+ Meer informatie

Visser wordt Ober

12 minuten leestijd

Steeds meer westerlingen maken naar verre, warme, tropische la genieten van wat ze "cultuur Het is echter de vraag in hoe ve re die cultuur nog oorspronke lijk is. Hoe snel past een land zich aan bij de wensen van de toerist? Natuurlijk eet je ananas op Bali, maar Bratwurst en milkshake is er ook volop te koop. En ondanks een dicht woud van hotels, wegen en bungalowparken, zijn er plannen voor tientallen nieuwe hotel- en bungalowcomplexen.

„Schon wieder", verzucht de Duitser, „al weer", als ik hem op Bah vertel dat ik uit Nederland kom. Zo'n klein land en toch overal aanwezig, mompelt de man uit Stuttgart hoofdschuddend, want ik ben niet de enige op het kleine, tropische eiland; het wemelt er van de Hollanders. Maar ook de Duitsers zitten hier overal, evenals de Zwitsers, de Japanners, Amerikanen en, tamelijk dicht bij huis, de Australiërs. We reizen wat af met z'n allen. Meer dan 400 miljoen mensen gaan er elk jaar op reis. We geven daarbij meer dan 400 miljard gulden uit en komen steeds vaker in de zuidelijke, vaak tropische landen terecht. De Maldiven, de Bahama's en Thailand zijn wat betreft staatsinkomsten in hoge mate afhankelijk geworden van de grillige en vaak onvoorspelbare reisstroom, die door het toerisme in gang is gezet. Wat zijn de gevolgen van het groeiende massatransport in zuidelijke richting? Een boel geld, bijvoorbeeld. Kenia verdient tegenwoordig meer aan toerisme dan aan traditionele exportprodukten als koffie en thee. En werk. In Indonesië zijn zo'n anderhalf miljoen mensen werkzaam in hotels, restaurants en het vervoerwezen. In Thailand verdienen honderdduizenden een aardig zakcentje in de bordelen en massagecentra van Hat Yai, Pattaya of Pat Pong. Maar er raken ook mensen hun baan kwijt ten gevolge van toeristische ontwikkelingen. In het Indische Goa werden vissers eerst door toeristen en later door projectontwikkelaars van hun stranden gejaagd en op het Indonesische Lombok moeten 5000 zeewier-kwekers bitmenkort plaatsmaken voor een nieuw rijtje dure hotels. In het Balinese dorp Sumbur Kelampok kuimen 2000 bewoners hun boeltje pakken om ruimte te scheppen voor een luxueus hotelpark.

Spijbelen voor toerisme
Het toerisme mag dan vaak een aardige financiële opkikker betekenen voor de economie van het land, het haalt tegelijkertijd een boel overhoop in de rustige dorpjes van weleer. In Irian Jaya spijbelen steeds meer schoolkinderen om deel te kunnen nemen aan danslessen voor de toeristen en de Dani en Asmat verdienen nu al meer geld met het laten maken van een foto dan aan de produkten van hun eigen grond. Toerisme en natuur gaan ook niet zo goed samen, al die zogenaamde "eco-reizen" ten spijt. Natuurlijk, het maakt wat uit of de toerist in een hoge, luchtgekoelde en waterverslindende reistoren wordt opgeborgen in plaats van in een bamboehut, maar de stille plekken zijn geschonden en de aanblik van toeristendoUars verleidt menigeen tot de kap van weer een stukje bos voor de bouw van nog een weg of appartement. Op het Thaise eiland Ko Samui verdrogen drinkwaterputten van de lokale bevolking vanwege het hoge verbruik van de hotels. Maleisië kapt in haar > hooglanden dicht bos voor de aanleg van golfbanen en in Indonesië brokkelt de Boroboedoer langzaam af onder het schuifelende en zwetende geweld van de onophoudelijke stroom bezoekers.

Nieuw stempel
Wij, de toeristen (sommigen noemen zich liever "reizigers"), merken daar weinig van. We spreken in het buitenland iedereen in het Engels aan en eten veelal de in het Duits en Engels aangeprezen westerse gerechten. En dat die ober van nu tegen een laag loontje jarenlang op 'ons' strand z'n vis heeft gevangen of er in het vroegere moerasbos heeft rondgesjouwd, ach, de tijden veranderen immers. Zo hebben we ook nauwelijks in de gaten dat we met onze moeilijk bedwingbare reis-, zon- en strandlust religies, normen en waarden, kortom de cultuur in verre oorden beïnvloeden en zo (na eeuwen van kolonialisme) opnieuw een stempeltje op een vreemde samenleving weten te drukken.

