+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

127

De Heiligmaking (3)

Eigenlijk hadden we onze les over de „heiligmaking” beëindigd. Maar nu kregen we een brief van een oude lezeres van 80 jaar van ons blad, waarin zij schreef, dat zij al jaren ons blad met veel genoegen las. En nu vroeg zij of we nog eens wilden schrijven over de „wedergeboorte”, waarover zij veel strijd heeft.

Nu, dat behoort dus wel nog tot de les over de heiligmaking. Want het beginsel van de heiligmaking legt Gods Geest in het hart bij de wedergeboorte. We zouden kunnen zeggen, dat de wedergeboorte in de vrucht, dit is de heiligmaking, openbaar wordt.

We willen nu op die van „bekommernis” gewagende brief terugkomen.

Deze oude zuster, die Hervormd Gereformeerd is, schrijft, dat zij op 22-jarige leeftijd veranderd is. Ondanks het feit, dat zij Godzalige ouders heeft gehad, leefde zij in de wereld. Door welke omstandigheden, op welke wijze zij toen veranderd is, schrijft zij niet. Maar dit is niet het voornaamste, althans bij hen, bij wie de verandering zaligmakend werd des Geestes is.

Want alle „verandering” is nog geen „vernieuwing”, gelijk „overtuiging” op zichzelf ook niet altijd tot „overbuiging” leidt. Daarom blijft zelf-onderzoek zo noodzakelijk en profijtelijk. En over dit punt nu tobt onze lezeres. Zij schrijft: „als het dan geen waar werk is, dan sta ik er geheel buiten, want beschouwende kennis doet zo veel en dan word ik zo benauwd en bid of de Heere het wil geven als ik dan verkeerd ben. (Zij bedoelt dus: als ik mij bedrogen zou hebben). Want nu ben ik 80 jaar en de dood staat elk ogenblik voor de deur. Heb vaak een tekst, die in mij komt, maar durf het niet te geloven, dat is alleen voor Gods volk, dus ben nog arm aan alles. O die grote eeuwigheid, dat zal wat wezen en dan voel ik zo grote schuld, die nog niet is verzoend. Dat weet ik zeker en dat moet hier toch gekend wezen.” Tot zover onze briefschrijfster.

Gaarne willen we trachten enig antwoord erop te geven. Er zullen onder onze lezers en lezeressen wel meer van die „tobbers” zijn over hun staat voor de eeuwigheid. En nu kunnen wij ze er niet uithelpen, maar de Heere mocht licht over hun zorgen ten deze geven. Hebt ü, lezer (es) met deze dingen al te doen gekregen en de Heere mogen aanlopen als een waterstroom? Want inderdaad, de dood wenkt ieder uur. En we behoeven heus niet oud te zijn geworden om te sterven. Inmiddels hebt u er al van gelezen, dat hier in onze plaats zondag 5 november één der predikanten van de Ger. Kerken, Ds. Hartholt, op 54-jarige leeftijd, binnen een enkel uur uit het midden van zijn gezin en gemeente werd weggenomen door de dood. Na 6 weken ziekenverlof te hebben gehad, mocht de verscheiden predikant weer voor het eerst de kansel die zondag betreden. Na drie kwartier werd hij onwel en moest hij „amen” zeggen. Naar het ziekenhuis gebracht, is hij bij aankomst overleden. Opmerkelijk was het, dat zijn tekst was over Pred. 12: „Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker: het is al ijdelheid.”

Wat hebben er de laatste tijd veel plotselinge sterfgevallen plaats. „Waar zult gij zijn in d’eeuwigheid?” Met die levensvraag mochten we recht te doen krijgen om voor- en toebereid te worden voor de ontzaglijke eeuwigheid!

Onze oude zuster van die brief sprak van haar „verandering” toen zij 22 jaar was. Maar nu zit ze met de vraag, die hierop neerkomt: is dit wel waar werk des Heeren geweest of beschouwende kennis? Ja, die vraag is te verstaan. Want beschouwende kennis kan zeer ver gaan, zonder ware genade. En daar is de oprecht ontdekte ziel nu zo bang voor. ’t Is ook nodig, dat de Heere Zijn eigen werk weer eens komt te bevestigen: „Zeg Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil.”

