+ Meer informatie

Uit de Praktijk

5 minuten leestijd

9.

Wanneer men in de gemeente de mensen bezoekt, dan krijgt men nogal eens wat te horen. Het is lang niet altijd over persoonlijke geestelijke ervaringen. Hoe weinig treft men dat aan. Het gebeurt wel dat er over reeds overleden bloedverwanten gesproken wordt, die in hun leven hebben mogen getuigen van de wonderdaden des Heeren, en die ook een voorbeeld hebben nagelaten. Het is dan ook met eerbied dat over dezulken gesproken wordt.

Dit kan wel eens een geschikte aanleiding zijn tot een persoonlijk gesprek, want als wij mogen geloven dat er van ons voorgeslacht ingegaan zijn in de eeuwige rust, is dat zeker een aangename en zoete wetenschap, maar het komt toch altijd op het persoonlijke aan. Dat vinden wij zo in het onderscheid dat de Heere maakte tussen Jacob en Ezau, twee kinderen van godvrezende ouders. Zeker, hier blinkt de vrijmacht des Heeren duidelijk uit, en moet alle mond gestopt worden. Mag een ziel hier een weinig worden ingeleid, dan wordt het haar een ondoorgrondelijke zaak en een oorzaak van aanbidding dat de Heere in onderscheiding van zo vele anderen op haar heeft willen neerzien Is dit waarheid, dan heeft men een lage maar ook aangename legering des harten, en zo zoet is de beleving, dat woorden te arm zijn om dat uit te drukken.

Maar, zoals wij reeds gezegd hebben, met hetgeen onze overledenen hebben ondervonden van het genadewerk Gods in hun harten, daarmee hebben wij het nog niet. Wij lezen in het Woord van een bekeerde vader David, maar ook van een goddeloze zoon Absalom, en zie de rij van de koningen van Juda, de één godvrezend, en de ander goddeloos. De genade is geen erfgoed, hoewel de Heere wel in de geslachten belieft te werken.

Nu zijn er gevallen, dat wanneer deze dingen ter sprake komen op huisbezoek, het ons toeschijnt alsof men toch heimelijk een beetje aanleunt op de ervaringen van overledenen. Dat men ten deze hun leven ten voorbeeld stelt is wel goed, maar wij hebben wel eens gemerkt, dat men iets ging overnemen, hetgeen toch bleek geen gegeven goed te zijn. In dit verband hebben wij wel eens gezegd: de Heere begint niet halverwege het werk, maar Hij begint bij het begin. Dat is naar Gods Woord. Zie dat maar in de terechtbrenging van de gevallen Adam; uw overleden vader of moeder is uit en door genade als een doemwaardig zondaar gezaligd, daar ligt heel de weg in, met minder zal het met u en mij niet toe kunnen. Wij zeggen daar genade, maar aan wie wordt genade geschonken en verheerlijkt? Toch alleen aan een om eigen schuld omkomend mens, voor wie redding en uitkomst onmogelijk is. Het is aan zijn kant afgesneden. Dat wordt het onbegrijpelijk wonder, dat kunnen zij hier niet klein krijgen, en waar u en ik dit niet alleen gehoord hebben, maar ook met onze ogen gezien hebben, het leven van dezulken, daar mocht dit wel een dubbele aansporing voor ons zijn om die God te leren zoeken, die hun leven was.

Ja werd ons geantwoord, u sprak over Gods volk, maar hun levenspad ging toch niet altijd op rozen. Wat een wederwaardigheden en moeiten, maar ook welke kennelijke ontmoetingen en uitreddingen hebben vader of moeder ondervonden, door welke diepe wegen werden zij geleid; we kunnen toch hieraan zien dat het niet zomaar gaat?

Dat is zo, het staat ook in het Woord, dat de tegenspoeden des rechtvaardigen vele zijn, maar het wonder staat er achter: Uit die allen redt hen de Heere. Die tegenspoeden zijn niet aangenaam voor het vlees, daar wordt onder gekreund en gezucht. Zij worden wel eens getroffen in het liefste wat ze hier bezitten. Wij herinneren ons dienaangaande een bijzonder geval, hetgeen één onzer godvrezende voorouders overkwam, met wie wij nog een aantal jaren onder één dak mochten wonen. Nadat God haar omtrent haar 24e jaar had staande gehouden, en haar had ingeleid in de weg der verlossing, zodat de Heere Jezus haar één en al was geworden, werd zij bijzonder beproefd in haar huisgezin. 4 kinderen werden haar geschonken, 3 meisjes en 1 jongen, drie van de vier zijn jong gestorven. Juist die jongen had haar bijzondere liefde, maar wat gebeurt? Daar breekt de gevreesde pokziekte uit. Zijzelf wordt daarmee bezocht in zulk een mate, dat zij enkele dagen geheel bewusteloos raakt. Terwijl zij zo ternederligt, wordt ook haar enige jongen, waar zij zo veel van hield, door die ziekte aangetast, waaraan hij diezelfde dag stierf en begraven werd.

Wat haar zelf betrof, waren er vage tekenen die hoop gaven op een aanvankelijk herstel. Zij kwam soms enkele ogenblikken tot bewustzijn. Haar man wist niet hoe hij handelen moest om dit verlies van haar kind mede te delen toen haar bewustzijn bestendig terugkeerde, en zij blijken gaf van belangstelling rondom haar en vroeg naar haar kinderen. De afwijzende antwoorden die haar man gaf, waren oorzaak dat zij naar de waarheid vroeg, temeer daar het voor haar gevoel was of dat er iets ernstigs gebeurd was. Toen haar voorzichtig verteld werd wat geschied was, werd zij verwaardigd met genade om onder deze zware slag, dat haar Benjamin was weggenomen, te bukken onder de Heere, waaruit werkzaamheden voortvloeiden, en des Heeren leidingen als recht, heilig en goed werden ondervonden.

Met warmte mocht zij tot in haar hoge ouderdom van deze dingen vertellen, die zo smartelijk voor het vlees, maar geheiligd aan het hart, zeer nauw verbonden aan de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.