+ Meer informatie

DE SCHAT DER KERK

8 minuten leestijd

4

Wet en Evangelie.

De kerk heeft een rijke opdracht van de Heere ontvangen. Het onfeilbare Woord van God moet gepredikt worden. Het bevel klinkt: „Predikt het Woord”.

Wat hebben we nu onder het Woord te verstaan? Het antwoord moet zijn: wet en evangelie. Deze moeten ook vormen de inhoud van de prediking. Wet en evangelie moeten dus gebracht worden. Wie ze van elkander scheidt, kweekt mensen, die óf alleen sidderen, beven voor God en geen stap verder komen, óf er komen mensen, die gaan geloven in onze goede Heer en roemen in God zonder Geesteswerk. Deze twee groepen zien we op het kerkelijke erf.

Ook mag de volgorde niet gewijzigd worden door te spreken van evangelie en wet. Verschuiving is er ook ten deze merkbaar. Men stelt dan, dat men niet door de prediking der wet, maar op Golgotha zijn zonden leert kennen. Dat wil zeggen, als men gaat verstaan, wat Christus voor ons geleden heeft. Als men dit weet, dan pas wordt men van schuld overtuigd. De Bijbelse volgorde is echter niet evangelie en wet, maar wet en evangelie. We willen dit nu nader gaan motiveren. Laten we daartoe de Bijbel opslaan. Wat was nu het eerste werk van God? Scheppen. En wat is er met de schepping gegeven? De wet. In Romeinen 2 : 15 lezen we zelfs, dat de heidenen de wet geschreven hebben in hun harten. Die door God gegeven wet is verbroken. De straf op de wetsovertreding blijkt. Die straf is er nog. Het „ten dage als ge daarvan eet, zult gij de dood sterven” geldt vandaag nog. De ziel, die gezondigd heeft, zal sterven.

Maar, zou wellicht iemand willen opmerken, in het paradijs klonk toch het evangelie? Inderdaad. Het „Ik zal vijandschap zetten” moet ook vandaag gepredikt worden. Maar ook het eerste. Dus wet en evangelie. Dit is de wil van God. Ook na de wetgeving. Ook na het lijden en sterven van Christus. De wet gaat voorop. Paulus schrijft in de Romeinenbrief: door de wet is de kennis der zonde en „ja, ik kende de zonde niet dan door de wet”. Niet het evangelie is dekenbron van de zonde, maar de wet. De Godsopenbaring begint ook niet met Bethlehem, of Golgotha, ook niet met Genesis 3 : 15, maar met Genesis 1.

Het gaat om de verhouding Schepper-schepsel. God is mijn Schepper en die Schepper is mijn Rechter geworden in het paradijs. Ik ben een verloren zondaar, die in zichzelf aangemerkt voor God nimmer kan bestaan. Onze God, zegt Paulus, is een verterend vuur. Exodus 20 kan ons ten deze veel leren. Met donderen en bliksem en rook schiep God in het hart van de Israëliet het besef van de afstand tussen Hem en hen, zodat het ganse volk „afweek en van verre stond”.

Zo verwekte God het besef van de noodzakelijkheid van en de behoefte aan de Middelaar in en door Wie men alleen met God kan verkeren. Maar nu zou de vraag kunnen rijzen: Is dit nu niet een bepaald systeem, wat met de werkelijkheid in strijd komt? Want waar moet ik dan heen met onze Dordtse Leerregels? Immers daar lees ik toch, dat de belofte van het evangelie alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd worden en voorgesteld moet worden met bevel van geloof en bekering?

Dit brengt ons als vanzelf bij deze vraag: Voor wie is het evangelie? Dit is geen moei lijke vraag. Wat we onder het evangelie moeten verstaan is duidelijk. Het is de blijde boodschap van Gods genade en vergeving voor zondaren in Christus Jezus. Dus een boodschap voor zondaren. Dit behoeft niet nader gedefinieerd te worden. We hebben zoéven een citaat gehoord uit de Dordtse Leerregels. Over de woorden „zonder onderscheid” mogen we niet heenlezen. De belofte van het evangelie, ergo het evangelie, is voor een ieder, tot wie het evangelie komt. Dit evangelie is voor een ieder „welgemeend”. Vandaar dat we ook lezen: „Zovelen als er door het evangelie geroepen worden, worden ernstiglijk geroepen”.

