+ Meer informatie

De Diaconale kaarten op tafel

15 minuten leestijd

De Diaconale kaarten op tafel

Er wordt in onze tijd heel veel diakonaal werk gedaan. Vele diakonale aktivi-teiten worden ontplooid. Dat is zeer verheugend. Het diakonaat is onder ons een volop levende zaak geworden. Er is voorlichting en instruering allerwegen. Ook is de theologische bezinning op deze dienst van Christus kerk gaande. En toch!

Er zijn bepaalde vragen, waarop we telkens weer in onze diakonale werkzaamheden stuiten, die we tot nog toe onbeantwoord lieten, of waarop we zeer vaag een antwoord formuleerden. Doch deze vaagheid en dit onbeantwoord-laten werken ondergronds remmend op onze diakonia. Ze weerhouden de blije en vrije en volle ontplooiing van het diakonaal élan. Praktisch doen we wel het één en het ander, doen we met deze en gene aktie mee, maar of het helemaal verantwoord is, dat en zoals we het doen? We zijn daar niet uit! Dat geeft een zeker beklemd diakonaal gevoel.

We zullen trachten deze remmende en beklemmende vragen op te sporen.

Het zijn er o.i. een vijftal.

I. Allereerst is er de vraag naar de bijbelse struktuur van het diakonaat.

Wat is naar de gegevens van de Heilige Schrift het wezen van het diakenambt? Wat is de schriftuurlijke opdracht van de diaken? Welke plaats en welke taak heeft hij, naar de wil van zijn Zender, in zijn gemeente en in zijn koninkrijk te vervullen?

Wie zich op deze problematiek bezint, merkt dat hij staat temidden van een wirwar van meningen en wegen. Hij ontdekt tegelijk, dat er een eigenaardige en tevens boeiende ontwikkeling gaande is ten aanzien van de omschrijving van het speciale van het diakonaat.1) Het is een ontwikkeling, waarin een viertal fasen zijn aan te wijzen. In het begin van de 20e eeuw stelde men het algemeen zo, dat het diakonaat niets anders was dan christelijke of kerkelijke armenzorg. Deze visie vinden we bij dr. H. Bouwman 2), prof. B. Biesterveld, dr. L. van Lonkhuyzen en ds. R. J. W. Rudolph 3). Iets van deze besprekingen van het diakonaat tot de armenzorg vinden we ook nog bij dr. A. Kuyper 4). H Hoekstra, N. A. de Gaay Fortman en W. van den Bergh 5), hoewel hier het besef gaat doorbreken, dat het diakonaat niet alléén armenzorg omvat, doch méér heeft te zijn dan hulp aan de armen. Er ontstond in de twintiger jaren een boeiende discussie over deze kwestie van het „alleen” of „meer” 6). Als gevolg van deze discussie kwam men tot een andere omschrijving van het diakonaat. Ze is, zo stelde men, de dienst der barmhartigheid aan alle behoeftigen. Deze visie markeert de tweede fase. Onder de behoeftigen werden gerekend: armen, zieken, invaliden, zenuwlijders, alcoholisten, sociaal-onaangepasten enz. Zo zagen dr. K. Dijk 7) en dr. S. U. Zuidema 8) het. Maar ook hier is het niet bij gebleven. Als er nu voor allerlei behoeftigen goede stichtingen en tehuizen van hulpverlening zijn ontstaan en als de overheid de helpende hand overal houdt toegestoken, wat blijft er dan over voor de diaken? Het is dezelfde dr. K. Dijk, die toen schreef: „Om het concreet te zeggen: de barmhartigheids-dienst heeft niet voor ieders dagelijks brood te zorgen, ook niet in elk gezin hulp te bieden, allerminst het sociale werk in z’n brede omvang aan te pakken, maar alleen daar waar nood en gebrek is, en geen enkele regeling of wetgeving voldoende hulp biedt, reddend op te treden …” 9). Diakonaat werd: helpen. waar geen helper is. De vierde fase wordt vertegenwoordigd door dr. F. H. von Meyenfeldt, die op grond van Hand. 6 tot de conclusie komt, dat de diakenen zich als taak zien toegewezen het componeren en integreren van de gemeenschap der heiligen 10).

