+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

41.

In het twistgesprek van Apollyon met de Pelgrim gaat het om de dienst des Heeren. De eerste beweert dat het niet recht en redelijk is hem af te vallen en terug te keren tot de dienst van God. Maar voor de tweede staat het onomstotelijk vast, zodat het door hem krachtig verdedigd en duidelijk bewezen wordt, dat het ten volle recht en redelijk is de Heere te dienen en in Zijn wegen te wandelen. Vanuit het Woord des Geestes is het mogelijk klaarheid te bekomen in de wezenlijke aard der dingen. Wie afgaat op bepaalde klanken of leeft bij wat godsdienstige termen, ziet het niet in wat recht en redelijk is. Zijn denken mist uit kracht daarvan de nodige diepgang, zodat hij in zijn geestelijk en godsdienstig leven geen voortgang bekomt. De Pelgrim had door genade verstand met Goddelijk licht bestraald, een helder inzicht om het kostelijke van het snode te onderscheiden. Het was dan ook zijn aard niet iemand achterna te redeneren. Laat het de bede van ons hart zijn, dat de Heere de ogen van ons verstand opene tot verkrijging van inzicht in hetgeen recht en redelijk is, omstaande te blijven tegenover al de ketterijen van Apollyon.

Hoor hem redeneren: „Er is geen koning die zijn onderdanen zo gemakkelijk zou willen verliezen; en zo gemakkelijk ontsla ik u ook niet. Daar gij u echter over mijn dienst beklaagd hebt en over het loon, dat ik u gaf, hebt gij slechts terug te keren. Al wat mijn land oplevert zal ik u geven, dat beloof ik u”. Apollyon wil de Pelgrim weer terug hebben in zijn dienst. En dat zou wel gekund hebben zo de man was blijven hinken op twee gedachten. En dat doen de oprechte reizigers naar Sion niet. Hoor maar: „Maar ik heb mij verbonden aan een andere Meester, aan de Koning der koningen. Hoe kan ik dan vrijheid vinden om tot u weder te keren?”

Laat ons toch letten op die innerlijke overgave en verbinding aan de Heere om met beslistheid des harten in Zijn wegen te wandelen en staande te blijven tegenover de Verderver. De Heere verbindt Zich aan ons met de prediking en verzegeling van het Evangelie en daarin hebben wij de verbinding van ons hart aan Hem biddende te zoeken.

„Gij hebt gehandeld”, maar dan naar het oordeel van Apollyon, overeenkomstig het spreekwoord: Van kwaad tot erger vervallen. Maar reeds zijn er velen van degenen, die zich Zijn dienaren noemden, na een poos teruggekeerd, omdat zij aan mijn dienst de voorkeur gaven. Doe gij desgelijks, dan is alles in orde”.

Inderdaad! Mensen die met berekening de stad Verderf kwamen te verlaten, hebben de vernieuwing des harten niet gezocht en zijn vroeg of laat weer teruggekeerd. Maar zo staat de zaak niet bij de oprechten.„Ik heb”, zo spreekt de Pelgrim„,Hem mijn woord verpand en Hem trouw gezworen. Hoe kan ik Hem dan nu verlaten? Ik zou als een verrader worden opgehangen”.

Vanuit het smaken van de liefde Gods in zijn hart, sprak deze strijdbare held tot de Heere: „Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere mijn sterkte”. En dat is hem nu zeer profijtelijk in de vallei der Vernedering.

„Maar dat hebt gij mij ook aangedaan toen gij mij kwam te verlaten bij uw vluchten uit de stad van uw geboorte, en toch ben ik bereid alles te vergeven, als gij nu nog wilt terugkeren.”

Zeker, wij hebben het bij het eten van de verboden boom in Adam beloofd de Vorst der duisternis te zullen dienen, door te vertrouwen op zijn bedriegelijke redenering. En terecht zegt de Pelgrim: „Wat ik u beloofde, deed ik als minderjarige”. Daarom heeft het zijnerzijds niet de minste rechtsgeldigheid”. Rechtsgeldigheid heeft dat eten in Adam alleen tegenover de Heere.„En ik vertrouw, dat de Vorst, onder wiens banier ik nu sta, machtig is mij van die smet te reinigen, en mij kwijt te schelden wat ik tegen Hem misdeed onder uw heerschappij. En daarenboven, o gij verwoestende Apollyon, om u de waarheid te zeggen, ik heb Zijn dienst lief en het loon, dat Hij geeft. Zijn dienaren. Zijn bestuur. Zijn land en Zijn volk. Houd daarom op met uw pogingen om mij te overreden weder te keren; ik ben Zijn dienstknecht. Hem slechts wil ik volgen”.

Kom, laten wij jn afhankelijkheid van de dierbare werkingen van de Heilige Geest de onberouwelijke keus van ons hart uitspreken tegenover de Heere tot Zijn verheerlijking, tegenover Apollyon tot zijn beschaming en tot veroordeling van zonde en ongeloof.

