+ Meer informatie

Uitzonderlijke sneeuwval op 11 april 1978

2 minuten leestijd

Wie kent niet de weerspreuk: „Aprilletje zoet, geeft nog wel eens een witte hoed?" Een aardige variant daarop is: „April doet wat hij wil", maar beide spreuken geven aan dat het weer in april grillig kan zijn. Een frappant voorbeeld is 1978: na een aantal lenteachtige dagen toch nog zeer veel sneeuw op 10 en 11 april.

De weerspreuk „maartse buien doen beduien dat de zomer aan komt kruien" geeft aan dat het verlangen naar zomers weer in de lente niet alleen iets van de tegenwoordige tijd is, maar ook in vroeger tijd -weliswaar vaak met andere motieven- al aanwezig was. De geschiedenis leert ons echter dat lenteweer in maart of april vaak door zeer koud weer wordt gevolgd.

Vroege lente
Ook in 1978 leek de lente vroeg in te zetten, met vooral de eerste dagen van april lenteachtig en zonnig weer. De wind draaide echter naar het noordoosten, en daarmee maakte de lente plaats voor het zo bekende "april-weertype": droog, schraal en koud. Toen er vanaf 8 april zich een depressie boven Noorwegen ontwikkelde, kregen de koude luchtmassa's vanuit de Poolstreken gelegenheid naar Nederland te stromen.

Koude bovenlucht
Een voorwaarde voor neerslag in de vorm van sneeuw is een zeer koude bovenlucht. Op zo'n 5 km hoogte heerste in de ochtend van 10 april een temperatuur van maar liefst 35 graden onder het vriespunt. En dat deze lucht extreem koud was bleek ook wel uit de temperaturen die in Engeland op normale waarnemingshoogte werden gemeten. Op veel plaatsen lag de temperatuur rond -5 graden, en dat is een zeldzaamheid. Wie een blik op het weerkaartje van die dag zou werpen, zou tot de conclusie komen dat er maar liefst drie storingen in de naaste omgeving van Nederland lagen. Deze depressies (maar storingen is in dit geval een beter woord) hebben de neerslag enorm geactiveerd, met name in het westen en noorden van het land. Op het kaartje is te zien hoe het sneeuwdek was aangegroeid in de ochtend van 11 april. En dan te bedenken dat de winters van 1988 tot en met 1993 (met uitzonderingvan 1991) nauwelijks sneeuw van betekenis hebben opgeleverd.

Langdurig
Opvallend was ook dat de sneeuwval zeer langdurig was, zeker voor een lentemaand. Op sommige plaatsen sneeuwde het bijna 15 uren achtereen. Buisman spreekt in zijn boek "Bar en boos" dan ook terecht over een onvergetelijke sneeuwdag. Ongeveer een jaar later was het op Eerste Paasdag 24 graden, en op Tweede Paasdag nauwelijks 6 graden. Weer een bewijs dat lenteweer niet altijd de eerste stap naar de zomer is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.