+ Meer informatie

DE ONSTERFELIJKE ZIEL – BIJBELSE TAAL?

8 minuten leestijd

DE VRAAG

Het woord ‘ziel’ wordt buiten de kerk nauwelijks meer gebruikt. Hoogstens nog in de uitdrukking ‘met hart en ziel’, of hij liep met zijn ziel onder de arm’. In de kerk echter wel, en dat komt omdat het woord in de Bijbel vaak voorkomt. Daarom duiden we het pastoraat ook wel aan met het woord ‘zielzorg’. Ooit hoorde ik iemand zeggen: ‘Denk erom, huisbezoek is zielenbezoek’. Het komt voor dat iemand in het gebed vraagt om het heil ‘van onze onsterfelijke zielen’.

Nu is het begrip ‘ziel’ niet iets wat we alleen in de Bijbel tegenkomen. De oude Grieken gebruikten het ook. Ze zagen het zo, dat de ziel bij het sterven het lichaam verlaat en naar de onderwereld gaat om daar, zonder een eigen persoonlijkheid te bezitten, voort te bestaan.

De filosoof Plato (427-347) ging verder en bracht de idee van de onsterfelijkheid van de ziel naar voren. De ziel heeft een goddelijk vóórbestaan, Als gevolg van haar verkeerde begeerte werd zij in het lichaam geplaatst. Dat lichaam functioneert als kerker voor de ziel: het is een straf om als ziel in een sterfelijk lichaam te moeten verkeren. Maar de mens is in staat om zich op eigen kracht uit deze gevangenis te bevrijden. Hij moet zich boven de zinnelijke wereld verheffen. Dan zal de ziel, het onsterfelijke bestanddeel in de mens, gelukkig zijn in haar voortbestaan.

De vraag is nu: hoe moeten wij de uitdrukking ‘onsterfelijke ziel’ in ons geestelijk spraakgebruik taxeren? Zijn we teveel door Plato beïnvloed? Of moeten we het anders zien?

WAT ZEGT DE BIJBEL OVER DE ZIEL?

Wanneer wij Gods Woord raadplegen op het punt van het spreken over de ziel, blijkt dat een complex begrip te zijn. Het betekent lang niet overal hetzelfde. We zullen dus altijd goed naar het verband moeten kijken waarin het woord gebruikt wordt.

Het Oude Testament gebruikt het woord nèfesj. Als snel komen we het woord tegen: bij de schepping van de mens. We lezen in Genesis 2:7 (SV): ‘En de HEERE God had de mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel’ (nèfesj) – andere vertalingen hebben: ‘een levend wezen’.

We zien hier een zeker onderscheid tussen het lichaam dat nog ‘onbezield’ was (door God geformeerd) en de levensadem of het leven zelf. Overigens wordt ook van de dieren gezegd dat het levende ‘zielen’ (wezens) zijn (Gen. 1:21). Alleen bij de mens wordt gezegd dat er een afzonderlijke handeling van God aan te pas kwam om hem een ‘levende ziel’ te maken.

Zo wordt het woord vaak gebruikt: niet om een apart, geestelijk bestanddeel in de mens aan te duiden, maar als aanduiding van de totale mens als levend wezen; het geheel van zijn persoonlijkheid.

Maar er zijn nuanceringen. In de Psalmen met name duiden de woorden ‘mijn ziel’ op de zetel van innerlijke gevoelens. Denk alleen maar aan de bekende woorden uit Psalm 42: ‘Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?’ Er kunnen gevoelens van verdriet, maar ook van vreugde of verlangen zijn die de ziel vervullen. Je zou kunnen zeggen: ‘ziel’ is hier de sensitieve kant van de menselijke persoonlijkheid.

In het Nieuwe Testament lopen deze lijnen grotendeels door. Toch is er ook een voortgang in de openbaring. Het NT bevat enkele plaatsen die sterker dan in het OT het onderscheid (niet scheiding) tussen lichaam en ziel laten zien. Te denken valt aan Matth. 10:28, waar de Here Jezus tegenover de dreiging van vervolging voor zijn discipelen zegt: ‘En vreest u niet voor hen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem Die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hei’. Blijkbaar is het mogelijk dat het lichaam van een christen gedood wordt, maar dat de ziel voor de aanslagen van de vijanden onbereikbaar is.

In Openb. 6 komen we dat ook op een bepaalde manier tegen. We lezen daar over de zielen van de martelaren onder het altaar in de hemel (vers 9). Ze smeken de heilige en waarachtige Heerser om recht te doen op aarde. Ze zijn er dus met hun volle bewustzijn bij betrokken. Het opstandingslichaam hebben zij nog niet – dat wacht nog tot de dag van Christus’ wederkomst. Wèl zijn zij bekleed met lange, witte klederen (vers 11).

Aparte aandacht vraagt nog 1 Thess. 5:23: ‘… en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Here Jezus Christus’.

