundeert. De beschikbare ruimte rechtvaardigt deze verleiding te weerstaan. Ieder bestudere zelf deze “studie” om te beter het ‘geheim’ (94) van Apeldoorn, van ons kerk-zijn (vaak van buiten af en van binnen uit aangevochten!) te verstaan én te beleven.

Ds. Astrid Fiehland-van der Vegt en drs. Rien van der Vegt, Christenen en Joden. Theologische heroriëntatie in de verhouding tot het jodendom. Een vervolgstudie van de Evangelische Kirche in Duitsland, vertaald, ingeleid en van een nawoord voorzien. Uitg. Kok, Kampen. 81 blz. f 19,90.

De hoofdmoot van deze uitgave in de sehe ‘Verkenning en bezinning’ wordt gevormd door de vertaling van de ‘Vervolgstudie van de Evangelische Kirche in Duitsland’. De herinnering aan het onvoorstelbare leed dat de joden in Duitsland in de jaren ‘30 en ‘40 is aangedaan - met op de achtergrond de eilende die zo vaak in de geschiedenis de joden hebben ondergaan van de kant van christenen - kan niet genegeerd worden bij het kennisnemen van deze studie. Al blijven er hier en daar vraagtekens (bijv. wanneer op blz. 55v. wel Mc. 7, 27a wordt geciteerd èn gebruikt, maar het vervolg ervan wordt verzwegen), het is boeiend na te gaan hoe nu in de Duitse kerken over de relatie met Israël wordt nagedacht en hopelijk gerealiseerd.

Ds. H. van der Schaaf, drs. J.C.L. Starreveld, ds. H.J.Th. Velema (red.), Jaarboek 1996 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 320 blz. f 16,75.

Ditmaal wil ik beginnen met een dankbetuiging aan de redactie. Wat een voorrecht dat er broeders zijn die de uitgave van het jaarboek verzorgen. In verband met de wijziging van de telefoonnummers is er dit jaar wel veel extra werk verzet. De gegevens zijn zoveel mogelijk bijgewerkt. Onmisbaar is dit boek voor ieder die kerkelijk wil meeleven.

Het jaaroverzicht van de hand van ds. H.J.Th. Velema geeft een duidelijke kijk op reilen en zeilen van de kerken, op jubilea en het sterven van predikanten, op uitgaven van periodieken, brochures en boeken. Ds. Sobering vertelt over contacten met Japanse militairen die tot lange straffen waren veroordeeld. Aangrijpend! De geschiedenis van de kerk van Valthermond is door zr. G. van der Laan-de Boer tot aan haar opheffing beschreven; zo ook de geschiedenis van de kerk van Zeewolde van voor haar instituering door br. J. Tanger.

Ds. H. van der Schaaf heeft het emeritaat onder de loep genomen; een overzicht van regels tot verkrijging ervan, verschillende bepalingen wat betreff de leeftijd, en van de niet uniforme regeling voor predikanten en hoogleraren.

Een goed overzicht, waarnaar van nu af aan nogal eens verwezen zal worden. En dat terecht. De bespreking van het jaarboek 1995 bleef zo lang bij de vele boekbesprekingen in portefeuille, dat plaatsing ervan niet meer actueel was.

Daarom ditmaal een wat uitgebreider overzicht. Ik neem aan dat aanbeveling overbodig is. Dankbetuiging is des temeer op haar plaats.

Rainer Meyer en Peter Zimmerling (red.), Dietrich Bonhoeffer nu! De actualiteit van zijn leven en werken. Uitg. Groen, Leiden 1995. 136 blz. f 24,50.

Bonhoeffers naam en werk worden nu, vijftig jaar na zijn dood, vaak genoemd. In dit boek zijn twee studies vertaald en gebundeld. Onderwerpen zijn: Zijn leven en werk, Spiritualiteit in gevangenentijd, Rechtvaardiging en navolging, Bruidsbrieven uit de cel, en Heeft Bonhoeffer zich vergist?