Zo tracht men op allerlei manieren het diakonaat te vullen.

Veel wordt er geopereerd vanuit Hand. 6. Doch de vraag is gewettigd: Vinden we hier de instelling van het diakenambt en de bepaling van het diakonale werk? Zijn de „zeven mannen” de eerste diakenen geweest? Wat moet verstaan worden onder de dagelijkse bediening”, vs. I en onder de „bediening der tafelen”, vs. 2? Vanwege de exegetische onzekerheid ten aanzien van deze zaken in Hand. 6, moet men zeer voorzichtig zijn om van uit dit hoofdstuk de struktuur van het diakonaat te bepalen.

De laatste tijd wordt er veel gedacht vanuit de eenheid der ambten. Dat is te waarderen. Oorspronkelijk is er het ene ambt der apostelen geweest, in wie alle kerkelijke diensten verenigd waren. Later, zo stelt men, is er een funktiever-deling gekomen. Doch welke funktie(s) kreeg dan de diaken en welke is de aard van zijn dienst?

Nog niet geheel uitgewerkt is het denken over het wezen van het diakonaat vanuit het schema geestelijk-stoffelijk. De diaken heeft te maken met de stoffelijke, materiële kant van het leven en trad op bij stoffelijke, alleen maar financiële nood. Kent de bijbel echter deze scheiding of stelt zij ons bestaan in zijn totaliteit?

Aldus ligt de eerste diakonale kaart op tafel.

Wat is het wezenlijke van het diakonaat volgens het Woord Gods?” 11)

2. Ten tweede is er de vraag naar de grenzen van de opdracht, die in het bijzondere ambt van diaken ligt besloten.

Hier raken we aan een zeer moeilijke kwestie, die direkt zijn uitlopers heeft in de praktijk van ons diakonale werk en het gemeentelijk leven. Heeft de diaken

We verwijzen ook naar, wat we schreven onder „Boekbespreking” over de dissertatie van dr. J. C. van Dongen: „Vervreemdingen Dienst”, Den Haag 1964 in: „Tussentijds Contact” (een blad, dat binnenkort zal worden toegezonden aan alle contributanten van ons „Bezinnings- en ontmoetingscentrum voor belangstellenden in de Chr. Geref. Kerken bij het Maatschappelijk Werk”). als bijzondere ambtsdrager in Christus” Kerk te fungeren alleen binnen de eigen gemeente of ook buiten haar?

Deze vraagstelling heeft zich o.a. toegespitst bij het ontstaan van allerlei stichtingen voor gezinszorg, bejaardenzorg en maatschappelijk werk in specifieke zin. Door wie moesten deze stichtingen worden opgericht, geleid en beheert? Praktisch is het hier op neergekomen, dat de diakenen dit deden. Zij vormden het bestuur. De diakonie draagt jaarlijks een bepaald bedrag af tot dekking van de gemaakte, al dan niet administratieve, kosten!

Is dit juist? Hier en daar wordt toegegeven, dat het een noodoplossing is. Maar omdat de kerkleden hier nalatig of onmachtig waren, is de diaken bijge-sprongen. Doch wordt hiermee de aktiviteit der gewone leden niet ondermijnd en neemt zo de dikonie geen taken op zich, waartoe ze niet geroepen is?

Het schort ons aan een juiste visie op de positie en funktie van de diaken én van het gemeentelid. In de gereformeerde theologie is nog veel te weinig gedaan aan de opbouw van een schriftuurlijke kononiek (d.i. de leer van de beoefening van de gemeenschap en van de vervulling der aktiviteiten in en door de gemeente) en laïek (d.i. de leer van de positie en funktie van het algemeen ambt der gelovigen.12).

Staat de diaken in dienst van de algemene diakonia der gemeente, of heeft hij deze diakonia te instrueren en te aktiveren krachtens zijn ambtelijke, speciale opdracht? Waar liggen de grenzen van de diakonia van de gemeente en de diakonia van de diakenen? Raken zij elkaar en waar liggen de raakpunten? Welke is de aard van deze raakpunten? Is een overlappen van beide diakonia, zoals in de moderne opvattingen over het apostolaat merkbaar wordt, verantwoord? Het is noodzakelijk in deze problematiek wat helderheid te scheppen.

