+ Meer informatie

STERVENSBEGELEIDING

8 minuten leestijd

Het begeleiden van mensen, die terminaal zijn, is een van de moeilijkste onderdelen van het pastoraat. Het is tegelijk een heel belangrijk werk. Pastoraat wil immers zeggen dat in het bezoek en gesprek Jezus Zelf ter sprake komt. Hij komt als de Derde mee in het pastorale gesprek. Het gesprek wil naar Hem leiden en eindigen in de geloofsverbondenheid van de pastorant en de Goede Herder. Dat is geen vanzelfsprekendheid.

MIDDEL ÉN OPDRACHT

Het eigenlijke werk, dat nodig is om in vrede en overgave te kunnen sterven, doet God Zelf. De ambtsdrager is slechts een middel in de hand van de Herder. Het is groot dat wij een middel in de hand van de Herder mogen zijn. Wie is tot die taak bekwaam? De Heere geeft ons daartoe de opdracht en dat moet ons genoeg zijn om biddend werkzaam te zijn in wat Hij ons te doen geeft.

Het verschil tussen de ambtsdrager en de (bijna) stervende is niet zo groot als we wel eens denken. Wie zijn eigen sterfelijkheid niet uit de hand van de Heere heeft aanvaard, kan moeilijk meegaan met de broeder of zuster, die terminaal is. Je mag je eigen sterfelijkheid niet wegduwen. Je moet die ook weer niet nadrukkelijk benoemen, want je komt niet om verhalen over jezelf en je eigen geestelijke toestand te vertellen. Ten diepste zijn wij, ook als we nog in onze gezonde dagen mogen verkeren, een stervende met de stervenden. Ook ons einde komt een keer. Stervensbegeleiding vraagt om inlevingsvermogen, om een zich verplaatsen in de situatie van de stervende.

ENKELE VALKUILEN

Er zijn enkele valkuilen in de stervensbegeleiding, waarop we bedacht moeten zijn. Kom niet bij de ander aan met verhalen van jezelf of met die van anderen. Begin er niet over hoe anderen in een moeilijke situatie toch nog genezing vonden en dat de genezing ook mogelijk is voor hem of haar, van wie de arts duidelijk heeft gezegd dat er medisch geen vooruitzichten en mogelijkheden meer zijn. Nu hangt het wel mede af van wat voor vertrouwensband er in de loop van de tijd is opgebouwd met de pastorant. Toch moeten we ervoor waken dat het gesprek met de terminale broeder of zuster niet verzandt in het uitwisselen van allerlei nieuwtjes, tenminste wanneer de pastorant daartoe nog in staat is.

Het kan ook gespreksbelemmerend werken wanneer we proberen de ander wat op te beuren met woorden als: u hebt toch een mooi leven van de Heere gekregen. Of: u hebt een hoge leeftijd mogen bereiken (als dat tenminste het geval is).

De ander moet zich serieus genomen weten. Hij moet dat ook gevoelen en aan ons merken dat we hem of haar geheel serieus nemen. Dat geldt ook wanneer er klachten zijn. Sterven is niet gemakkelijk. De dood is een vijand. Als de dood in volle omvang en in alle rauwheid op ons afkomt, dan is dat heel bedreigend en kan het angstig maken. Daarbij komt dat er dikwijls - hoewel niet altijd - allerlei lichamelijke en psychische moeiten worden ondervonden. Dat alles heeft zijn weerslag op het geestelijke leven. Iemand zei na een heftige en diepgaande ervaring: geestelijk is het wel goed met mij, maar psychisch niet. Het psychische en het geestelijke gaan niet altijd gelijk op. We moeten daar oog voor krijgen en proberen scherp te luisteren naar wat de ander zegt, naar wat hij wil aangeven en duidelijk maken, en we dienen als het ware ook ‘tussen de regels door’ te luisteren. Er kunnen namelijk zaken onbenoemd blijven, die toch benoemd moeten worden.

HET LOS MOETEN LATEN

Het is heel wat om uitgeschakeld te raken en afhankelijk te worden; afhankelijk van eventuele apparatuur en medicijnen en van andere mensen. De onzekerheid kan groot zijn. Zeker in een tijd waarin er nog onderzoeken bezig zijn en het wachten is op uitslagen. Dat geeft spanning en onzekerheid. Staat het medisch vast dat een ziekte niet te genezen is, dan is het alsof iemand een direct bericht uit de hemel krijgt: ‘Bereid uw huis, want u zult sterven’ (Jes. 38:1).

Een van de zwaarste dingen in het proces van het op weg zijn naar het einde, naar de ontmoeting met God, is het los moeten laten van allen die ons lief zijn. We moeten de reikwijdte daarvan niet onderschatten. Ook de mensen direct om de zieke heen hebben al onze pastorale - en vanuit de gemeente ook andere - aandacht nodig. Het geven van die aandacht moet op een kiese wijze gebeuren, niet opdringerig, maar voorzichtig vragend en in concrete zaken met een aanbod van hulp. Je moet wel gemerkt hebben dat men om die hulp verlegen zit.