De betekenis van dit boek ligt hierin, dat van Bonhoeffer een ander beeld wordt geschetst dan moderne theologen doorgaans van hem tekenen. Het lijkt me dat Bonhoeffer hier juist wordt geportretteerd. Hij was niet de gangmaker van de grote omwenteling op theologisch terrein na de oorlog. Daarvoor wordt hij wel gebruikt (misbruikt). Jammer dat de schrijvers het bekende opstel van Van Ruler over Bonhoeffer niet hebben kunnen raadplegen.

Dit boek is te typeren als een introductie tot Bonhoeffers leven en denken, een eerste aanzet, en daarin van betekenis.

Frits de Lange, Wachten op het verlossende Woord. Dietrich Bonhoeffer en het spreken over God. Uitg. Ten Have, Baarn 1995. 199 blz. f 39,50.

De auteur is bij wijlen prof. Rothuizen op Bonhoeffer gepromoveerd. Hij is voorzitter van het Bonhoeffer Werkgezelschap Nederland.

Dit boek geeft blijk van diepgaande vertrouwdheid met de geschritten en de persoon en de geesteshouding van Bonhoeffer. Het boek is een correctie op eenzijdige beeiden van Bonhoeffer. Het is niet waar dat Bonhoeffer zelf zijn vroomheid van vroeger jaren zou hebben verloren. Door zorgvuldige analyse van geschritten uit de verschillende Perioden van Bonhoeffers leven, komt Bonhoeffer naar voren als een man die reageerde op de tijd waarin hij leefde, maar die vasthield aan God en Zijn Woord. Overeenkomst en verschil met Barth worden getekend. Prachtig schetst de auteur het milieu waarin Bonhoeffer is opgegroeid. Geen grote, ijdele woorden, Dan Never zwijgen. Dat werkt door in Bonhoeffers spreken over God. Voor dit boek heb ik waardering. Het lijkt me niet terecht om de tijd van verzet en gevangenschap te typeren als ‘Het aristoeratische woord’. Hoe dan ook, dit boek is een waardevolle bijdrage aan de studie over Bonhoeffer.

F. van Beek e.a., Gewoon meedoen. Leven met een lichamelijke handicap. Serie Praktisch en Pastoraal. Uitg. Groen, Leiden 1995. 146 blz. f 27,50.

Opnieuw een deeltje in de serie Praktisch en Pastoraal. Op een eenvoudige, praktische en pastorale manier wordt geschreven over het krijgen en hebben van een kind met een lichamelijke handicap.

In het eerste hoofdstuk wordt geschreven over de mens en over solidariteit. Het tweede gaat over het gehandicapte kind in het gezin. Het derde gaat in op de zelfbeleving van de jongeren. Daarna wordt open en eerlijk geschreven over huwelijk en gezinsvorming. Het verschil met het normale leven is groot en wordt duidelijk besproken. De geschonden levensweg en het perspectief op alle dingen nieuw, vormen de geestelijke tegenhanger van het bespreken van het leven met een handicap. Het voorlaatste hoofdstuk bevat een gesprek met Erwin Hout - levensecht en aansprekend.

Het boek doet denken aan het eerder versehenen boek over kinderen met een verstandelijke handicap. Er zijn aanrakingspunten (voor een deel dezelfde auteurs). Niettemin is het een ander boek. Voor pastorale zorg aan de mensen zelf en de gezinnen waarin ze opgroeien, is dit een goede handreiking.

Dr. J. Stolk (eindred.), “Nu je op school zit”, 6-12 jaar. Deel 5 in de serie Christelijke opvoeding. Uitg. Groen, Leiden 1995. 199 blz. f 24,50.

Dit deel gaat over jonge kinderen in de schoolleeftijd. Onderwerpen die behandeld worden zijn: Het schoolkind in beeld; Het schoolkind in zijn omgeving; Op weg in Gods grote wereld; Op school: samen leren; Op school meer dan leren alleen; Het gezin: ‘Een kerkje in de kerk’; Vrije tijd, gave en opgave.

