+ Meer informatie

Predikant in oorlogstijd

10 minuten leestijd

Op geestelijke wijze leiding zien te geven. Dat was de taak waartoe ds. W. Vroegindewij zich geroepen zag, toen nazi-Duitsland Nederland inlijfde in het Derde Rijk. Geen eenvoudige positie. Hij wist zich voor alles een dienaar van het Evangelie. Tegelijk was hij doordrongen van het anti-christelijk karakter van het nationaal-socialisme. Hou houd je in zo'n situatie een eerlijk geweten voor God en de mensen? Een terugblik op prediking en pastoraat in oorlogstijd.

In 1936 neemt de jonge ds. W. Vroegindeweij voor de tweede keer in zijn leven een beroep aan. Van zijn eerste gemeente Zegveld vertrekt hij naar Hoogeveen. Het is een roerige tijd. De spanningen in Europa nemen toe, zeker als Duitsland met militaire middelen z'n grondgebied begint uit te breiden.
Nederland hoopt net als in 1914 de dans te ontspringen. Ook voor de hervormde predikant van Hoogeveen komt de inval op 10 mei als een verrassing. „Ik hoorde lawaai in de straat en vroeg vanaf het balkon aan wat bekenden: ,Jongens, wat is er gaande?" „Wat er gaande is!", zeggen ze. „Als je nog even wacht staan de moffen voor je neus."
De avond ervoor was ik nog met een ouderling op huisbezoek geweest, bij een echtpaar aan de Hoogeveense vaart. De vrouw was afkomstig uit Duitsland. Ze vertelde dat haar famihe niets los durfde te laten over de gang van zaken in Duitsland. Maar één ding weet ik wel, zei ze. Als de Duitsers hier komen, krijgen we een verschrikkelijk leven."

Hugo Visscher
Hoe stond u in die tijd tegenover het nationaal-socialisme ?
„Daar had ik behoorlijk over nagedacht. Je moet niet vergeten dat al heel wat was geschreven door Hugo Visscher. Zijn standpunt heeft mij ontzaglijk veel verdriet gedaan, want hij was een goede vriend van me. Hij ging het verdedigen. Dat heb ik nooit van hem kunnen begrijpen. Het nationaal-socialisme was zo goddeloos als het maar kon. Een aanval tegen de Bijbel en het Evangelie."

In welke mate beïnvloedde de komst van de Duitsers hetgemeenteleven?
„In het begin nauwelijks. Er was alleen wat onrust door het feit dat enkele gemeenteleden Duitsgezind waren. Toch gaf dat niet echt problemen. Ze hielden zich koest. Een van hen was een goede bekende van mijn vader. Een degelijk man, die van Kersten had overgenomen dat je de bezetting alleen maar kon beschouwen als een oordeel over de zonden van het Nederlandse volk. En ik weet ook dat al wat ons aan narigheid en verdriet en rampen overkomt gerichten zijn hoor. Dat we ze zo moeten kennen en beleven. Maar dat betekende voor mij niet dat ik het systeem dat de Duitsers brachten goed moest keuren."

Trommelslager
„Na de overgave hernam het leven al snel z'n gewone gang. Ook het kerkelijke leven. Het was in Hoogeveen de gewoonte dat zondagsmorgens een trommelslager rondging, om de mensen op te trommelen voor de kerkdienst. Zeven uur begon hij, onder ons slaapkamerraam. Vijf voor tien roffelde hij bij de consistorie af Dat was voor ons het sein dat het gebed van de ouderling kon beginnen. De Duitsers wilden weten wat dat getrommel inhield. Toen de burgemeester, die tevens president-kerkvoogd was, had verteld dat het een oude gewoonte was, kon het gewoon doorgaan. Zeker in het begin merkte je heel weinig van de bezetting. Later was er wat beroering rond ds. Van Nie. Die richtte zich in zijn preken openlijk tegen de Duitsers en is na verloop van tijd ook ondergedoken. Toen stond ik helemaal alleen voor dat grote Hoogeveen."

Hoe beoordeelde u de opstelling van deze hervormde collega?
„Ze zeggen wel eens dat je van de preekstoel geen steekstoel moet maken. Het wezenlijke van het Evangelie was ook in die tijd de noodzaak van bekering en geloof. Dat moet onder alle omstandigheden de hoofdzaak blijven."