Handenschudden
Op het rustige universiteitsterrein van Jakarta woont de antropoloog Koentjaraningrat, een vriendelijke zestiger, die behalve de Engelse taal ook het Nederlands nog goed onder de knie heeft. Koentjaraningrat drukt zich voorzichtig uit en moet lang peinzen als we het onderwerp aansnijden. „De laatste jaren is er natuurlijk veel veranderd. De Hollanders hebben nogal wat invloed op het land gehad met hun scholen, het geloof en de administratie. Het handenschudden werd geïntroduceerd; een voor veel Indonesiërs wat ruwe vorm van kennismaken. De begroeting met de handen tegen elkaar verdween steeds vaker, de ferme handdruk als internationale begroeting kwam er voor in de plaats." Koentjaraningrat zag hoe het gedrag van de mensen veranderde, gedrag dat ook de toeristen uit het Westen vertoonden. De omgang werd losser, zegt hij, mensen zoenen elkaar openlijker en men raakt eikaars hoofd aan. „Dat is nog steeds een pijnlijke gebeurtenis. Het hoofd is heilig en de aanraking daarvan is zoiets alsof je voor een hond wordt uitgescholden." Het wijzen veranderde. In plaats van een bescheiden beweging met de duim in de gewenste richting, wijst men nu nadrukkelijk met de hele arm.

Javaans poppenspel
Geliefd bij de toeristen is het Javaanse poppenspel. Het zijn voorstellingen met sociaal-religieuze aspecten, die normaal gesproken de hele nacht duren. Koentjaraningrat: „Toeristen zien dat graag, proberen dat aan te voelen. Maar het is geen JanKlaassenpoppenkast. Zo'n voorstelling gaat veel dieper. Nu zie je dat terwille van tijd en aandacht er voorstellingen gehouden worden die nauwelijks anderhalfuur duren. En dat is een verlies." Wie wel eens een voorstelling op Java of Bali heeft gezien, weet hoe de westerse bezoekers al snel op de stoeltjes heen en weer beginnen te schuiven. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt er steeds vaker gekucht en gesnoten en zelfs gemompeld en gepraat. Sylvio Santosa, een schrijver uit Bali, tilt er niet zo zwaar aan. „We hebben dansen voor het amusement, dus voor de toeristen, en we hebben de heilige dansen. Bij zo'n onderhoudende dans als de Legong- of Barongdans maakt het allemaal niet zo uit. Die heilige dansen vinden een paar keer per jaar plaats en die zijn niet te koop."

Bratwurst en milkshake
„Blau, blau, blau blüht der Enzian", schalt het uit de luidsprekers van het Duitse restaurant "Mamma" in Legianstreet. Zuid-Bali is het toeristische zwaartepunt van Indonesië en misschien wel van heel Azië. Meer dan drie miljoen toeristen bezochten het Indonesische eilandenrijk in 1993, zodat toerisme nu, na olie en bewerkt hout, de derde inkomstenbron van het land geworden is. Toch komt slechts een vijfde van alle bezoekers uit WestEuropa (je zou het niet zeggen met al die restaurant-opschriften en die polonaise-muziekjes), de meeste bezoekers komen uit Singapore (die bezoeken vooral het aan de overkant gelegen Bintan), Japan en Australië. Op de menukaarten in Sanur, Kuta en Legian (Zuid-Bali) prijken milkshake en Bratwurst. Op straat cirkelen ontelbare verkopers als horzels om de buitenlanders heen. „Transport? Where you go, Hello, hey!" „Good watch, real copy!" > Alles wordt aangeboden, alles en iedereen is verkrijgbaar. Kleren, elektronica, speelgoed, hapjes, rommel. Óp Legianstreet is van "het oude Bali" niet veel meer over. Maar net daarbuiten is te zien waarom Bah zo populair is. Witte, door palmen omzoomde zandstranden, als in legpuzzels geplaatste groene rijstterrassen, dreigende vulkanen. Bah is mooi, Bali is populair en biedt zowel de rugzakreiziger als de groepstoerist een uitstekende toeristische infrastructuur met goed eten en groot aantal goede hotels.