Nu kennen wij de briefschrijfster persoonlijk niet. Maar de Heere kent haar wel We hadden het zo even over het feit, dat alle „verandering” nog geen „vernieuwing” is. Wanneer is dit wél zo? Wanneer zulk een verandering, onder welke omstandigheden ook, gepaard gaat met ootmoedig schuldbesef en verbrokenheid des harten, met het „onwaardigheidsbesef” als van die hoofdman, die de boodschap tot Christus liet brengen: Heere, neem de moeite niet, want ik ben het niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.”

Zulk een onwaardige in zichzelf smeekt om „genade”. Die wordt het om de HEERE te doen, om Hem te kennen en te vrezen, om in een verzoende betrekking met Hem te komen. Die gaan „hongeren en dorsten” naar de Heere, naar Zijn heil! Zij krijgen ook een hartelijke af keer van alle zonde en van al wat de Heere niet behaagt, maar ook een innige lust om de Heere te vrezen. Zij mogen wel eens echt met hun hart zingen: „och, mocht ik in die heilige gebouwen, de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog, Zijn liefelijkheid en schone dienst aanschouwen. Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog.”

Ja, zij krijgen ook wel eens „een tekst” van de Heere. En nu zit onze oude zuster ook met deze vraag: maar dat is voor Gods volk! Dit is verklaarbaar, want men durft zich zo maar niet bij Gods volk te rekenen. Maar wat nu het krijgen van teksten betreft, dienen we wel zuiver te onderscheiden. Want velen, die een z.g. „invallende” waarheid krijgen. Wie altijd onder de waarheid verkeerd heeft, kent veel teksten uit de Bijbel. En wat is bij dezulken ook het geval? Wel, krijgt men een waarheid, dan maakt men zélf de toepassing ervan, dat deze tekst van God is. Kijk, dat is zelf-misleiding, door zó hiervan een grond te maken voor hun zaligheid. Wanneer en hoe is ’t, dat een „tekst” krijgen” wél Gods werk is tot bemoediging en versterking? Wel, wanneer zulk een tekst een antwoord is precies op de omstandigheden of zielsgesteldheid passend. Voorts, dat er kracht van uit gaat, gelijk de dichter van psalm 119: 65 zingt: gelijk een licht het donker op doet klaren” en vs. 84 (ber.) „Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door Zijne smaak èn hart èn zinnen strelen.”

En ook, dat zulk een Woord Gods diep verootmoedigt en aan de Heere verbindt!

Om nu nog even op de wedergeboorte te wijzen, hebben we dus opgemerkt, dat deze zich in zaligmakende eigenschappen openbaart, zoals droefheid naar God, honger en dorst naar de Heere, afkeer van de zonde en van de wereld en een hartelijke lust om de Heere te vrezen. Maar nu kan men hierover bestreden worden: is het wel waar werk Gods geweest? En weet u, wat de bekommerde ziel over zijn staat dan vaak doet? Zijn staat opmaken, wanneer zij in het donker zit. En dan ziet men niets dan armoede, schuld en alles wat hen veroordeelt. Wat is echter de weg om tot zekerheid te komen? Daartoe is onderwijs nodig in die enige grond der zaligheid, welke alleen in Christus en in Zijn volkomen borgwerk ligt. En krijgt men dan licht des Geestes hierover, ja, de toepassing van Christus’ dierbaar bloed in zijn ziel, dan gaat men eerst alle gronden verliezen buiten die enige grond der zaligheid. Dan kan men als ’t ware geen kenmerken meer vinden, zó arm, zó ontledigd, dat men niets overhoudt dan alleen schuld en veroordeling. Zo leert men, dat „vijanden” met God verzoend worden. Dàt wordt zulk een eeuwig wonder! Mag dan de bekommerde vanwege zijn zonden de Heere de weg voorschrijven: en als ik dat niet heb doorleefd en dit niet, dan kan ik ’t niet geloven. O neen, de Heere laat Zich nooit de weg voorhouden. Hij doet alles naar Zijn wijsheid en welbehagen. Het beste plaatsje is, als een weet-niet en onwaardige in de bedelaarsgestalte te verkeren met de bede:


„Heer’, ai, maak mij Uwe wegen
Door Uw Woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen
En waarheen G’ Uw treden wendt.”


De Heere brenge onze oude zuster tot die klaarheid en vastheid, ja, allen, die „hun ziel bij ’t leven niet kunnen houden”. „In Uw licht zien wij het licht.”


Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.