+ Meer informatie

“MAG IK STERVEN, MOET IK LEVEN?”

7 minuten leestijd

Onder de titel “Mag ik sterven, moet ik leven?” verscheen onlangs bij Uitg. Boekencentrum - Zoetermeer een geschrift van prof. Velema (96 blz. f 17,50). Uit de ondertitel Een praktische en pastorale benadering rond de levensbeëindiging blijkt duidelijk dat de pregnante vraag die in de titel wordt gesteld, betrekking heeft op “levensbeëindiging” oftewel euthanasie door menselijk toedoen. Via het Diaconaal bureau bereikte de redactie het verzoek aandacht te geven aan deze uitgave omdat dit bureau diverse malen door diakenen en leden van classicale diaconale commissies is benaderd inzake Problemen die zij vermoeden of verwachten inzake euthanasie”. In een apart artikel wil de redactie aan dit verzoek voldoen.

De vraag die zo beknopt en scherp in de titel is geformuleerd, wordt doorgaans anders gesteld. leder levend wezen dat weet méns te zijn, weet eenmaal te móeten sterven. Waarvoor men vandaag de dag ook “bewijs” op tafel wil zien, de zekerheid dat we moéten sterven wordt zonder bewijs geaccepteerd. Mensen moeten sterven! En als het leven voor ons méér is dan biologisch vegeteren, als we beseffen dat het leven gave is - inclusief òpgave -, dan weten we te mógen leven; het is geen speling van het lot, geen samensmelting resp. deling van cellen zonder meer, waarover naar willekeur kan worden beschikt, maar een gave waarvoor we verantwoordelijk zijn tegenover de Géver: we mógen - nog - leven!

Toch is de geformuleerde vraagstelling niet in tegenspraak tot het moeten-sterven-en-mogen-leven. Het is in “de gebrokenheid van het leven” dat de vraag opkomt “zoals die in de titel is geformuleerd”, aldus de schrijver zelf (blz.90). Hij wijst erop “dat de titel het omgekeerde is van wat vanuit bijbels gezichtspunt meestal wordt gezegd”; hij wil hiermee de aandacht vragen “voor de problematiek van patiënten en van de mensen om hen heen” en geeft dan “een genuanceerd antwoord”: “Een mens mag sterven als de tijd daar is. Niet eerder. Een mens moet leven zolang hij daarvoor de tijd krijgt. Niet langer. Hij hoeft het sterven niet te rekken. Hij mag in vrede heengaan en hoeft niet alles te ondergaan om het leven nog met halve en hele uren te rekken” (90).

Men moet wel van alle meeleven en meelijden gespeend zijn om de zo “omgekeerde” vraag onbewogen en louter theoretisch te benaderen. Prof. Velema besluit met: “Liefde en daadwerkelijke hulp zijn de twee drijfveren die ik in dit boekje naar voren heb gehaald. Dat zij de bezielende kracht mogen zijn van allen die met patiënten hebben te maken! (92). Inderdaad valt het accent op de “praktische en pastorale benadering”. In het “Woord vooraf” wordt dan ook gesteld dat geen “wetenschappelijk geschrift” is bedoeld (7). Het wil “plaatsen voor de menselijk aangrijpende situatie van lijden en leed, van ontluistering en lusteloosheid, van moed en krachten”. Geen ethicus of pastor kan op de zó op hem afkomende vraag “antwoord geven zonder dat hij oog in oog heeft willen staan met degene die niet meer wil leven, met hem of haar die zegt: mag ik sterven” (38). Onze gevoelsmatige reactie op “moeilijke, pijnlijke, verdrietige en bittere situaties” (64) doet bij het sterfbed van een geliefde soms de dood als een verlossing ervaren met de hoop, de bede: nam de Here haar/hem maar tot Zich. Wie realiseert zich dan niet - misschien in een flits van zelfkennis - dat menselijk gezien “in zijn hart” de stap naar “beëindiging” slechts heel klein is? Vooral nu er zo’n “brede maatschappelijke aanvaarding van euthanasie” is gegroeid. De schrijver is zich bewust dat “zulke gevoelens” kwetsbaar maken. Maar ’t is een “kwestie van eerlijkheid” dat te erkennen: “Het getuigt ervan dat de schrijver zelf ook de aanvechting kent in verband met zijn standpunt” (64).

Wanneer de schrijver zijn standpunt uiteenzet in het geloof dat de “Bijbelse gezichtspunten” in dezen beslissend zijn (48-55), om niet alleen informatie, maar ook hulp te bieden “bij het nadenken over euthanasie” (8), dan doet hij dat in de context van de voornoemde “brede maatschappelijke aanvaarding van de euthanasie” (64) en de “groeiende euthanasiepraktijk” (66) in het “euthanasieklimaat” van vandaag (39, 79, 91). Hij omschrijft euthanasie aldus: “het opzettelijk levensbeëindigen van een ander dan de betrokkene in gevallen van zeer ernstige en ongeneeslijke ziekte” (12). Of anders gezegd: “Euthanasie plegen betekent: Zich het recht toekennen een oordeel uit te spreken over de waarde van het leven van onszelf of van een medemens” (64).