Bende
Had de bezetting geen enkele invloed op uw prediking?
„Dat zal ik niet zeggen. Als de tekst aanleiding gaf om het kwaad aan te wijzen, dan deed je dat. Zolang het maar niet de spits van je preek werd, kon je echt wel wat zeggen. Maar je moest het wel met omzichtigheid doen. Zeker in de loop van de oorlog. Een simpel voorbeeld. De meeste bladen werden verboden, maar het Zondagsschoolblad mocht blijven verschijnen. Ik behandelde daarin de profeten. In een van die stukjes stond dat de vijand uit het oosten kwam. Daarvoor moest ik in Den Haag verschijnen.
De commandant die me ondervroeg zei dat ik de Duitsers in een kwaad daglicht had gesteld. Hij bleef maar bezig. Op een gegeven moment kwam Rutgers binnen, telg van een bekende gereformeerde familie. De Duitser legde hem voor wat ik geschreven had. „Klopt", zei Rutgers. „Dat heeft hij uit een bekend Duits commentaar, van Kittel." Nou, dat maakte de zaak anders. Ik werd gegroet en mocht weer naar huis. Een ander had hij ook weten vrij te pleiten. Die had in z'n gebed gezegd: „Heere, verlos ons van deze bende." „Weet u wat het is?", zei Rutgers, „die dominee leeft bij onze kerkelijke vertaling: de Statenvertaling. Daarin heeft dat woord een heel andere betekenis. In Handelingen 27 lees je over de keizerlijke bende. Wij zouden nu zeggen "afdehng" of "cohorte". Maar die man zegt nog bende. Hij bedoelt daar niks geen kwaad mee." „Ach so", zei die Duitser, en ook deze man mocht gaan. Het gaf wel aan hoezeer je moest oppassen."
Ontstond er geen spanningsveld tussen dat watje wilde en dat watje durfde zeggen ?
„Soms wel. Je moest je verstand gebruiken. Ik heb me nooit geroepen gevoeld om politieke, anti-Duitse leuzen aan te heffen. Ik was geroepen om het Evangelie te verkondigen. Vergeet ook niet dat er veel verschil was onder de Duitsers. Ik heb meermalen een Duitse legerpredikant onder m'n gehoor gehad. Een reusachtige man. Die zei eerlijk dat hij die hele "Krieg" een ramp vond."

Gevaarlijk leven
Had u ook verzetsmensen in uw gemeente?
„Zeker. De meeste Drentenaren hebben zich in de oorlog voorbeeldig gedragen. Velen hebben hun leven gewaagd, ook in Hoogeveen. Ik was bekend met de mensen die de leiding hadden. Ze hebben me er nooit daadwerkelijk in gemengd, maar kwamen wel eens om inUchtingen. Of ze bepaalde gemeenteleden konden benaderen voor het verbergen van onderduikers. In dat opzicht had je wel een beetje een gevaarlijk leven. Ik was voorzitter van het ziekenhuis. Daar werd op een dag, zonder dat ik het wist, een zender geplaatst. Alleen een arts en een hoofdzuster waren ervan op de hoogte. De Duitsers hebben er later lucht van gekregen en die dokter is opgepakt en doogeschoten. Ze hadden mij ook kunnen oppakken. Ik was immers de voorzitter."

Satanische macht
U hebt nooit bezwaren gehad tegen het verzet?
„Nee, ik stond er helemaal achter. Je ging hoe langer hoe meer het gevaar van het nationaalsocialisme inzien. Wel heb ik altijd gezegd: Denk om je vrouw en kinderen en ga geen roekeloze dingen doen. Dat gevaar bestond. Een van die jongens is ook doodgeschoten. Te loslippig geweest."

Riep het gebruik van bedrog en geweld in het verzet nooit vragen op bij deze mensen ?
„En bij mezelf! Ik sprak daar eens over met ds. Rijnsburger, een overtuigd anti-Duits man. Die zei: „We moeten de waarheid dienen. Daarom moeten we ervoor zorgen dat we in waarheid kunnen leven en net doen als Rachab. Die diende de waarheid door de leugen te gebruiken." Dat was mij wat te vlot, al stelde het je wel een beetje gerust. Je kwam er niet helemaal uit. Ik denk niet dat ooit iemand er goed uitgekomen is. Wel werd één ding me steeds duidelijker. Het was ten diepste een strijd tegen een satanische macht."
Toch nam u op de kansel niet openlijk stelling.
„Nee, omdat ik vond dat niemand daarmee gebaat was. Ik gaf m'n mening liever in een persoonlijk gesprek."
Er waren collega's die daar anders over dachten. Gaf dat verwijdering?
„Dat kan ik niet zeggen. Je had toch eigenlijk wel respect voor die mensen. Neem een man als Gravemeyer. En D.A. van den Bosch. Dat waren kerels hoor. Ik denk ook aan Koopmans. Daar heb ik nog mee gestudeerd. Hij is predikant geweest in Amsterdam en door een verdwaalde kogel om het leven gekomen. Als ik in de Noorderkerk moest preken, stond ik altijd een poosje voor z'n foto. Dan dacht ik: Jan, je hebt gelijk gehad jongen. Het was iemand die op geestelijke wijze de wortels van het nationaal-sociahsme blootlegde."