Niemand wordt uitgesloten. Niemand behoeft de vraag te stellen: Is het evangelie, de belofte van het evangelie wel voor mij? God roept dus de mens in Zijn evangelie tot Zijn heil. God biedt hem in het evangelie de zaligheid aan in Zijn Zoon Jezus Christus.

Wanneer de apostel Paulus te Antiochië is, zegt hij: Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving der zonden verkondigd wordt; en dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

En in de brief aan de gemeente van Corinthe schrijft hij: Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christuswege, laat u met God verzoenen. Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem”.

Voor de poorten van Jeruzalem zien we een wenende Jezus staan, belijdend: Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kiekens, doch gij hebt niet gewild”. En tot de Joden sprak Hij: „Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben”. De steden van Judea en Galilea moest Hij het evangelie van het Koninkrijk prediken, want, zo sprak Hij, daartoe ben Ik gezonden. Dus het evangelie komt tot allen. Ook tot de kinderen. De belofteprediking komt ook tot hen. Zondag 27 van de Heid. Cat. houdt ons de vraag voor: Zal men ook de jonge kinderen dopen? Het antwoord luidt: Ja het, want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn en dat hun door Christus’bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dande volwassenen toegezegd wordt”. Nog één citaat willen we u laten lezen, en wel van Comrie. In zijn catechismusverklaring schrijft hij: De gehele zaligheid, die God schenkt aan ons I arme zondaren, die niets anders dan de hel en de verdoemenis waardig zijn en die niets anders hebben of doen kunnen om die zaligheid te verkrijgen, wordt een gave genoemd, die God ons in het evangelie voorstelt, aanbiedt en schenkt uit vrije genade”. Het evangelie komt dus tot allen, die er onder leven en het horen. Jezus gaf voor Zijn heengaan aan Zijn discipelen ook de opdracht: „Gaat henen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen”.

Die opdracht geldt heden nog. Maar als het dan zo staat, mogen we dan wel spreken van wet en evangelie? Moet het dan niet zijn: alleen evangelie?

Wie het evangelie predikt kan dit nimmer doen los van de wet. Het evangelie onderstelt juist de wet, gelijk genade zonde veronderstelt. Wat kan het evangelie ons zeggen, als het niet verschijnt tegen de achtergrond van de wet? God is onze Schepper. Gepredikt moet worden en wel in Gods naam, dat de verhouding Schepper-schepsel geschonden is. Wij hebben de band verbroken, die ons aan God verbond. God blijft echter staan waar Hij stond, en handhaaft Zijn recht. Hij blijft ons binden aan de door Hem in Zijn goedheid gegeven levenswet. Is God nu in het handhaven van Zijn eis niet onrechtvaardig? Neen, want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven van de duivel en door de moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd. Zondag 4 Heid. Cat. God eist. De wet eist volmaakte gehoorzaamheid. Daartoe kan en wil de mens nimmer komen. Wetsvervulling is een onmogelijkheid. Door de werken der wet kan ook niemand gerechtvaardigd worden. Zalig worden is aan ’s mensen kant totaal een onmogelijkheid. Nu komt de Heere met Zijn heil, met de belofte van het evangelie, die Jezus Christus en Zijn werk tot inhoud heeft. Die belofte mag en moet ons werkzaam maken. We moeten smeken om de Heilige Geest, zodat die belofte waarde voor ons krijgt. Dit laatste is werkelijkheid als we door de Heilige Geest ontdekt zijn geworden aan onze schuld en zonde en wij door diezelfde Geest heilbegerig gemaakt zijn. Dan pas zullen we op Christus zien en tot Hem komen in waarheid.

Een synodeuitspraak luidt: „De Heere Jezus kan nimmer noodzakelijk noch dierbaar zijn, tenzij de zondaar eerst door de Heilige Geest overtuigd zij van zijn doemwaardigheid en onmacht. Niemand zal ook tot de Heere Jezus willen komen dan die alvorens van zijn ellendige staat in zichzelf overtuigd zij, zonder dat wij hierdoor de vrijheid van de werkingen des Heiligen Geestes beperken, maar alleen degewone wijze Zijner werking opgeven, inopzicht tot maat en trap van overtuiging”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.