Het boek is praktisch opgezet. Telkens worden er voorbeelden gegeven, ontleend aan gezin en schoolleven. Het boek bevat informatie en biedt praktische hulp in moeilijke gezins- en schoolsituaties. Uit alle hoofdstukken blijkt dat er mensen aan het woord zijn, die de praktijk van het schoolleven kennen. Dit is een waardevol deel in de serie.

Ouders met kinderen in de leeftijd van 6-12 jaar kunnen er veel aan hebben.

Ouderlingen die deze ouders moeten begeleiden, evenzeer!

Dr. W.J. Ouweneel, Het Koninkrijk Gods en de Staat. Uitg. Marnix van St. Aldegondestichting, Wetenschappelijk studiecentrum van de RPF. Nunspeet 1995. 93 blz. f 13,90. De auteur is afkomstig uit de Vergadering der gelovigen. Reeds eerder heeft hij een bijdrage geleverd aan een publicatie van de Marnix-stichting, namelijk nr. 15: Vreemdelingschap en politiek - Christenen en politieke verantwoordelijkheid. Nu levert hij een bijdrage die geheel van zijn eigen hand is. Het gaat hem om de plaatsbepaling van de staat in het licht van de Bijbel. Men kan overeenkomst opmerken met het boek van mr. Rouvoet, Reformatorische staatsvisie (nr. 11 in de serie). Er is echter een groot verschil. Prof. Ouweneel neemt zijn uitgangspunt in de reformatorische wijsbegeerte, in het spoor van Troosts interpretatie van Dooyeweerd.

Dan komen de bekende verwijten van de scholastische achtergrond van de twee-rijkenleer naar voren, de afwijzing van de term theologische ethiek, van het onderscheid algemene en bijzondere openbaring.

Het bevreemdt mij dat de Marnix-stichting voor dit geschrift verantwoordelijkheid heeft genomen. Er staan goede dingen in, maar ook tal van bijzondere opmerkingen, waarmee verschillende RPF-leden moeite zullen hebben. Ik deel de vrijmoedigheid en het vertrouwen waarmee het curatorium deze studie aanbiedt, niet. Ons blad is geen politiek orgaan.

Daarom laat ik het hierbij.

Peter Scheele, Visserslatijn. Handboek voor evangelisatie. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1995. 197 blz. f 23,90.

De auteur is werkzaam in de evangelisatie. Hij is ervan overtuigd dat het anders moet dan het tot heden gedaan is. Persoonlijke contacten die beginnen met het zich verplaatsen in de leefwereld van de ander. Niet direct getuigen, maar eerst gewoon als mens communiceren en zo belangstelling wekken.

Dit boek verdedigt een radicale heroriëntatie in het evangelisatiewerk. Het moet te doen zijn om een Jezus-fanclub. Met deze ene zin is de hedendaagse aanpak getypeerd. In het begin heeft het boek mij geboeid. Naarmate ik er verder in kwam, kreeg ik de indruk dat het een boek is met verhalen van de auteur over zijn ervaringen in het evangelisatiewerk.

De lezer kan er zeker wat uit leren. De auteur is wat eenzijdig in zijn doelgroep en in zijn benadering. Zoals op de voorkant staat: ‘Wat is dat nou? Ik heb er een gevangen’. Zo zou het de lezers kunnen vergaan met bepaalde gedachten en adviezen uit dit boek. De auteur onderstreept dat wie zelf niet door het Evangelie is gegrepen, niet in dienst van het Evangelie kan staan!

Nico T. Bakker, Weerklank als wanklank. Levenswoorden uit de Psalmen. Uitg. Kok, Kampen 1995. 84 blz. f 14,90.

De auteur is hoogleraar dogmatiek aan de Universiteit van Amsterdam.