Moeten we de weg van Kuyper volgen, die stelt, dat de gelovigen in hun qualiteit van leden der geïnstitueerde kerken eigen funktiën hebben uit te oefenen, soms zelfs tegenover het ambt in engeren zin. Hij onderscheidt dan ook heel scherp de terreinen van de diakoniek en van de laiek, die hij indeelt in institutaire laïek (welke bestudeert de taak, die de gelovigen hebben in het instituut der kerk en onder leiding der bijzondere ambten) en de organische laïek (welke bestudeert het optreden der gelovigen uit particulier initiatief). Onder deze organische laïek laat Kuyper dan vallen de kerstening van het huiselijke en van het sociale leven, zoals de zorg voor christelijke scholen, de op- en uitbouw van de christelijke verenigingen en organisaties. 13) Naar zijn visie heeft dus de diaken als bijzondere ambtsdrager alleen een taak binnen de grenzen van de eigen gemeente. Het werk in allerlei stichtingen en verenigingen ligt op de weg van het algemeen ambt der gelovigen.

Is dit gereformeerd juist gedacht? Is dit de schriftuurlijke lijn?

Het is de tweede brandende diakonale vraag.

3. De derde zaak, die op tafel moet komen, is die van onze positie ten aanzien van het werelddiakonaat, welke samenhangt met de vraag naar de grenzen van het diakenambt.

Vooral in onze tijd worden we met dit werelddiakonaat gekonfronteerd. Dat heeft zijn eigen oorzaken.

a. De gehele wereld is opengebroken voor de belangstelling der christenheid. Afstanden zijn weggevallen. De moderne kommunikatiemedia brengen ons direkt op de hoogte van alles, wat er op de wereld gebeurt. De grote rampen, overstromingen, aardbevingen en hongersnoden worden ons bekend haast gelijktijdig met dat ze geschieden. Dit stelt ons voor wereldnoden en maakt het diakonaal besef wakker. Vandaar de opkomst van het wereld-diakonaat.

b. In oecumenisch verband begon men dan ook de vraag onder de ogen te zien: Wat hebben wij als (gezamelijke) kerken te doen? Vooral heeft de we reldraad van kerken zich op deze zaak geconcentreerd. Er ontstonden allerlei akties. Men wil de gestalte der kerken in daadwerkelijke hulp laten zien en zo ’tekenen’ van Gods rijk oprichten temidden der volken. Het is wereld- diakonaat der kerken.

c. Dit werelddiakonaat werd vervolgens gebaseerd op bepaalde theologische visies, welke in verband staan met een zeker solidariteitsbeginsel, met een eigen apostolaatstheologie en een brede ambtsopvatting. Ook poneert men, dat de kerken niet alleen en liefst niet allereerst met het Woord moeten uit gaan tot een wereld in nood. Want dan kan ze er van tevoren van verzekerd zijn, dat haar zending mislukt. Ze heeft vooral en allereerst te komen tot en op te treden in de wereld met de daad. Zo ging men kerkelijk de onder ontwikkelde gebieden steunen in het opvoeren van hun levensstandaard. Dat is dan prediking met de daad, verricht door de kerken in ambtelijk-diakona- le bewogenheid. En men drukte op deze akties een officieel kerkelijk etiket en dekte dit alles met de naam wereld diakonaat.

Onze G.S. van Haarlem-Santpoort 1962 heeft zich met deze materie bezig gehouden. Ze zette het kerkelijk verkeerslicht op rood. Haar overwegingen daartoe waren: dat het niet op de weg der kerken als zodanig ligt los van de prediking des Woords hulp te verlenen aan volken in onderontwikkelde gebieden of in bijzondere noden. De H. Schrift en de confessies kennen geen werelddiakonaat van de kerk. In de oekumenische beweging, waar men een andere visie heeft op de plaats en de taak der kerk in de wereled, spreekt men op onverantwoorde wijze over een kerkelijk werelddiakonaat. De taak om te helpen op wereldniveau ligt niet in het vlak der kerken en der ambten als zodanig, niet in de opdracht der bijzondere ambten besloten, maar is plicht der gemeenteleden. De diakenen hebben wel tot taak hiertoe hen aan te sporen en op te wekken. Zij moeten adviseren, waarvoor men geven zal en aan welke organisaties het ingezamelde geld het best kan worden overgemaakt. Zo gezien, gaat men aan de nood der wereld niet voorbij, maar legt men die op het hart der broeders en zusters van de gemeente. Hier ligt geen kerkelijke, ambtelijke taak, doch een algemeen christelijke plicht. Aldus onze laatste G.S. 14).

