+ Meer informatie

GAAN ER NOG MENSEN VERLOREN?

9 minuten leestijd

1. De bedoeling van bovenstaande vraag, die door de reactie aan de orde gesteld werd, kan natuurlijk niet zijn ter discussie te stellen of er de facto nog mensen verloren gaan. Immers de belijdenis op dit punt geldt nog volledig. Ik heb ook geen reden aan te nemen, dat er onder ons zijn, die op dit punt een wijziging zouden willen aanbrengen. Dit zo te stellen betekent trouwens nogal iets. Maar duidelijk is dat de vraag moet gaan over de functionering van dit alles in de prediking. Of deze vraag in de prediking en andere vormen van verkondiging van de kerk functioneert en hoe dat al of niet zou moeten, c.q. kunnen.

2. Mijn eerste reactie was een—klein—onderzoekje. Ik heb maar geen jaargang Levensbron-preken nagespeurd. Nog afgezien van de factor tijd die hierbij een rol speelde, is het ook nog de vraag of dat wel een juist beeld zou geven van wat er zoal gepreekt wordt in onze kerken. Ik ben zo vrij geweest een kijkje te nemen in eigen werk. Daarbij speelde eerlijk gezegd toch ook nog een kleine schrikreactie een rol: het zal toch niet waar wezen, dat een dergelijk zwaarwegend gegeven als de mogelijkheid van eeuwige verlorenheid geen of een te onbeduidende rol speelt in de prediking? Immers de vraag van de redactie houdt -hoe dan ook- deze mogelijkheid als een suggestie in.

3. De mogelijkheid dat dit gegeven te weinig tot gelding komt, kan werkelijkheid worden als we ervan overtuigd zijn, dat noch de angst der hel, noch het verlangen naar de hemel mensen tot geloof beweegt. Hoe waar dit laatste ook mag zijn, het kan geen reden wezen om er dus maar het zwijgen toe te doen, en in feite een beperking aan te brengen tot datgene wat in de belangstellingssfeer van de mensen lijkt te liggen.

Er is overigens uit andere overwegingen wel degelijk reden om rekening te houden met de belangstellingssfeer van ook moderne mensen. We hebben ons m.i. iets te snel en te makkelijk door Karl Barth laten zeggen, dat er geen “aanknopingspunt” voor het evangelie is. Hij zal daar wel gelijk in hebben, maar Paulus is er ook nog met zijn rede op de Areopagus. Hij vond toen toch minstens een gespreksbasis met de Atheners, gelegen in hun religiositeit, hun onbevredigd zijn t.a.v. de praktische dienst en het besef “van Gods geslacht” te zijn. Hand. 17:28. Ik kom daar onder punt 7 toch nog even op terug.

4. In de praktijk blijkt, dat ikzelf althans het thema “verloren gaan” bij mijn weten nooit tot een hoofdthema in de preek heb gemaakt. Daar moeten direct een paar kanttekeningen bij geplaatst worden:

a. Preken over de Catechismus, vraag en antwoord 10, 20, 30, 52, 84/85, 87 kan m.i. eenvoudig niet zonder de zaken waarom het hier gaat expliciet en min of meer uitvoerig ter sprake te brengen.

b. Bovendien geven diverse bijbelteksten ook directe aanleiding hiertoe. Een doop-preek bracht mij bij 2 Timotheus 2:11–13:“Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”

Dit geeft direct aanleiding om te spreken over de keerzijde van elk beloftewoord, hoe rijk ook: er kan bij ons een ontrouw zijn, die nota bene typisch is voor de kerk, voor gedoopte mensen, belijdende christenen met name… Maar er moet dan gesproken worden over Christus’trouw aan zijn eigen woord, ook dat over onheil. Matt.10: “die zal Ik verloochenen…” En over de dag van het oordeel: Wie voor de winst van een moment ontrouw is geweest zal horen: “Ik heb u nooit gekend”. Ook in dit opzicht geldt: we hebben geen God van ‘ja en nee’…

5. Ik zou dit nu wat ruimer willen formuleren in de stelling: dat in het algemeen gesproken de notie van het “verloren gaan” aan de orde komt als “keerzijde” van het beloftewoord van redding. De vraag is nu: is dat juist? Ik denk dat we voor de beantwoording ook moeten zien naar samenvattingen van het evangelie, zoals die o.a. door de apostelen worden gegeven.

Het woord “evangelie” met zijn letterlijke betekenis “goede boodschap” zegt natuurlijk ook al iets. Een prediking die blijft steken in of zelfs maar zijn principiële inzet heeft in louter waarschuwingen, voldoet m.i. niet aan de opdracht “evangelie-prediking” te zijn. De samenvatting die Paulus geeft in 2 Korinthe 5: 20–21 van zijn eigen prediking wil toch zeggen dat prediking is: de goede boodschap van God, die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was en die de prediking hanteert om verzoende mensen bij Zich te krijgen. Maar de keerzijde is dan zo in te vullen: als u zich niet laat verzoenen, dan is er sprake van een onverzoende relatie, die slechts onheil in de uiterste betekenis van het woord kan inhouden.

De praktijk is dat met een helaas wat belaste term oprecht gezegd moet worden: “zonder geloof vaart niemand wel…”

6. Een aantal vragen dringt zich op. Als ook aan mensen buiten de kerk (zijn die trouwens zoveel anders dan mensen in de kerk?) expliciet gesproken wordt over het oordeel en verloren gaan, raakt dat die moderne mens dan ook ergens? Anders gezegd: is er zo over te spreken, dat het resultaat nog iets anders kan zijn dan lacherigheid? Wie afgaat op het onbenul dat via de media je toestraalt in quasi religieuze opmerkingen over deze of gene, die van boven met ons mee of op ons neer kijkt, Pim Fortuyn bijvoorbeeld, heeft er niet veel hoop op dat er nog iets is, dat de Nederlander van vandaag nog kan raken, zelfs niet de serieuze mededeling, dat men verloren zou kunnen gaan. Maar we hebben meer te rekenen met en te bidden om het werk van de Heilige Geest dan dat we aan kansberekening doen op dit punt.

