+ Meer informatie

Leer en Leven

4 minuten leestijd

(13.)

Het Woord Gods. (L.)

Dat de Bijbel door Oosterse mensen geschreven is blijkt telkens weer bij het lezen der Heilige Schrift. De gebeurtenissen en toestanden, de gezegden en spreekwijzen, ze laten ons een blik slaan in het Oosterse leven. Wie enige kennis bezit van het dagelijkse leven in het Oosten zal de Bijbel des te beter kunnen verstaan. Niettemin blijft dit Boek een Goddelijk Geschrift, al is het ook, dat Oosterse mensen het hebben opgesteld. Ze waren wel de schrijvers, een ieder naar eigen aanleg en ontwikkeling, maar in werkelijkheid schreven ze niets anders dan wat de Heere zelf wilde. De Heere was zelf de eigenlijke Schrijver!

De Bijbelschrijvers stonden dus onder Goddelijke Leiding. De Heilige Geest was het, die zodanig op hun verstand inwerkte dat zij alles in hun gedachten kregen, wat naar de mening des Geestes beschreven moest worden, zowel wat de waarden als wat de zaken betreft. Hun eigen voorstellingen en denkbeelden werden niet opzij gezet, neen, maar God gebruikte het alles om Zijn doel te bereiken.

Deze Goddelijke handeling, het Goddelijk Auteurschap van de Bijbel, waarbij de schrijvers slechts de , functie van secretarissen bekleedden, duiden wc aan met de naam van „ingeving" of „inspiratie."

De Heilige Geest heeft de schrijvers van de Bijbelboeken tot hun werk geïnspireerd. Hij heeft hen aanen ingeblazen wat en hóe zij te schrijven hadden, opdat de Goddelijke Openbaring zuiver beschreven zou worden. Tot de ingeving der H. Schrift behoort nu een drieërlei daad des Geestes:1. de aandrijving; 2. de Verlichting en 3. de besturing.

Allereerst dan de aandrijving door de H. Geest. Hierbij werkte God op de wil der heilige mannen Gods. Zo lezen we, dat de Geest des Heeren vaardig werd over Simson en dat dc Geest des Heeren op Ezechiël viel. En de apostel Petrus zegt ervan: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken." (2 Petr. 1 : 21.)

Mozes, Jozua, de Profeten en Apostelen zijn niet op eigen initiatief aan het schrijven gegaan. Het was ook niet toevallig, dat ze zich tot schrijven neerzetten. Ook is het niet zo, dat ze het, als ze gewild hadden, evengoed hadden kunnen nalaten. Neen, het is op een Goddelijke aandrijving, dat ze gesproken en geschreven hebben. Ze moesten schrijven, want ze werden er door een onweerstaanbare kracht toe gedrongen. Dat deden ze ook weer niet, omdat ze niet anders konden; ze deden het niet tegen hun wil. Integendeel. De Heilige Geest werkte zó op hun wil in, dat zij het zelf wilden, zodat zij hetgeen aan hen geopenbaard werd, niet voor zich konden houden.

De eerste oorzaak tot het spreken en schrijven was dus steeds de Heilige Geest Zelf, die de Bijbelschrijvers tot hun gewichtig werk aandreef, hetzij door een uitdrukkelijk, rechtstreeks, Goddelijk bevel, hetzij door allerlei aanleiding en gelegenheid van buitenaf.

Soms geschiedde de aandrijving des Geestes door een uitdrukkelijk bevel Gods, zoals bij Mozes: chrijf dit ter gedachtenis in een boek! (Ex. 17 : 14) En Johannes op Patmos kreeg de opdracht: chrijf hetgeen gij gezien hebt! (Openb. 1 : 19.)

Niet altijd echter kwam die aandrijving in de vorm van een rechtstreeks bevel. Een eenvoudige omstandigheid of aanleiding was dikwijls oorzaak, die onder de beademing des Geestes tot spreken of schrijven noopte. Zo ging het David, als hij vluchtte voor het aangezicht van Saul. Hoe menigmaal zag hij de dood voor ogen en soms scheen zijn geloofslamp geheel en al uitgeblust, dat hij het wel uitriep: Ik zal nog één der dagen omkomen door de hand van Saul! Niettemin stond de Heere voor Zijn eigen werk in en mocht David zich weer

sterken in de Heere Zijn God. Die afwisselende omstandigheden inspireerden hem tot het dichten van zijn psalmen. Nu eens moet hij klagen:

Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard'; Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard; Is hun getal niet in Uw boek bewaard, Niet op Uw rol geschreven?

Maar hij mocht door het geloof ook zingen:

Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven, Niets maakt mijn ziel vervaard!

Zo gaf elke gebeurtenis David stof tot dichten. Nu eens een klaaglied of boetpsalm en dan weer een jubelzang of lied van overwinning. Liederen, die nog heden ten dage door Gods kind op de lippen genomen worden, omdat ook hij zijn afwisselende tijden kent. Niet voor niemendal heeft God ze voor het nageslacht bewaard. Ze zijn nóg tot troost en bemoediging voor Gods arme volk. En David is hun tolk als hij zingt (en zij met hem):

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.