+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS 37

6 minuten leestijd

Met klaarheid is het ons vanuit het voorgaande op het hart gebonden, dat we met de godsdienst vanuit de wet geen ingang kunnen bekomen in het verborgen leven met de Heere. Men blijft er mee op een godsdienstige wijze gebonden aan de wereld. Men weet niet wat het is gast en vreemdeling te zijn op aarde. En daarin hebben wij ons innerlijk leven te beproeven. Want dat vreemdeling zijn op aarde heeft zijn oorzaak in de wedergeboorte. Het leven dat uit God geboren werd is niet thuis op deze wereld, kan hier niet leven gelijk het de keus van het hart is, om geheel voor de Heere te leven.

En dat leven is vanuit de mens niet tot stand te brengen, niet allengskens aan te kweken. Het is een leven vanuit de Heere. Een leven, dat door de onwederstandelijke werking van Zijn Geest, gewrocht wordt in het hart.

Maar desniettemin hebben die geestelijke kinderen een moeder, waaraan het hart innig verbonden is. „Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.” En dat omvat de strijdende en triomferende kerk, die met de innige band der liefde aan elkander verbonden zijn.

Deels leeft deze moeder hier op aarde en dat is de strijdende kerk. En door het geloof is haar wandel in de hemel, zoekt zij de dingen die boven en eeuwig zijn. Zij heeft de triomferende kerk hartelijk lief. Nog op aarde zijnde, was zij veeltijds in arbeid kinderen te baren en op te voeden in de vreze des Heeren. Daarom werd zij toen ook door de kinderen der dienstbaarheid verdrukt, daar zij door die moeder niet zalig gesproken werden in wat wettische godsdienst. Alle geestelijke kinderen die de voetstappen van deze moeder wensen te drukken verlangen met haar eeuwig de Heere te verheerlijken. Daar gaat geen dag voorbij of zij denken bij het lezen van Gods Woord aan deze moeder, die juicht voor Gods troon. En dat doet ook deze kinderen in arbeid komen aan de troon der genade, opdat door Gods Geest harten vernieuwd werden, om te mogen zingen: „Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.”

En daar al de levenden leven vanuit de trekkende liefde des Vaders, de verdienende liefde des Zoons en de werkende liefde van de Heilige Geest, sterven zij uit kracht daarvan aan de werken der wet. Daarop ziet de apostel als hij zegt: „Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.”

Het is een wonder van Gods genade als een mens in het besef van zijn totale onvruchtbaarheid leert zuchten tot de Heere, want het geldt elk mens, dat alle boom die geen vrucht draagt zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. En wat uit de werken der wet is kan Gode niet behagen, want daarin wordt het levende beeld van Christus gemist, al belijden wij Hem met de mond.

Het hart dat kennis bekomt van zijn totale onvruchtbaarheid, leert zuchten: „Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten.” En die bergen van onmogelijkheid zijn ijsbergen die alleen door de warmte van de Zon der gerechtigheid wegsmelten, en dat is wegvloeien, zodat zij geen bestaan meer overhouden.

Tegenover die totale onmogelijkheid vanwege onze geestelijke onvruchtbaarheid, stelt de Heere de beloften van het Evangelie: „Want dar is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep gij die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene die de man heeft.” Iiet gaat in deze tekst om degenen die hun heil niet kunnen vinden in de werken van de wet. En die worden hier bemoedigd vanuit het Evangelie der genade. En daarin gaat het om de Man Jezus Christus en niet om de man Mozes. Geheel ten onrechte heeft men de wet van Mozes tot uitgangspunt gesteld, zodat het werd een vertrouwen op het bloed der besnijdenis. En dat geslacht is niet te verenigen met hen die de zaligheid leren zoeken in Jezus Christus als de enige bron en grond der zaligheid.

Maar hoe is het nu mogelijk vrolijk te zijn in een staat van totale onvruchtbaarheid, daar mensen die hun ellende niet kennen er ook niet over kunnen wenen om getroost te worden. En dat is volkomen waar, maar vroeg of laat komen de levenden te staan tegenover de onvruchtbaarheid van hun totale verdorvenheid. En dan kan men het in die weg van ontdekking, met alles wat er gebeurd is, niet meer stellen. Toen de discipelen als bruiloftskinderen mochten huppelen in het licht van de Heere Jezus, konden zij het daarmee stellen. Maar toen de Heiland Zich gereed maakte voor Zijn borgtochtelijk sterven aan het vloekhout des kruises, werden zij uiteen geslagen en kwamen in de verschrikking van de verstrooiing. Als wenende en treurende mensen zaten zij in de eenzaamheid neder.

Als bruiloftskinderen mochten zij wel vrolijk zijn, maar zij wisten nog niet wat het was door de Bruidegom ondertrouwd te worden in gerechtigheid en in gericht. Om zo geheel eens Anderen te worden.

Tot op de dag van heden worden de levenden op de leerschool van de Heilige Geest ontdekt en ontgrond opdat het van ganser harte omhelsd zou worden, dat we in Adam gans verloren en verdorven zijn, niet in staat iets goeds voort te brengen. Het wordt verstaan dat wij door onze moedwillige ongehoorzaamheid alle levenssappen en krachten zijn verloren. En dan zijn zij als een eenzame mus op het dak”.

Je zeker, die onvruchtbare en eenzame zielen moeten vertroost worden, maar vanwege de ellende waarin zij zuchten, weigeren die zielen getroost te worden, tot dat de Heere er in mee komt en spreekt naar het hart.

De wenende en treurende discipelen konden allen vertroost worden vanuit de staat van Zijn verheerlijking, om het te verstaan dat Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. In Hem is de vergeving van de zonde en het recht ten eeuwige leven. En zo krijgen de kinderen der eenzaamheid een thuiskomen, waarin de rust des geloofs wordt gesmaakt. In dat verband zegt Jesaja: „Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser. Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.”

Het gaat dus om de verheerlijking van Gods ontfermende en reddende liefde die is opgekomen vanuit Zijn goedertierenheid. Maar dat kan niet vermengd worden met de godsdienst van de mens, die opkomt uit de wortel van eigengerechtigheid. En daarom moet het onze er af en zegt de Schrift: „Want Hij voleindt een zaak, en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.” Alles wat er door ons van gemaakt wordt en bij gerekend, kan niet bestaan voor het aangezicht des Heeren. Hij stelt hen onder de roede van Zijn ontfermende en verkiezende liefde in Christus Jezus. En daar komt niet iets van de mens in aanmerking. Het is al uit Hem, door Hem en tot Hem, en die geestelijke kennis bekomt Gods kind in de oefeningen en beproevingen des geloofs. Het is de geestelijke leerschool die niet gemist kan worden, om hier en hiernamaals voor eeuwig te leren zingen van Gods goedertierneheid.

Galaten 4 : 26, 27

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.