+ Meer informatie

OPENINGSWOORD OP DE LANDELIJKE VOORJAARSCONFERENTIE voor ambtsdragers van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden op zaterdag 5 april 1997 in de Ichthuskerk in Amersfoort

6 minuten leestijd

Geachte broeders,

In het Reformatorisch Dagblad van 2 april jl. stond te lezen dat blijkens het jaarverslag van de Bond van Nederlandse Predikanten over 1996 steeds méér predikanten de spanningen in hun werk niet of nauwelijks meer aan kunnen en dat het aantal pastores dat voortijdig het werk in de gemeente voor gezien houdt, toeneemt. Van welke aard die spanningen zijn heb ik niet vermeld gezien. Evenmin vond ik vermeld in welke kerken het verschijnsel zich het sterkst manifesteert. Aan te nemen valt dat alle kerken ermee te kampen hebben. De Christelijke Gereformeerde Kerken weten er in elk geval ook over mee te praten.

Als het op de aard van de spanningen aankomt zal van uiteenlopende oorzaken en in sommige vallen van een combinatie van factoren sprake zijn. De praktijk bewijst dat de intensiteit van het pastoraat en de fysieke en mentale spankracht van heel wat predikanten vandaag snel uit balans zijn. Veel gemeenten lijden onder conflicten, principiële en kleinmenselijke. Huwelijksstoornissen zijn aan de orde van de dag. In sterk vergrijzende gemeenten gaat veel pastorale tijd en energie op aan de begeleiding van ernstig zieken en stervenden. Door veel mensen wordt het vanzelfsprekend gevonden dat men de pastor ook mag vermoeien met allerlei maatschappelijke vragen en problemen.

Zonder daarover naar buiten te kunnen klagen, is het bij sommige predikanten wel de ervaring dat kerkenraden in hun steun, bijstand en advies, bestuurlijk en soms ook geestelijk, tekort schieten en het in controversiële situaties soms helemaal laten afweten. Voor het bedenken van adequate oplossingen voor allerlei problematiek in de plaatselijke gemeenten komt dikwijls te veel op de schouders van de predikant te liggen. Maar dat is het naar ik meen niet alleen.

Méér dan wij weten of vermoeden worstelen predikanten, althans degenen die eerlijk met de geestelijke vraagstukken van deze tijd willen omgaan, met de geloofsonzekerheid waarmee het geestelijk klimaat in onze tijd tot stikkens toe is gevuld, met name in de westerse cultuur. Het moet voor predikanten steeds moeilijker worden om in de praktijk van prediking en pastoraat het groeiende gat te overbruggen tussen het theologische denken van vandaag en de zondagse verkondiging aan de gemeente. Want dat gat is er onmiskenbaar en het wordt nog steeds groter. Het wordt in de wereld van de theologen niet door iedereen toegegeven, door sommigen wellicht bewust of uit angst stil gehouden en in veel plaatselijke gemeenten is het misschien nog onvoldoende doorgedrongen, maar al geruime tijd en de laatste tijd steeds heftiger, staan niet slechts orthodoxe geloofsvoorstellingen in het theologisch denken, spreken en vooral ook schrijven ter discussie, maar evenzeer de meest fundamentele geloofswaarheden, waarover in de Schrift en in de belijdenissen van de kerk op massieve manier wordt gesproken en waarvan de verkondiging in de gemeente tot vóór enkele decennia steeds een massief karakter heeft gehad. Dat is voorbij. De concrete duiding van geloofswaarheden en heilsfeiten is allang bezig vervangen te worden door vage interpretaties van die waarheden en feiten, zonder dat deze als ware gebeurtenissen nog betekenis in zichzelf zouden hebben.

In de ogen van veel mensen wordt de bijbel, ook in orthodoxe kringen, steeds sterker een boek van menselijke herkomst dan van goddelijke oorsprong. Jezus Christus wordt steeds sterker gereduceerd tot zijn mens-zijn, tot zijn joodse oorsprong en ontdaan van zijn goddelijkheid. In de ogen van heel veel theologen is de leer van de Drieëenheid echt niet méér dan een door mensen bedachte dogmatische hulpconstructie bij het nadenken over de vraag hoe het heil van God voor mens en wereld moet worden gezien. Voor het kruis der verzoening als uitdrukking van de genade van God in Christus wordt de ruimte in het denken van onze tijd steeds kleiner.

Hemel en hel, zo goed als het bestaan van de duivel, zijn, tot in orthodoxe kringen toe, goeddeels uit het beeld van de prediking verdwenen. Als het in de gemeente waartoe u behoort anders is, mag u het tegenspreken. Ook het spreken en denken over de lichamelijke opstanding van Jezus Christus uit de dood geeft zelfs onder orthodoxe theologen steeds meer een omschakeling te zien. Onder geleerde en integere creationisten wordt de visie op de beschrijving van de schepping van hemel en aarde in Genesis 1 en 2 langzaam aan bijgesteld.

Ik geef u een voorbeeld.

In het “elfde uur” van de EO op 2e paasdag was de pas benoemde secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk te gast.

Andries Knevel bevroeg deze confessionele predikant, voor wiens activiteiten in Den Haag ik overigens veel respect heb, op zijn geloof in de werkelijkheid van wat in de Evangeliën over het gebeuren van Christus’ verrijzenis uit de dood wordt verhaald. Voor oog en oor van kijkend Nederland sprak de pas benoemde secretaris-generaal uit dat hij in die werkelijkheid gelooft, zij het dat hij in mijn gevoel in zijn woorden met een zekere verlegenheid langs de werkelijke bedoeling van de vraag heen wilde gaan. Ik voelde dat des te sterker aan, omdat de ondervraagde in een interview met de Haagsche Courant van zaterdag 29 maart jl. de uitspraak deed, “dat er iets wezenlijks op Pasen met Christus is gebeurd, dat hij niet zou weten in welke categorieën hij dat gebeuren zou moeten beschrijven, dat Pasen ons de zonnige kant van het christelijk geloof laat zien doordat de dood niet het laatste woord heeft, maar dat het moeilijk is om over de feiten uit de Evangelieverhalen als feiten te spreken”. Hij wilde het zijn collega Nico ter Linden, de populaire bijbelverteller, nazeggen: “Het is waar, maar niet echt gebeurd”.

Tenzij wij altijd al in verkeerde categorieën over deze dingen hebben gedacht, maar anders valt in mijn gevoel bij zo’n uitlating de bodem uit het christelijk geloof.

Waarom hier en nu over deze dingen gesproken? Omdat het voor ons als kerken en als ambtsdragers van die kerken tijd is, hoog tijd, om tegenover onszelf en tegenover elkaar in de kerken die we mogen dienen, eerlijk te worden. We schampen en schuren met onzekere gevoelens in een zekere ambivalentie langs elkaar heen, terwijl het hoog tijd wordt om ons te bezinnen op de betekenis en de waarde van de meest fundamentele geloofswaarheden en de vraag onder ogen te zien, of deze gangbaar kunnen blijven zoals ze dat binnen het christelijk geloof altijd zijn geweest of dat onze visie daarop en de beleving ervan voor ons en vooral ook voor onze kinderen bijstelling behoeven. Anders gesteld: wat kan vandaag nog rechtzinnig heten en wat moet als vrijzinnig worden aangemerkt? Is de grens tussen die twee vandaag nog aan te geven?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.