Deze overwegingen heeft hij uitgesproken voor de Hervormde gemeente van Amsterdam-Zuid. De volgende psalmen komen aan de orde: 96, 115, 77, 73, 19, 86 en 104.

Soms wordt men getroffen door een verrassende verwoording of een opvallende belichting.

De auteur wijst op de nood, de moeite en het geloof van de dichters. Dat de weerklank overheersend een wanklank is, komt me wat vreemd voor. De wanklank is in de psalmen te horen. De weerklank van Gods verbondstrouw klinkt in het zich vasthouden aan God.

Een wat geforeeerde titel, die in de uitwerking tot nadenken en tot kritisch tegenspel dringt.

Wim E. Westerman, Een eenvoudige godsdienst? De Islam in Nederlandse leermiddelen. Uitg. Kok, Kampen 1994. 94 blz. f 17,90.

Dit boek is onderdeel van een Europees project. Hoe komt de islam voor in Nederlandse leermiddelen? Vooroordelen, misverstanden en stereotiepe fouten wijst de schrijver aan. Hij corrigeert en spoort aan tot een faire weergave en een integer woordgebruik. Er is achterin een uitgebreide literatuurlijst opgenomen.

Peter Pawlowsky, Het Christendom. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1995. 98 blz. f 19,95. Aan de binnenkant lees ik: Het geloof in de mensgeworden God. Een joodse sekte wordt een wereldgodsdienst. Een godsdienst waarvan de geschiedenis ook de geschiedenis van de crises en idealen van Europa is. Hiermee is het wezenlijke over het boek gezegd. Jezus heeft Zichzelf niet als de Messias beschouwd. De discipelen hebben Hern tot Christus gemaakt. Van het hoofdstuk ‘Politiek en theologen’, gaat de schrijver zo maar over op de 19e eeuw. Deze sprang is veel te groot. Het woord fragmentarisch is voor dit boek zelfs te veel eer. Natuurlijk kan men er wel iets uit leren. Het verbond en het belijden van de Kerk ontbreekt.

Drs. R. Maris, drs. J.W. Dollekamp, Verantwoordelijk Bestuur. De (re)organisatie van het binnenlands bestuur in reformatorisch-politiek perspectief. f 12,90;

Dr. R. Kuiper, Vreemdelingen- en minderhedenbeleid, Marnix-commentaar nr. 1, f 7,90. Uitg. Marnix van St. Aldegondestichting, Wetenschappelijk studiecentrum van de RPF, Nunspeet.

Beide boekjes komen van de Marnix-stichting. Ze bieden bezinning op de thema’s.

Het eerste pleit voor decentralisatie en geeft een uitgebreid overzicht van de verschillende bestuursvormen en -lagen.

Het tweede bepleit het recht (niet slechts de gunst) van asielzoekers om opgenomen te worden, zij het dat wel aan de strikte voorwaarden van de wet moot worden voldaan.

A.W. Musschenga, De mens die je bent. Over identiteit. Uitg. Kok Agora, Kampen 1995. 101 blz.

Door hoogleraren van verschillende vakgebieden wordt over identiteit geschreven: prof. Van Tilburg schrijft vanuit de psychiatrie; prof. Tennekes vanuit de culturele antropologie; prof. Woldring vanuit de politieke filosofie.

Prof. Musschenga schrijft de inleiding en de uitleiding. Sommige auteurs beperken zich tot het weergeven van de meningen van anderen. De hoofdstukken zijn niet populair geschreven. Ze vragen enige kennis van zaken.

Mink van Rijsdijk, Nog wel en niet meer. Voor en over ouderen. Uitg. Kok, Kampen 1995. 92 blz. f 17,90.

De schrijfster is bekend om haar artikelen en boeken over oudere mensen. Nu publiceert ze gesprekken, die ze met ouderen heeft gevoerd. Het gaat over mensen die zich door de ouderdom beperkt weten, terwijl anderen van minder mogelijkheden toch nog wat maken. Er zijn enkele bekende figuren onder de gesprekspartners. We lezen niet veel over het geloof van deze mensen.