Er is dus, zeker in de eerste fase van het terminaal zijn, een spanning tussen de strijd en de wil om te blijven leven en de strijd om in vrede in te kunnen gaan in het Koninkrijk van God.

IS HET GOED MET MIJ?

De persoonlijke verhouding tot de Heere moet uitdrukkelijk ter sprake komen. Het mooiste is dat dit gebeurt in een echt gesprek van hart tot hart. In zo’n gesprek moeten we onszelf helemaal geven, al dienen we wel een zekere distantie te betrachten. Hoe hebben we in al de jaren, die voorbij zijn, met de Heere geleefd? Ieder mens moet er doorheen dat hij of zij gezondigd heeft. En dan gaat het niet om een algemene uitspraak. Ik ben de zondaar, ik ben de dader van mijn eigen zonden. En ik weet het. Toen ik zondigde, sloot ik op de een of andere wijze een compromis met mijn geweten en ik heb er een tijd mee geleefd en overheen geleefd en het berokkende me schade. Ik weet het. Alles kan glashelder worden. Dat kan heel erg aangrijpen en geschokt doen worden. Hoe kan dit ooit goed komen? Hoe kan ik de heilige God onder ogen komen? En ik weet: over korte tijd sta ik echt voor God. De vraag kan tijden lang klemmen: kan ik sterven? Deze zaken moeten eerlijk in het pastorale gesprek aan de orde komen. Laten we er ernstig voor oppassen dat we niet met een goedkope troost aankomen. Goedkoop is in dit verband dat we de begane zonden niet ernstig nemen en zo niet tot concrete belijdenis kunnen komen. Ook wanneer de zonden beleden waren, kunnen ze toch weer opspelen. De duivel zal het zo lang mogelijk proberen. Hij is er op uit om de doorbraak van de vrede, die de zondaar mag vinden in het volbrachte werk van Christus, tegen te houden. Hij is de vrede-rover.

Daarom blijft de kern van de gesprekken in de stervensbegeleiding dat Jezus Christus in al de rijkdom van Zijn werk ter sprake komt. Wij mogen voluit, zonder enige terughoudendheid, het Evangelie doorgeven, dat er verzoening bij Hem is voor een berouwvol zondaar. Wie met al zijn zonden oprecht naar de Heere Jezus vlucht, wordt niet afgewezen. God kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven (Ps. 68:10 berijmd).

VREDE EN OVERGAVE

Er is een werkelijke vrede en rust bij en in de Heere Jezus Christus. De Heilige Geest bewerkt die. Wij doen dat niet. Het is al groot dat we een instrument in Zijn dienst mogen zijn. Want wat we een ander doorgeven en voorhouden, hebben we in eenzelfde mate nodig voor onszelf.

Er zijn rijke sterfbedden, geestelijk gesproken. Niet ieder van Gods kinderen maakt zo’n ruim sterfbed mee. Een broeder ouderling, die in het laatst van zijn leven met grote lichamelijke benauwdheid kampte, zei eens toen zijn predikant bij hem op bezoek kwam: dominee, ik heb Psalm 91 beleefd! De vreugde straalde van hem af. Hoe goed is de Heere! Hij is de Bewaarder van al de Zijnen, op een bijzondere, goddelijke wijze, maar o zo echt en o zo betrouwbaar en heerlijk. Wanneer een mens zich in het geloof de vergeving van de zonden mag toe-eigenen, geeft dat een vreugde en dankbaarheid, die niet in woorden zijn uit te drukken. Dan vloeien de lippen over tot Gods eer en kan er zelfs, hetzij hardop of in stilte, gezongen worden van de goedheid en de goedertierenheid van de Heere. Een zuster uit de gemeente mocht vlak voor haar heengaan getuigen dat ze haar Heiland zag. Ze verlangde om heen te gaan. De Heere maakt Zijn stervende kinderen los van alles en allen. Hij doet dat door de Goede Herder aan hen te schenken en ook te laten zien dat de geliefde nabestaanden bij Hem veilig zijn. Op de tijdstippen waarop dat gebeurt, kunnen wij in het pastoraat niet vooruitlopen.

De Heere bepaalt de tijden in het leven van zijn kinderen. Maar wie naar het Woord van de Heere de weg zoekt te gaan met de middelen van genade, die God ons gegeven heeft, zal ervaren dat de Heere een Waarmaker is van Zijn Woord. De strijd kan diep en heftig zijn, maar God haalt eruit en erdoor. Hoe en wanneer, dat is Gods zaak. Wij hebben te doen wat ons wordt opgedragen. En daar wil de Heere Zijn zegen aan verbinden, ook voor onszelf, al is dat niet eens het belangrijkste.

Ds. Jonkman (1945) is emerituspredikant en woont te Zeewolde. Hij diende de gemeenten van Drogeham, Almelo, Enschede-West en Drachten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.