+ Meer informatie

Prozaïst en dichter.

5 minuten leestijd

Het jaar na zijn bekering, in 1823, grijpt Da Costa krijgshaftig naar de pen.

„Dan, dan grrjpe ik naar mijn luit, als de krijgsman naar zijn degen, daag den sterken Eeuwgeest uit en betwiste hem de zegen."

Isaac da Costa (1798—1860)

Ja, het ging tegen de Eeuwgeest. Het pamflet, dat verschijnt, is zeer bekend geworden. Het heet „Bezwaren tegen den Geest der Eeuw" en heeft als motto: „De Satan zelve verandert zich in een Engel des Lichts." Na honderd jaar werd het opnieuw uitgegeven door J. C. Rullmann (1923).

Het geschrift is een levensprogramma, vóór alle dingen kerk en godsdienst rakend. Over alles velt de vurige schrijver zijn oordeel en het vonnis is verpletterend. Het gaat tegen het optimisme van de vooruitgang, tegen de liberale verdraagzaamheid, tegen de godsdienstige verlichting. En de grondtoon is: Terug naar de aloude Dordtse leer.

In tien punten wordt zijn program ontvouwd: godsdienst, zedelijkheid, verdraagzaamheid en menselijkheid, schone kuntsen, wetenschappen, constitutie, geboorte, publieke opinie, onderwijs en tenslotte vrijheid en verlichting.

In het hoofdstuk „schone kunsten" schrijft hij o.m.: „Men brengt geen waren dichter ooit tot zwijgen; veel min behoeft hij de aanmoediging van het volk om de aandoeningen te gevoelen, die hem doen zingen, of om ze in hemelse melodieën over te storten in harten, die dichterlijk bewerktuigd zijn.

Waar zijn de schilderstukken, die ons boven de dagen van Raphaël, van Guido Reni, van Da Vinei, van Rubens, van Van Dijck moeten verheffen? Waar zijn onze Michel Angelo's, of waar de kerkgebouwen, de paleizen, de gedenkstukken, waarmede wij bij het nageslacht de roem van onze bouwkunst zullen vestigen, gelijk die van het voorgeslacht bij ons gevestigd is?

En geen wonder! men heeft den Geest van God (dien zelfs den Heidenen, als de enige oorzaak van alle kunstvervoering en verheffing erkenden, wanneer zij uitriepen: „Daar is een God in ons! zie daar ons kunstvermogen!") van alles uitgesloten, overal verbannen. Het Evangelie bezielde Raphaël en Rubens, de Franse omwentelingsgeest den Jacobijn David."

Bij „Constitutie" tekent hij aan:

„Maar wij Nederlanders! laten wij, wier erfgrond de Heere zo zichtbaar, van de eerste dagen der Hervorming af, heeft begenadigd, laten wij dankbaar zijn, laten wij wijzer zijn! Onze vrijheid zij de Evangelische, niet de filosofische! Eerbiedigen wij onzen Vorst, niet alsof zijn macht van ons, maar omdat zij van den Hemel is! Aan de Constitutie, die hij ons heeft gegeven, zijn wij, als aan een van den Souverein uitgegaan Reglement van regering, gehoorzaamheid verschuldigd."

Over „afgoderij" schrijft hij o.a.:

„Men vergoodt thans wederom, gelijk de Heidenen deden, bizondere mensen, die dom of wijs, in de ogen van de Tijdgeest genade vinden, en men pleegt eredienst voor Jenner, en eredienst voor Laurens Koster, en eredienst voor al wie meer of min, vroeg of laat, willens of onwillens, wetens of onwetens tot de zo hooggeprezene voortreffelijkheid onzer negentiende eeuw geacht worden medegewerkt te hebben."

In die tijd leefde Da Costa in Amsterdam en hield zich onledig met studeren, dichten, schrijven en het houden van de z.g.n. „Vrijdagse" voorlezingen.

In 1839 werd hij lid van het Koninklijk Nederlands Instituut, dat later in gewijzigde vorm ën onder andere naam voortleefde als „Letterkundige afdeling der Koninklijke Akademie van Wetenschappen."

Zeer was Da Costa met dit lidmaatschap ingenomen. Twee keren was hij er zelfs voorzitter. Op de vergaderingen van dat Instituut heeft hij drie zeer bekende grote gedichten van hem voorgedragen: „Vijf en twintig Jaren", „Aan Nederland in 1844" en „1648 en 1848."

„Vijf en twintig Jaren" heeft als ondertitel: Een lied in 1846.

Het begint met de bekende Voorzang:

Kan het zijn dat de lie: *, die sinds lang niet meer ruiste, die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak, weer op eens van verrukking en hemellust bruiste, en in stromende galmen het stilzwijgen brak? "

In 1840 ia het 25 jaar geleden, dat Napoleon te Waterloo werd verslagen. De dichter bezingt dit aldus:

, , 't Zijn vijf en twintig jaar! — 't Kanon van Waterloo bromt in mijn oren nog, ; als toen de vlugge Boö, met losgelaten toom van 't slagveld afgezonden, door Hollands steden rende; - en duizenden van monden herhaalden wijd en zijd d' ontzaggelijke maar: , , 't Uur, dat der volken lot beslissen moet, is daar! De honderdduizenden ontmoetten zich, en botsen. De Pruisen naad'ren en de Britten staan als rotsen. Maar de adelaar bezielt zgn benden, dol van moed. Oranje leeft, maar op de velden stroomt zijn bloed!" En straks: „Triumf! geeft lof den God der legerscharen! Hij heeft des Drijvers arm, de moedwil der Barbaren ten spot gemaakt, ontwricht. — Tot hiertoe, Aartstiran! uw kroon, uw staf, uw ster heeft uitgeschenen. Van uw ban herademt de aard. Ja, de afgod is gevallen, o stad der weelde! stad des bloeds! Ontsluit uw wallen ten tweeden male voor Euroop! Hergeef den roof, o Babel! Voor de stem der wraakvermaning doof,

ontkwaamt ge een tweede maal die wraak; houd op te [wroeten in 's mensdoms ingewand (daar komt een tijd van [boeten!) en 't zij weer vrede op een te lang geteisterde aard!'

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.