Opnieuw werd deze problematiek aan de orde gesteld op de P.S. van het Noorden dit voorjaar, toen er een instruktie van de classis Zwolle op tafel lag, die luidde: Gelet op de maatschappelijke nood van het zendingsterrein van onze kerken, wordt verzocht de instruktie Deputaten Alg. Diakonale en Maatschappelijke Aangelegenheden uit te breiden door aan dit deputaatschap diakonaat van over de grenzen op te dragen; en later de verzorging van het ziekenhuis in Vendaland en het aanstellen van een maatschappelijk werkster aldaar.16).

Door deze instruktie stond de problematiek van het werelddiakonaat weer levensgroot voor ons. Het vraagstuk werd zelfs nog verscherpt, doordat he werd gesteld binnen de grenzen van eigen kerkelijke zending, zodat de kwestie werd; Wat is de verhouding tussen zending en wereld-diakonaat? Men zou ook de zaak aan de orde kunnen stellen vanuit de hulpakties voor de kerken aangesloten bij de I.C.C.C., waardoor de probleemstelling zou worden: Hoe moet de relatie zijn tussen oekumenische samenwerking en diakonale hulpverlening? Nu blijkt, dat de instruktie van Zwolle op de P.S. werd teruggenomen. Er wordt niet vermeld, vanwegen welke motieven. Doch het heeft ons even met een brandende kwestie gekonfronteerd.16).

M.a.w.: de eerste en zeer voorzichtige richtlijnen van de G.S. van 1962 laten nog allerlei vragen open en onze derde diakonale kaart op tafel liggen.

4. Vervolgend stellen we de vraag aan de orde naar de verhouding van de diaken tot de gemeenteleden, waar we reeds onder 2 over gesproken hebben, doch wat nog nader bezien moet worden.

Het behoeft geen breed betoog, dat de gelovigen geroepen zijn tot diakonia. De Here en Koning der Kerk roept al de zijnen tot getuigen en dienen. Het N.T. kent dan ook een diakonia in zeer ruime zin, welke geldt als grondwet voor heel het volk van het koninkrijk, in al haar geledingen en funkties. Dit is het diakenschap der gelovigen.17).

Wat is nu de taak van de bijzondere ambtsdrager, de diaken, ten aanzien van deze diakonia der gelovigen?

In het algemeen spreekt men over: aktiveren, begeleiden en instrueren. De diaken moet de gemeente diakonaal-minded maken en houden, hij moet gemeenteleden in verschillende takken van het christelijk dienstbetoon inzetten en adviseren in gevallen, waar de leden geen weg mee weten.

Dit is natuurlijk allemaal prachtig gesteld, doch het blijft wat te algemeen. Hoe moet dit alles praktisch en verantwoord uitgewerkt worden? Welke belemmeringen, beperkingen en tegelijk welke mogelijkheden liggen hier in de konkrete situatie van ons kerkelijk leven? Welke plaats heeft de diaken hier bijv. in te ruimen voor de zuster der gemeente?

Dringt deze vierde vraag ons niet tot nader onderzoek van de gegevens van het N.T., vooral in de pastorale brieven, met het oog op de handelwijze der apostelen en evangelisten in dezen?

5. De laatste kwestie, die we aansnijden, hangt onmiddellijk met het voorgaande samen en vloeit er als vanzelf uit voort, nl. hoe moet de samenwerking zijn tussen de diakenen en de taxeis in de gemeente?