Moeten we hier een soort driedeling van de mens in zien: geest, ziel en lichaam? Dan zouden we er teveel in lezen. Het gaat hier om de totale mens naar verschillende zijden. In het geheel van de Schrift worden ziel en geest nogal eens door elkaar gebruikt. We zouden er hooguit een bepaald accent in kunnen zien: de geest meer als aanduiding van het denken, de ziel meer als omschrijving van de gevoelens. Maar die beïnvloeden elkaar wederzijds.

ONSTERFELIJKHEID

Kunnen we nu spreken over ‘de onsterfelijke ziel’? Het hangt er maar vanaf welke inkleuring we aan deze woorden geven. Ook daarin willen we ons laten leiden door Gods Woord.

In 1 Tim. 6:16 wordt van de Here gezegd: ‘Die alleen onsterfelijkheid heeft’. Hij bezit die. Van eeuwigheid tot eeuwigheid is Hij God (zie Psalm 90:2). Hij is ‘onverderfelijk’ (1 Tim. 1:17). Hij heeft het leven in Zichzelf (Joh. 5:26). Een ander heeft het Hem niet gegeven en ook kan niemand het Hem ooit ontnemen.

God is dus in Zijn onsterfelijkheid volstrekt uniek.

Dat is voor ons mensen heel anders. Wij zijn niet van eeuwigheid – we hadden niet voor ons leven een soort vóórbestaan en ons bestaan loopt ook niet automatisch door. We zijn op een bepaald moment tot aanzijn geroepen.

Maar kunnen we niet zeggen dat Adam en Eva voor de zondeval onsterfelijk waren? Het komt eropaan om hier zorgvuldig te formuleren. Het eerste mensenpaar zou niet sterven, wanneer zij gehoorzaam bleven aan Gods gebod. Er was dus een voorwaarde aan verbunden. Het leven was nog verliesbaar.

En we weten: de zondeval is werkelijkheid geworden. Daardoor is de dood gaan heersen (Gen. 2:17, Rom. 5:12, 6:23). Dat betekent: de levensgemeenschap met God is verbroken. Die scheur is doorgetrokken in alle verhoudingen, ook in het lichaam èn de ziel van de mens – zie bijvoorbeeld Ef. 2:1. Niet voor niets spreken we wel over de lichamelijke, de geestelijke en de eeuwige dood.

Maar nu moeten we wel voor een misverstand op onze hoede zijn. Dood zijn betekent in de Bijbel niet: er niet meer zijn, vernietigd zijn. Integendeel: het is straks een van beiden: eeuwig leven of eeuwige pijn (Matt. 25:46; zie ook het artikel Eeuwig verloren?! in AC van mei 2010).

Er is maar één manier om aan de dood ontheven te worden: door het geloof in Jezus Christus. Hij heeft de dood teniet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie – en dat woord ‘onverderfelijkheid’ nadert hier de betekenis van ‘onsterfelijkheid’. Wie in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven (Joh. 3:36). Dan is er dus geen sprake van een aangeboren, maar van een verleende onsterfelijkheid.

Dat is het grote verschil met de visie van Plato: hij paste de onsterfelijkheid toe op de mens in het algemeen. In de Schrift is onsterfelijkheid alleen van toepassing op God èn in een bepaalde zin op hen die in Christus geloven. Nog een verschil is, dat bij Plato de onsterfelijkheid een eindeloos voortbestaan van de ziel is. In de Bijbel gaat het om de eeuwige gelukzaligheid van allen die in Christus zijn.

Bovendien komt dat laatste nooit in mindering op de redding van het lichaam. Dat lichaam is namelijk niet een kerker waaruit de ziel moet worden bevrijd, maar een tempel van de Heilige Geest. Ook het lichaam van Gods kinderen wordt eens aan de dood ontheven: ik geloof de wederopstanding van het vlees!

Het sterven is voor de christen weliswaar een doorgang naar het leven bij de Heere (antwoord 42 HC), maar tegelijk een onnatuurlijke, tijdelijke scheiding van ziel en lichaam. Aan dat trieste gevolg van de zondeval ontkomt ook Gods kind niet (behoudens de uitzondering genoemd in 1 Cor. 15:51 en 52). Daarom houdt antwoord 57 HC het ook heel dicht bij elkaar: ‘Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden’. Ziel en lichaam horen onlosmakelijk (!) bij elkaar. Zo heeft God het bedoeld en zo gaat het weer worden: mensen die in hun totaliteit de Here volmaakt zullen dienen.

DE WAARDE VAN DE MENSELIJKE ZIEL

Is het onjuist om te spreken over ‘zielen winnen voor het Lam? Mag er niet meer gebeden worden voor het heil ‘van onze onsterfelijke zielen’? Dat behoeft niet verkeerd te zijn. We proeven er de bewogenheid in met het eeuwig wel of wee van mensen.

Wèl zullen we ons moeten hoeden voor een onbijbelse onderwaardering van het lichaam, alsof het slechts gaat om ‘de ziel’. De Here maakt complete mensen zalig, met ziel en lichaam – zie vraag en antwoord 1 HC.

Maar juist in een lichaamscultuur blijft het woord van William Booth van belang: ‘Vergeet uw ziel niet!’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.