In opstand
En nog staat er niet genoeg, getuige de woeste plannen die een aantal projectontwikkelaars met "dit oosterse paradijs" voor hebben. Ondanks een dicht woud van hotels, wegen en bungalowparken, zijn er nog plannen voor 21 nieuwe hotelen bungalowcomplexen. Van Kuta tot Candidasa, van Ubud totjimbaran. Een van de meest ingrijpende plannen is vorig jaar gelanceerd door de Javaanse zakenman Aburizal Bakrie. In het vliegtuigblad Garuda staat een paginagrote advertentie over het Bali Nirwana Resort, een toekomstig "vakantieparadijs", met een vijf-sterrenhotel, luxe villa's, bungalows en zwembaden, omringd door een reusachtige golfbaan. „Met adembenemend uitzicht op de tempel van Tanah Lot!" En dat uitzicht was nou net wat velen in het verkeerde keelgat schoot. Begin dit jaar was het ineens mis met de anders zo rustige bevolking van het eiland. Onverwacht en heftig als een openspringende koortsblaar, kwamen de Balinezen in opstand tegen de plannen van de Javaanse projectontwikkelaar. Boeren, studenten, intellectuelen en religieuze groeperingen demonstreerden bij de gouverneur en marcheerden met enkele honderden over de straten. Nooit eerder was er op Bali zo'n woede ontstaan over een toeristisch project, dat, gepland op zo'n anderhalf kilometer van de tempel, voor velen onverteerbaar was.

Religie
De plotselinge golf van protesten werd vooral door religieuze redenen beïnvloed. Tijdens een verhitte bijeenkomst in Denpasar riep de antropoloog Geria dat Tanah Lot het symbool van Bali is. „Wordt daar dan vlakbij gebouwd, dan verandert de tempel in een symbool van vernietiging!" Hoe zou men straks nog met de goden kunnen communiceren, vroeg men zich angstig af „Een tempel is een plaats waar je je kan terugtrekken, waar je je kan concentreren. Hoe moeten we dat straks doen als er een golfbaan ligt?" De zestiendeeeuwse Tanah Lot is een "Subak-tempel", zei er een, een tempel voor de waterirrigatie. Zo'n tempel moet naast rijstvelden staan en niet omringd zijn door vakantiebungalows. „Land heeft een sterke band met de cultuur", werd er ook opgemerkt. „Verdwijnt het land, dan verdwijnt ook de cultuur." Een van de actievoerders, ingenieur Suryani, beklemtoonde dat hij en alle demonstranten absoluut geen ruzie willen. „Maar als projectontwikkelaars toch hun zin doordrijven, ontstaat er een sneeuwbaleffect. Als we opnieuw geslagen worden, slaan we niet terug, maar zullen er doden vallen."

Ecologische bezwaren
De ingenieur voegde er nog wat ecologische bezwaren aan toe. „Het water raakt op in Bali. De lokale bevolking verbruikt 100 tot 200 liter per dag, een toerist in Nusa Dua verspilt in z'n hotel op een dag vijfentwintig maal zo veel." De felle protesten bleven niet zonder effect. Het werk werd opgeschort en de machines gingen aan de kant. In maart zag het personeel werkeloos toe en rolde men slechts een telefoondraad van de openbare weg naar de directiekeet.

Ecologische bezwaren
Professor Ida Bagus was een van de demonstranten. We ontmoeten elkaar in z'n met tapijten en wandkleden volbehangen werkkamer in het centrum van Denpasar. „Het land bij Tanah Lot had nooit verkocht mogen worden. Land behoort aan de Balinese cultuur toe en is een basis voor ceremonieën en tevens de kunst." Volgens Bagus raakt het land 'vervuild' en verandert Bali in een soort "Disneyworld" of een grote dierentuin. „In Amerika is het hoogste gebouw van het land een symbool. Dat gebouw werd verkocht aan de Japanners en dat vonden de Amerikanen een ramp. Hun symbool ging immers verloren. Het land is voor Bali een symbool en dat verdwijnt nu ook."

