+ Meer informatie

Artikel 23: van incident naar incident

Pleidooi voor juridische toetsing van en inhoudelijke discussie over onderwijswetten

5 minuten leestijd

De recente roep om controle op het godsdienstonderwijs op islamitische scholen is het zoveelste voorbeeld van de incidentenpolitiek rond artikel 23 van de Grondwet. Nederland moet eerst eens wat anders doen, zegt mr. dr. P. W. A. Huisman: zich de geweldige voordelen van ons duale onderwijssysteem realiseren. "Het zou ook heel goed zijn als een constitutioneel hof zou toetsen wat volgens de Grondwet nu eigenlijk wel of niet mag."

"Het allergische artikel", wordt artikel 23 genoemd: zodra er gemorreld wordt of lijkt te worden aan de vrijheid van onderwijs, klinken onmiddellijk bezorgde geluiden. Daardoor is dit het enige grondwetsartikel dat sinds 1917 ongewijzigd is gebleven. Met als gevolg dat er nog van "algemeen vormend lager onderwijs" gesproken wordt, terwijl dat na 1985 basisonderwijs heette en sinds 1998 primair onderwijs genoemd wordt.

De grenzen van artikel 23 worden voortdurend -bewust of onbewust- verkend. VVD-leider Zalm opperde recent de samenstelling van een lesprogramma over waarden en normen, maar volgens onderwijsjurist Huisman, die vijf jaar promotieonderzoek naar artikel 23 deed, verhoudt zich dat niet tot de vrijheid van onderwijs. "Natuurlijk zijn er waarden en normen die algemeen aanvaard zijn, maar zodra je ze gaat verfijnen, kom je in aanvaring met de grondwettelijke vrijheden. Dan kan het gebeuren dat bepaalde liberale waarden aan minderheidsgroeperingen worden opgelegd."

Eerder dit jaar stak een storm op door uitspraken van minister Van Boxtel over de handhaving en financiering van het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. "Artikel 23 is te veel omgeven door allerlei incident en. Er wordt niet structureel gediscussieerd", verzucht Huisman. "Daardoor verdwijnen de positieve kanten van ons onderwijssysteem wel eens te veel naar de achtergrond. Meestal gaat het op bijzondere scholen gewoon goed. Dan moet je dat niet laten overschaduwen door incidenten rond enkele islamitische scholen die wat schimmige contacten zouden hebben, of rond het vermeende weigeren van allochtonen door bijzondere scholen. Dat laatste is overigens bewezen onjuist."

Constitutioneel hof

Nederland is nagenoeg het enige land ter wereld dat alle bevolkingsgroepen in staat stelt om naar eigen richting en principes een school in te richten, die vervolgens door de overheid bekostigd wordt. Nieuw-Zeeland aanvaardde recentelijk een soortgelijk systeem, terwijl in België rooms-katholieke scholen grotendeels bekostigd worden.

Dr. Huisman onderschrijft de stelling van de Onderwijsraad dat de principes van artikel 23 nog prima zijn en dat nieuwe wetten daaraan getoetst zouden moeten worden door een constitutioneel hof, zoals dat ook in de Verenigde Staten, België en Duitsland gebeurt. Die toetsing blijkt nodig, want de Nederlandse wetgever doet volgens Huisman nu soms dingen die helemaal niet kunnen. "In 1998 aanvaardde het parlement het samenwerkingsbestuur: een openbare en een bijzondere school zouden onder één bestuur mogen opereren. Een grondwetswijziging werd niet nodig geacht. Toen kwam de volgende stap: openbaar en bijzonder onderwijs onder één dak, de samenwerkingsschool, bijvoorbeeld omdat anders geen enkele school in het dorp nog levensvatbaar is. Daarvoor moest artikel 23 wél aangepast worden, dacht men. Inmiddels hebben de Tweede en Eerste Kamer die wijziging in eerste lezing aangenomen. Maar er is geen enkel principieel verschil tussen een samenwerkingsbestuur en een samenwerkingsschool. Daarom had de grondwet al in 1998 gewijzigd moeten worden. Nu is de grondwet uitgehold door een wet. Er was echter geen constitutioneel hof dat de wetgever daarop wees.

Natuurlijk kan zo'n juridische toetsing grote consequenties hebben. In de Verenigde Staten hebben uitspraken van het hooggerechtshof al meermalen tot drastische wetswijzigingen geleid. Maar voordelen zijn er ook: je doorbreekt de starheid van het grondwetsartikel en je voorkomt vreemde, partijpolitieke interpretaties van de Grondwet, zoals we die vooral tijdens de paarse kabinetten hebben zien opduiken. Bij een dergelijke toetsing zou men niet zo gemakkelijk meer van alles roepen. Dat zou de inhoudelijke discussie bevorderen."

Omgekeerde wereld

Ronduit zwak vindt Huisman de argumentatie waarmee het samenwerkingsbestuur door het Nederlandse parlement werd aanvaard: in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (bve) waren er al bestuurlijk gefuseerde instellingen (bgi's), dus moest het in het primair en het voortgezet onderwijs ook maar kunnen. "De grenzen van een grondwetsartikel worden zo aangepast aan de opinie of situatie van dat moment. Ik vind dat het andersom moet zijn: de wetgeving en de maatschappelijke werkelijkheid moeten gereguleerd worden door de Grondwet."

Huisman, die op de juridische consequenties van de samenwerkingsschool promoveerde, heeft een zwaar hoofd in de operatie. "De grondwetswijziging die nu in de maak is, is de eerste hobbel pas. Daarna moet de invulling van de samenwerkingsschool geregeld worden. Dat wordt heel moeilijk. Wie gaat er toezicht houden op het onderwijs? De gemeenteraad samen met een schoolbestuur? Dat kan behoorlijk wat wrijving geven.

Er ontstaat een raar soort schizofrenie. Aparte jaargroepen voor openbaar en bijzonder onderwijs zullen door een tekort aan leerlingen en leraren vaak niet haalbaar zijn. Dan heb je in één klas dus enerzijds neutraal onderwijs en anderzijds een principe als uitgangspunt. Dat kan niet. Selectie van leerlingen en leerkrachten mag in het openbaar onderwijs ook niet. Dus vrees ik dat er van het bijzonder onderwijs dat in een samenwerkingsschool stapt heel weinig overblijft.

Het is ook de vraag wie er nog op een wettelijke regeling van een samenwerkingsschool zit te wachten. Begin jaren negentig was er behoefte aan door de schaalvergroting en de verhoging van de opheffingsnormen. Daarvan komt men nu terug. Inmiddels studeert het ministerie op schaalverkleining, "de menselijke maat"."

Mede n.a.v. "De samenwerkingsschool", door mr. dr. P. W. A. Huisman; uitg. Elsevier, 's-Gravenhage, 2002; ISBN 90 5749 911 8; 313 blz.; 35.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.