+ Meer informatie

ALEXANDER COMRIE

3 minuten leestijd

(IIl.)

Vervolg van het verhaal in „The Catholic Presbyterian." „Natuurlijk werd dit verzoek direct toegestaan en voor het avondeten ging de boer met Comrie naar het huis van zijn landheer, Arnold de Sterke, aan wien, samen met Cornelius van Schellingerwoude, het grootste gedeelte van het dorp enkele jaren geleden door aankoop was overgegaan. Deze beide heren hadden zich verheugd in de geestelijke opleving onder hun pachters. In het gezin van van Schellingerwoude waren zes van zijn acht kinderen tot volle ruimte gekomen. Onze boer was er van overtuigd, dat zij door zijn landheer vriendelijk ontvangen zouden worden. De Sterke luisterde inderdaad met belangstelling naar het verhaal van de boer, wendde zich tenslotte tot de vreemdeling en spoedig waren zij in een diep gesprek gewikkeld over de toestand van de kerk in Schotland; het werk, dat de vreemdeling in Amsterdam deed; zijn vroegere studie aan de Latijnse school en zijn plannen voor de toekomst. „Zo'n oprechte jongen moet dominee worden", dacht De Sterke. En toen Comrie zijn vurige verlangen te kennen gaf de Heere in Zijn kerk te willen dienen, bestelde De Sterke plotseling zijn rijtuig en deelde de boer mede, dat hij met de jonge Schot naar Woerden zou rijden. Op die plaats stond toentertijd Ds Antonius Taree, een neef van De Sterke. Met deze predikant besprak De Sterke de mogelijkheid Comrie naar de universiteit te zenden. Spoedig waren Ds Taree en De Sterke het met elkander eens en verklaarden zich bereid Comrie te willen helpen."

Tot zover het verhaal, iets verkort, zoals dr Kuyper dat geschreven heeft in „The Catholic Presbyterian, " Januari aflevering, 1882. Dr Honig, die in 1892 promoveerde op een proefschrift over Comrie, toont in zijn werk aan, dat het bovengenoemde verhaal niet waar kan zijn en grotendeels op fantasie moet berusten. Vast staat echter, dat Comrie, na zijn komst in Holland zich eerst enige tijd op de handel heeft toegelegd. Zelf schrijft Comrie in een van zijn „Leerredenen", dat hij op zee in groot gevaar geweest is, maar gelukkig nog behouden gebleven is. In elk geval is Comrie door koopman v. d. Willigen, Ds Taree en van Schellingerwoude in staat gesteld aan de universiteit te gaan studeren. Doch zijn aankomst te Woubrugge na die schipbreuk en zijn overnachten op die boerderij, is, volgens prof. Honig, fantasie.

8 September 1729 werd Comrie te Groningen ingeschreven als student in de Godgeleerdheid. Zijn voornaamste leermeesters waren hier Prof. Driessen en Prof. v. Velzen.

Met Prof. Driessen stond Comrie op zeer vertrouwelijke voet. In zijn „Catechismus" zegt Comrie: „Ik heb dat klaar gezien in een professor (Driessen) onder wie ik studeerde; by hem zijnde in zijn zielsangsten, waardoor hy in de dieptens en als in de onderste helle (hier nog op aarde zijnde) lag en als een worm kroop roepende: „O, God, is er een weg van ontkoming, maak hem mij bekend." Over zijn studententijd te Groningen schrijft Comrie niet veel. In 1733 ging Comrie van Groningen naar de universiteit te Leiden, waar hij 5 October 1734 promoveerde tot doctor in de Filosofie.

Kort daarop deed Comrie examen voor de classis, waarop hij met algemene stemmen toegelaten werd tot de volle bediening des Woords. Door Woubrugge werd hij beroepen, welk beroep door hem ook werd aangenomen. 1 Mei 1735 werd Comrie in de morgendienst bevestigd door Ds Holtius met de woorden uit Joh. 3 : 14, 15; des middags deed Comrie zijn intrede, waarbij hij predikte uit Zach. 6 : 15.

Eindelijk had de zwerver thans rust en vrede gevonden en was zijn vurigste wens, herder te zijn in de gemeente van Jezus Christus, in vervulling gegaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.