Nu is “opzettelijke levensbeëindiging” geen vinding van onze tijd. Sinds Kaïn en Abel hebben mensen elkaar het leven al of niet opzettelijk “beëindigd”. De eeuwen door is er gemoord. We behoeven slechts aan onze eigen eeuw te denken die de eeuw van het grote moorden genoemd zou kunnen worden. De namen van Stalin en Hitler zijn hier berucht. Onze generatie zag zelfs kans daarvoor massavernietigingsmiddelen te fabriceren, waartegen weliswaar velen te hoop liepen, die merkwaardigerwijze niet verblikken en verblozen om euthanasie toe te passen in de gelaakte zin, al of niet “op verzoek”. Euthanasie in deze zin valt in Nederland onder het strafrecht, maar in onze levensbeschouwelijk steeds amorfer wordende samenleving - pluriformer zeggen sommigen graag - is gedurende de laatste decennia deze euthanasie steeds meer geaccepteerd en dus de drang om deze uit het strafrecht te halen al sterker geworden. Prof. Velema geeft informatie over de wetgeving in dezen met een aantal commentaren op het wetsvoorstel dat in februari 1993 door de Tweede Kamer werd aanvaard (in december jl. in de Eerste Kamer), waaraan hij een twaalftal conclusies verbindt (16-33).

Ook al kan gezegd worden dat volgens het aanvaarde wetsvoorstel euthanasie in Nederland strafbaar is en blijft - in ons democratisch bestel zou anders het altematief volgens een initiatiefvoorstel aan de orde zijn gekomen -, toch wordt deze strafbaarstelling beperkt door de mogelijkheid die de wet biedt om eraan te ontkomen wanneer aan bepaalde zorgvuldigheidscriteria wordt voldaan. Zelfs op wilsonbekwaam geworden mensen mag euthanasie worden toegepast, mits zij zelf tijdig een schriftelijk verzoek daartoe hebben gereed gemaakt. Deze uitzonderingen zijn strijdig met blijvende strafbaarheid die erdoor geneutraliseerd, feitelijk tenietgedaan wordt. De illegaal gegroeide euthanasiepraktijk van de laatste tijd verandert niet, wordt in feite gelegitimeerd. Adequate controle is niet of nauwelijks mogelijk; arisen die euthanasie in praktijk brengen, zouden zichzelf aanklagen wanneer ze hun niet-voldoen aan de zorgvuldigheidseisen melden. Men is, aldus een mededeling in de pers onlangs, “huiverig om zich aan de meldingsplicht te houden”, wanneer de kans op vervolging wordt aangescherpt wat een “uitnodiging zou zijn om ondergronds te gaan”.

Tot zover - heel beknopt - iets over de conclusies verbonden aan de aanvaarde wet en de vermelde commentaren, aangevuld met enige aanwijzing dat de jurisprudentie zal moeten beslissen wat de “strafbaarheid” concreet zal betekenen. Prof. Velema ziet wat dat betreft, de toekomst somber in. Er is een wissel gepasseerd. Hij wijst dan enkele malen op de “autonomie” (43, 65), de zgn. zelfbeschikking: uit de mens, door de mens en tot de mens, het oerprincipe van het humanisme. In onze consumptiesamenleving wordt dan het leven al gauw een wegwerpartikel; als het waardeloos is geworden, in het gebruik alleen maar pijn en last veroorzaakt, niet meer te repareren is, waarom dan geen einde gemaakt “aan het bittere einde”? Terzijde: zou het opkomende reïncarnatiegeloof een reactie betekenen, een soort recycling?

Een ding is intussen wel duidelijk: van aanleunen in dezen tegen de overheid is geen sprake meer! Hoe de zaak van de euthanasie zich ook moge ontwikkelen, de kerk wordt teruggeworpen op het getrouwe pastoraat jegens allen die er hoe dan ook bij betrokken zijn resp. worden. Daarop spitst dit boekje zich toe - naast uiteraard de voorlichting in veelzijdige zin. Ambtsdragers die bij hun pastoraat vragen, zorgen, moeiten in dit verband tegenkomen, zullen veel aan dit boekje hebben, waarbij dan zeker ook een ander boekje van prof. Velema te noemen is nl. Rondom het levenseinde waarin “ethische en pastorale overwegingen” worden aangereikt (Uitg. Kok-Kampen 1971). Men verzuime niet kennis te nemen van beide geschritten “inzake Problemen die vermoed of verwacht worden inzake euthanasie”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.