Wie het dienen in het N.T. onderzoekt, ontdekt het feit, dat het N.T. in de gemeente van Christus groepen van gemeenteleden kent, die bepaalde gaven hebben ontvangen om geschikt te zijn tot bepaalde diensten. In I Cor. 12 wordt gezegd, dat er een grote verscheidenheid van charismata is en een daaruit voortvloeiende en daarmee overeenkomende verscheidenheid van diensten 18).

Van Stempvoort noemt deze groepen taxeis en zegt, dat de diensten van deze taxeis funktioneel van aard zijn.

Er zijn mensen, die een goede aanleg en geschiktheid bezitten om een bestuurlijke funktie te vervullen, anderen hebben administratieve gaven ontvangen en weer anderen kunnen heel goed met mensen omgaan enz.

Dit zijn krachten, die de diakenen kunnen inzetten in de velerlei takken van diakonale werkzaamheden, die zich vandaag voordoen. Doch dan moeten deze taxeis door de diakenen onderkend, verder ontwikkeld en benut. Maar hoe moet dat gebeuren? En als de taxeis worden ingezet, waar ligt dan de verantwoordelijkheid voor het werk, dat gedaan wordt? Heeft de diaken alleen maar een toeziende taak? Moet hij slechts optreden als geldschieter om de diensten der taxeis financieel mogelijk te maken?

Hoe moet de samenwerking genormeerd en gemarkeerd worden?

Dat is de laatste diakonale kaart, die we op tafel haalden.

Een vraag, die niet minder belangrijk is dan de vorige!

Natuurlijk is het gemakkelijker vragen te stellen, dan problemen op te lossen. Doch o.i. moeten eerst de vragen worden gesteld en gekend, willen we aan de antwoorden beginnen.

Het eerste … de vragen stellen … was de bedoeling van dit artikel. Aan ons allen de taak om over de antwoorden na te denken.

1) Zie: Canon Gestorum Scriptura, 17e Jg. no. 3, dec. 1964, blz. 2, 3 en 6, waar we deze ontwikkeling uitvoerig getekend hebben.

2) „Het ambt der diakenen”, Kampen 1907, blz. 14.

3) „Het Diaconaat”, Hilversum, 1907, vooral blz. 223-225.

4) „Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid”, A’dam, 1894, Dl. III, blz 535 v.v.

5) „Olie in de wonden”, Kampen, 1929, o.a. blz. 32.

6) Zie: ds. J. C. Rullmann in „Diaconaal Handboek”, R’dam, 1929, blz. 55 v.v.

7) „De dienst der Kerk” Kampen, 1952, blz. 232, 236.

8) „Diaconaal Correspondentieblad”, nov. 1951.

9) a.w. blz. 237.

10) „De diaken als componist der gemeenschap”, Den Haag, 1955, blz. 33 v.v., 58.

11) Over deze problematiek handelt ook het nog maar pas verschenen boek van P. Philippe: „Christozentrische Diakonie”, Stuttgart 1963, die op een boeiende wijze vanuit het „Christus ereignis” wil komen tot een „theologische Grund-legung der Diakonie”.

12) Dr. A. Kuyper moest in 1894 toegeven, dat de laicale vakken bijna geheel verwaarloosd zijn, a.w. blz. 482, en nog is er op dit gebied niet veel vordering gemaakt.

13) a.w. blz. 545 v.v.

14) Zie Acta G.S. 1962 Haarlem-Santpoort blz. 53 en 204 ev.

15) Zie: De Wekker, 74e Jg. no. 30. 21 mei 1965. blz. 243.

16) Zie: De Wekker, 74e Jg. no. 33, 11 juni 1965, blz. 267.

17) Vgl. dr. J. van Klinken: Kerk en Gezinsmaatschappelijk werk, Gron. 1961, blz. 105 v.v. en: Kerkblad voor het Noorden der Chr. Geref. Kerken, 12e Jg. no. 40, 4 okt. 1963.

18) Vgl. dr. P. A. van Stempvoort: Eenheid en Schisma in de gemeente van Korinthe volgens I Korinthiërs, Nijkerk 1950, blz. 95 v.v.; dr. J. van Klinken. a.w. blz. 106 v.v. en dr F. W. Grosheide: I Korinthe, 2e dr. Kampen 1954, blz. 151.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.