7. Toch zou ik terug willen komen op mijn opmerking over een gespreksbasis.

Het valt bijvoorbeeld in de Psalmen 96/98 op, dat er klaarblijkelijk troost gelegen is in het feit, dat de HERE komt als degene, die komt “om de aarde te richten”, “Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in rechtmatigheid”. Oók bij de moderne mens is er zo niet het besef dan toch wel het verlangen, dat er gerechtigheid geschiedt; dat mensen niet “eeuwig” hun kwade gang kunnen gaan; dat de verworpenen der aarde óók eens aan hun trekken zullen komen. Als wij dan—uit de Schriften—kunnen melden dat dit ook metterdaad zal geschieden, dan hebben we minstens een gespreksbasis. Maar als mensen en volken zó onder het oordeel komen, dat wij zeggen: gelukkig maar…, dan moeten we er ook mee rekenen en willen rekenen, dat wijzelf net zo goed onder dat oordeel komen en ons te verantwoorden hebben, “naardat wij hebben gedaan, hetzij goed, hetzij kwaad” (eveneens 2 Korinthe 5).

8. Dat laatste—een feitelijke vaststelling van wat komt—mag overigens niet losgemaakt worden van het evangelie als aanbieding van heil. De woorden van Prediker 11: 3 “… als een boom valt, zuidwaarts of noordwaarts, ter plaatse waar de boom valt, daar blijft hij liggen”, heb ik bijvoorbeeld wel horen bespreken op een wijze die leek te zeggen dat het laatste oordeel al geveld en er verder geen uitweg meer was.

Psalm 139 spreekt een andere taal. Er is daar sprake van een wat ik zou willen noemen “wonderlijke gelijktijdigheid”. Er is schrik en vrees enerzijds—vss. 7 t/m 12: ik kan voor God niet vluchten, al zou ik willen… Maar er is ook een zich toevertrouwen aan de oordelende God zelfs mét de wetenschap te veroordelen te zijn, maar ook in vertrouwen: dat God verandering kan en wil brengen, nota bene in mij—vs.23/24.

Verloren gaan hoeft niet, al zijn we het wel waard om aan de verlorenheid prijsgegeven te worden. Maar God is anders. En dat mag onze zekerheid zijn, worden. Deze Psalm wil ons juist daartoe uitnodigen.

9. Hoe rijk tegen de laatste achtergrond ook gesproken kan worden over “al dan niet” verloren gaan, dat neemt niet weg, dat er bij de prediking over deze zaken onbeantwoorde en pijnlijke vragen over blijven. Ik denk aan ouders, die onder deze prediking zitten terwijl ze te maken hebben met kinderen die van kerk en geloof afgedwaald zijn. Er zal juist óók over oordeel en verloren gaan gesproken moeten worden op een wijze die recht doet aan Gods wil tot behoud van zondaren. Zie II Petrus 3: 9 “De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen”. In vele gevallen is de weg van het gebed voor betrokken ouders nog de enige weg. Laten zij zich gedragen mogen weten door het gebed van de kerk, die met hen mee bidt.

10. Nog een vraag: hoe zit dat met de velen die het evangelie in het geheel niet gehoord hebben? Gaan die verloren? Het is mijns inziens niet te ontkennen, dat er een aantal spanningsvelden is.

Wij lezen in Romeinen 1: er is ook voor heidenen geen verontschuldiging, waarom er dan ook sprake is van een overgegeven zijn aan onreinheid, die ontering van het lichaam tot gevolg heeft, samenhangend met een verwerpelijk denken. Maar pas in Romeinen 2 is er—en wel gesproken tot de gemeente—sprake over het onpartijdige oordeel van God. Ik denk ook aan Mattheus 11, waar de Here Jezus sprekende tot het verbondsvolk van dat moment, Israël, zegt, dat het voor Tyrus en Sidon in de dag van het oordeel verdraaglijker zal zijn dan voor het eigen volk van God.

De Here maakt dus wel degelijk onderscheid tussen mensen, die het evangelie kennen en verwerpen en mensen, die van Hem niet op dezelfde wijze gehoord hebben. Maar over het hoe van dit onderscheid valt door óns althans niets te zeggen. Opvallend is wel, dat wanneer dit ter sprake komt, zowel de Heiland zelf als zijn apostel Paulus het gewicht van de grotere verantwoordelijkheid geheel bij de verbondsgemeente legt.

11. Tenslotte: er is voor die verbondsgemeente nog een andere verantwoordelijkheid, die hier gemeld moet worden. Het kan bekend zijn dat Karl Barth op zijn dialectische wijze over verloren gaan sprak als over een “onmogelijke mogelijkheid”. Maar zei hij erbij (in mijn eigen woorden gezegd): wie dan gelooft dat degenen, die onwetend ongelovig zijn, verloren gaan, zal zich wel bijzondere moeite moeten getroosten om het evangelie overal te verkondigen. En in dat laatste had hij hoe dan ook volledig gelijk. Bij de vraag “gaan er nog mensen verloren?” hoort een niet aflatende ijver om het evangelie niet alleen binnen, maar vooral ook buiten de kerk te brengen. Dat is de verantwoordelijkheid bij uitnemendheid.

Ds. Manni (1940) is predikant te Rotterdam-Centrum

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.