Met deze innige verbinding aan de Heere kwam hij kinderlijk op Hem te vertrouwen, om zijn smader op dit smalend woord straks te antwoorden.„Gij moet eens kalm overleggen wat u zal ontmoeten op de weg, die gij hebt gekozen. Gij weet, dat voor het grootste gedeelte Zijn dienaren tot een slecht einde zijn gekomen, omdat zij tegen mij en mijn wetten hebben overtreden. Hoeveel van hun zijn een smadelijke dood gestorven! En hoewel gij beweert dat Zijn dienst beter is dan de mijne, is Hij toch nimmer gekomen van de plaats waar Hij Zich bevindt, om iemand die Hem diende, uit mijn macht te verlossen. En de gehele wereld kan getuigen, hoe menigmmaal ik door geweld of list mijn getrouwen, die door Hem of de Zijnen gevangen waren genomen, uit Zijn handen heb bevrijd. En zo wil ik u nu ook bevrijden!”

Satan heeft er vermaak in het vuur van beproeving zo heet mogelijk te maken, maar hij verstaat het niet, dat het leven der genade er door tot wasdom komt, waarin de oprechten zich verheugen. Met klaarheid spreekt de Pelgrim van de zegen, die is in de beproeving van het geloof. Daar hij geleerd heeft goed van de Heere te denken, weet hij zijn smader te antwoorden: „Als Hij nog wacht met hen te verlossen, dan is dit om hun liefde te beproeven of zij ten einde toe zich aan Hem zullen vastklemmen. En wat het ongelukkig einde betreft, waartoe zij geraken, zoals gij beweert, dat is in hun schatting enkel heerlijkheid. Zij rekenen hier niet veel op verlossing, maar zij zien met verlangen uit naar hogere luister. En deze zal hun te beurt vallen als de Koning komen zal en Zijn heilige engelen met Hem”. Eerst is de Pelgrim aangevallen in zijn komst tot de staat der genade, alsof het niet recht en redelijk was te komen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen. Daarna zocht de vijand hem bang te maken voor de beproevingen van het geloof. Maar dat lukte hem ook niet, want de Pelgrim behoort niet tot het geslacht der vreesachtigen.

En toch moet deze trouwe reiziger naar Sion aan het wankelen en twijfelen gebracht worden, opdat het ongeloof in hem de overhand zou kunnen bekomen. Vandaar dat hij nu wordt aangevallen in het standelijke leven.

En hoe zal dat nu gaan?

„Gij zijt reeds ontrouw geweest in het nakomen van de verplichtingen jegens Hem, en hoe denkt gij dan nog loon te zullen ontvangen?” Een geweldige beschuldiging. Want die ontrouw bevonden wordt, derft de eeuwige zaligheid.„Waarin o Apollyon, ben ik ontrouw geweest? Ge hebt deze beschuldiging waar te maken”.„Wel heel eenvoudig: Reeds aan het begin van uw reis hebt ge u lafhartig gedragen, toen ge bijna verzonken waart in de poel Moedeloosheid. Gij zijt zijpaden ingeslagen, om van uw last bevrijd te worden, in plaats van te wachten tot uw Meester hem van uw schouders zou nemen. Gij hebt u aan een zondige slaap overgegeven en zo het teken van uw verkiezing verloren. Op het gezicht der leeuwen zijt gij uit angst bijna teruggekeerd. En wanneer gij spreekt van uw reis, van hetgeen gij hebt gezien en gehoord, zijt gij vol zucht naar eer bij de mensen”.

Zie, de vijand let op het innerlijke en standelijke leven van de reizigers naar Sion. Hij weet dat de zonde ons aankleeft. En luister nu eens hoe de Pelgrim daarop antwoordt: „Dit is alles waarheid en gij had nog veel meer kunnen opnoemen, maar de Vorst welke ik dien en eer, is genadig en bereid mij te vergeven. Maar boven dit alles, deze zwakheden waren mij reeds eigen toen ik nog in uw land woonde, want daar heb ik ze letterlijk ingezogen. Ik heb er onder gezucht en getreurd, maar mijn Koning heeft mij vergiffenis geschonken”.

Bij de Pelgrim weerspiegelt de staat der genade zich in de stand van zijn genadeleven. Het nieuwe leven zucht en treurt vanwege het verderf der zonde, dat ons aankleeft, en snakt naar Gods vergevende liefde in Christus. Wordt u door de verklager der broederen tot zwijgen gebracht, dan is dat een geweldige terugslag voor het geestelijke leven. Bij het zwijgen voor het aangezicht des Heeren staat de zaak geheel anders. Maar dan ook neemt de Heere het op voor Zijn boetvaardig volk. Doch de Heere zeide tot satan: De Heere schelde u, gij satan, ja de Heere schelde u. Die Jeruzalem verkiest; Is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.