Ds. J. Kranenburg, Waagstukken. Een bundel preken. Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen 1995. 107 blz. f 18,90.

Het is een waagstuk om je gebundelde preken de titel Waagstukken mee te geven. Iedere lezer heeft bij zo’n titel zijn eigen gedachten. Ik moet eerlijk zeggen dat ik deze titel niet zo karakteristiek vind voor de inhoud. Of er zou mee bedoeld moeten zijn: de manier van preken die de auteur hier gebruikt, is (in het enkelvoud) een waagstuk.

De auteur heeft een heel eigen manier van preken. Hij tekent het leven van de hoorders en zet de tekst verhalend en toelichtend daar middenin. Soms kiest hij de omgekeerde volgorde.

Dat geeft aan de preken een grote mate van actualiteit en betrokkenheid naar de lezers toe. In zekere zin past hij het verhaal van de Bijbel in het verhaal van zijn hoorders in, en omgekeerd. De preken vertonen het tegendeel van de klassieke preektrant. Niettemin vindt men er intrigrerende opmerkingen in vanuit of over de tekst. Vanuit de gereformeerde homiletiek (predikkunde) zou ik de titel in het enkelvoud willen gebruiken. De methode is een waagstuk. Zelf zou ik duidelijker willen uitgaan van de bijbeltekst.

Ds. G. van den Brink. Mattheüs. Deel III (Hoofdstuk 21: 1-17 - 28: 16-20). Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1995. 182 blz. f 25,–.

Ds. Van den Brink bespreekt in de rubriek ‘Bijbeluitleg’ van de EO de nieuwtestamentische boeken. Elke week een perikoop. Hier vindt men de laatste hoofdstukken van Mattheüs. Daaraan zijn zesentwintig uitzendingen gewijd.

Ds. Van den Brink gaat rustig, weloverwogen en met kennis van zaken te werk. Het is een genot deze commentaar per perikoop te lezen. Praktisch en op de man af.

Gé Speelman e.a., Ik ben een christen en mijn partner is moslim. De praktijk van interreligieuze huwelijken. Verhalen en vragen. Uitg. Kok, Kampen 1995. 140 blz. f 29,90.

In dit boek komen mensen aan het woord, op wie de titel van toepassing is. Zij zelf vertellen hun verhaal en geven antwoord op vragen. Een groot probleem is zo’n huwelijk, ook al wil men elkaars godsdienst respecteren.

Ik ben verrast door de openhartigheid, maar ook door de zware problemen die zo’n huwelijk meebrengt. Het boek is zeer informatief. Wie als ambtsdrager met dit vraagstuk te maken krijgt, moet dit boek gelezen hebben.

Het trof mij dat (op een uitzondering na) geen van de vele medewerkenden zegt: Begin er niet aan.

H.R. Juch, Geloven van huis uit. Over geloofsopvoeding. Serie Bij-tijds Pastoraat. Uitg. Kok, Kampen 1996. 90 blz. f 19,90.

Een nieuw deel in deze groeiende serie. Dr. Juch is docent catechetiek en geloofsopvoeding in Kampen (Oudestraat). Hij is met het onderwerp vertrouwd. Hij kent en bespreekt problemen van de geloofsopvoeding.

Hij ziet ouders vooral als bruggenbouwers tussen geloofszaken, geloofsbeleving en het dagelijkse leven. Een niet onbelangrijke stelling. Hiernaast komen aan de orde: Rituelen en Symbolen, Verhalen verteilen en Leren bidden.

Wat mij als vraag is bijgebleven, is dit: Wat is de inhoud van ons geloof? Moet iedere ouder dat maar op eigen wijze invullen? Over het hoe worden waardevolle dingen gezegd. Ik dacht dat het wat niet mag ontbreken. Heeft de redactie op dit punt niet een leidinggevende taak? Hoe verder de serie vordert, hoe dringender deze vraag wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.