Niemandsland
De bedreiging van Tanah Lot is voor Ida Bagus een symptoom voor de veranderingen die de toeristenindustrie, onder andere, met zich meebrengt. De vervlakking is in opkomst. „De sprong van de agrarische gemeenschap naar deze moderne samenleving is te groot. Jonge mensen ontvangen oude, maar ook nieuwere tradities niet meer. Ze zijn in een niemandsland terecht gekomen, waarbij de visie op het leven vervlakt. Men accepteert niet meer dat er nagedacht wordt, verleerd als we zijn om terug te kijken. Maar dat is belangrijk. Je moet over het leven kunnen nadenken, over de zin daarvan. Maar daarover wordt niet meer gepraat. Ik zie dit niet alleen onder de jeugd, maar ook onder de intellectuelen. Mijn collega's hebben het allemaal over nieuwe auto's. Over boeken of een nieuw onderzoek praten ze niet meer. Zo veranderen normen en waarden, zo verandert ook de kunst en dan vooral de kwaliteit van de kunst." Wat betekent dat dan voor de cultuur? „Als de kunst vervlakt, verdwijnt ook de bespiegeling. Kunst geeft diepte in het leven en als die nivelleert, en dat gebeurt, dan wordt ook de samenleving oppervlakkiger. Die diepte hebben we nodig, we kunnen niet zonder." Toerisme is geen oorzaak van deze ontwikkeling, maar draagt er wel toe bij. „Bali is geen museum, maar de rituelen verdwijnen nu wel steeds sneller."

Vier fasen
In het Balinese kunstenaarsdorp Ubud woont Sylvio Santosa, schrijver-journalist voor binnen- en buitenlandse bladen. Hij heeft ook landkaarten en reisgidsen van z'n eiland gemaakt. Voor Santosa antwoord geeft op de vraag welke invloed het toerisme op de Balinese (hindoestaanse) cultuur heeft, legt hij eerst het volgende uit: „Mensen op Bali hebben vier leeffasen nodig; artha, kama, darma en moksha. Het eerst komt de artha. Dat zijn bezit, geld en kleren. Dan komt kama, plezier en genot. Met het geld koop je een auto, ga je lekker uit eten. De volgende fase is darma, de devotie. Dan help je andere mensen, ga je naar de tempel, doe je mee aan ceremonieën. Als alle drie in balans zijn, bereikt men moksha, de bevrijding. Die kleine invloed van het toerisme is een verstoring van de balans. In plaats van de route artha (geld), kama (plezier) en darma (devotie), gaan velen weer terug naar artha. Ze hebben geld, kopen een auto, willen er weer een, kopen weer, enzovoort. Ze gaan naar de toerist, alleen omdat ze meer geld nodig hebben. En dat brengt een verzieking met zich mee, want aan darma, laat staan moksha komt niemand meer toe."

Kunst? Onzin!
Cultuur. Santosa heeft er moeite mee. Hij vraagt zich af wat dat eigenlijk is, die "Balinese cultuur". „Als je hier een kind vraagt of hij een ouderwetse koek kent, zegt hij: pannekoek. Ze kennen niets anders meer, laat staan een andere baktechniek. Wat is nu origineel Balinees? Niks. Alles komt van buitenaf Neem de verlichting. Wat is nu traditioneel? Fakkels? Misschien. Kerosine? Ook dat is ergens vandaan gekomen. Daarvoor had men weer hout. De ontwikkeling stopt nooit, alles blijft in beweging." Sommigen zijn bang dat het toerisme bijdraagt aan de vervlakking van cultuur en van de kunst. De schrijver reageert ineens als door een wesp gestoken. „Ach, wat is nu toch die kunst. Kunst kennen ze hier niet, die bestaat hier niet!" Maar Bali en zeker de omgeving van Ubud zit toch vol artiesten ? Er is hier ongeloojlijk veel houtsnijwerk, beelden, schilderijen... „Mensen zeggen dat 't allemaal kunst is. Flauwekul. Het is allemaal gewoon een onderdeel van hun leven." Hij grijpt naar zijn in een dun staartje vastgebonden haar. „Als mensen zeggen dat mijn haar artistiek is, zeg ik, onzin, het is gewoon een deel van mijn lijf En niet meer dan dat."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.