Bevrijding
Naast de prediking was er het pastoraat. Hoe verliep dat in die oorlogsjaren?
„Er waren natuurlijk wat ongemakken. Na achten kon je niet meer uit de voeten. Dat vereiste enige improvisatie bij huisbezoek en catechisatie. Je had ook je zorg over jongelui die opgetrommeld werden om te gaan werken voor de vijand en van wie een deel ging onderduiken. Maar verder ging alles vrij normaal door. Wat dat betreft zat je in Drenthe vrij gunstig."
En dan komt de bevrijding.
„Die dag vergeet je je leven niet. In april zijn we al bevrijd. Ik was uit de pastorie gezet en zat met m'n gezin in een zaaltje van de kerk. We sliepen bij de koster. Zaterdags hoorden we al het geschut van de bevrijders. Zondag is nergens dienst gehouden, want we zaten te wachten tot ze binnenkwamen. Maar de zondag ging voorbij, zonder dat er wat gebeurde. Maandag liep het hele dorp op straat. Opnieuw te vroeg. Dinsdagmorgen was het eindelijk raak. Daar kwamen ze binnenrijden. Waar al de vlaggen vandaan kwamen weet ik niet, maar binnen vijf minuten was Hoogeveen één grote vlaggenzee. Nog diezelfde dag hebben we een gezamenlijke bevrijdingsdienst gehouden in de Hervormde kerk. Het was een kerk voor 1200 mensen, maar er zaten er zeker tweeduizend in. Op de dag van Willemientjes verjaardag, eind augustus, hebben we opnieuw een bijzondere dienst gehouden. Toen dachten we weer een kerk vol mensen te krijgen. Dat werd een enorme teleurstelling. In de oorlogsjaren waren de kerken steeds voller geworden. Je had gehoopt dat het zo zou blijven. Maar onze preken hebben niet uitgewerkt wat we ervan gehoopt hadden."

Desillusie
De desillusie kwam al snel.
„Heel gauw. Net na de oorlog hadden we een gespreksgroep van mensen die wat letters gegeten hadden. Predikanten, mensen uit de politiek, zakenlui... In totaal een man of twintig, allemaal met hoge idealen. We hebben enthousiaste vergaderingen gehad, man. Nooit meer oorlog en al die toestanden. Er moest een heel andere samenleving komen. Ik zat ook op dat spoor. Zeker op sociaal gebied had je rare toestanden, die in de kerk doorwerkten. Toen ik in Zegveld predikant was, stond een arbeider kandidaat voor ouderling. Een godvrezende man. Een dag of wat later kom ik bij de secretariskerkvoogd, een rijke boer. Die vraagt: „Dominee, he-je nou een arbeier benoemd tot ouderling?" „Ja, heb je er wat op tegen?" „O nee, maar je hebt niks aan zo'n man, want hij heeft geen tijd." Ik zeg: „Dat treffen we dan, want hij werkt niet meer." Toen kwam de aap uit de mouw. „'t Is toch niks hoor dominee, een arbeier in de kerkeraad. Daar moet je niet aan beginnen. Je zet de hele boel op z'n kop." Wat dat betreft is er veel verbeterd. Maar politiek en kerkelijk is er niets van onze mooie gedachten terechtgekomen. Nederland is zelfs geen christelijk land meer. Ik weet nog hoe we in de war zaten omdat we dachten dat het hele land rooms zou worden. Dat leek ons het ergste wat je kon overkomen. Wie had dit voorzien? Aan de andere kant geeft het ook wel weer eens moed als je ziet hoe veel jeugd er nog onder het Woord zit. En met hoe veel belangstelling ze luisteren. Laten we vooral niet klein denken van Gods goedheid en trouw."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.