+ Meer informatie

HOE GAAT EEN PREDIKANT OM MET EEN REEDS OPGESTELDE LITURGIE BIJ EEN BEGRAFENIS?

10 minuten leestijd

Inleiding

Op maandag overlijdt zr. Α.; opeens moet in een kort tijdsbestek veel geregeld moet worden. Gelukkig tast de familie niet in het duister over de vraag hoe de overledene de begrafenis geregeld zou willen hebben. Bij de verzekeringspapieren en bankafschriften wordt een map gevonden met allerlei aanwijzingen. Zo zijn o.a. de tekst voor de dienst en de liturgie al helemaal klaar. De dominee hoeft het alleen nog over te schrijven.

Ik ben ervan overtuigd dat vele predikanten en kerkenraden de situatie zullen herkennen. Uiteraard zijn er vele variaties in de omstandigheden mogelijk. De vraag is nu: hoe ga je ermee om? Hoe ga je ermee om als predikant? Maar predikanten hebben het niet alleen voor het zeggen in de kerk. Laat ik daarom meteen de vraag wat breder trekken: hoe gaan we als kerkenraden om met een reeds opgestelde liturgie bij een begrafenis? Voor ik concreet op de vraag inga, wil ik de zaak eerst wat breder verkennen.

Geen blijvende stad

De bijbel spreekt rechtuit over de dood. In Rom. 5:12 wordt gezegd dat door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood. Dat grijpt terug op Genesis 2 en 3. De dood is de wereld ingekomen als straf op de zonde. Hebr. 9:27 spreekt in dit verband zelfs over een (goddelijke) beschikking. Alle mensen moeten eenmaal sterven en daarna worden zij geoordeeld.

Op allerlei plaatsen in Oude en Nieuwe Testament worden mensen aangespoord rekening te houden met de realiteit van de dood, die eenmaal komt en met het oordeel dat daarmee verbonden is. Het is dwaas om te denken dat wij hier een blijvende stad hebben (Hebr. 13:14). Het leven van een mens is als het gras dat de ene dag bloeit en de volgende dag verdwenen is (Jes. 40:6–8, vgl. 1 Petr. 1:24). Daarom is het belangrijk om door het geloof te weten dat ”indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis”, 2 Kor. 5:1.

Niet minder belangrijk is de oproep aan de nieuwtestamentische gemeente om Christus uit de hemel terug te verwachten. Daarbij moeten we niet zijn als de vijf dwaze meisjes uit Mat. 25:1–13. Zij hadden zich niet voldoende voorbereid op de ontmoeting met de bruidegom. Paulus houdt de gemeente voor dat wij nu reeds burgers zijn van een rijk in de hemelen, ”waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten” (Fil. 3:20; vgl. 1 Thess. 1:10 en Hebr. 9:28). De toekomstverwachting van het geloof is geheel en al verbonden met Christus. Het uitzicht van de gelovige richt zich op het altijd met de Here te zijn (1 Thess. 4:17) en op het met Christus zijn na dit leven (Fil. 1:23).

Er zou vanuit de Schrift nog meer gezegd kunnen worden over leven, dood en de verwachting van de gelovige. De genoemde bijbelse lijnen geven echter al duidelijk genoeg aan dat het niet vreemd is wanneer een christen zich bezighoudt met het einde van het aardse leven en de toekomst waarin de heerlijkheid van het leven met Christus ten volle zal geopenbaard worden.

Oude traditie

Het overdenken van de eindigheid van het aardse leven en de heerlijkheid van het toekomstige leven heeft ook een plaats gekregen in de traditie van de gereformeerde kerken. Daarin volgt de Reformatie een traditie die teruggaat tot de vroege kerk van de eerste eeuwen. Ik geef een paar voorbeelden.

Johannes Calvijn schrijft in de Institutie III,9 over de overdenking van het toekomstige leven. Hij gebruikt de vergelijking van de gebroken, zondige wereld met de toekomstige heerlijkheid om de gelovigen aan te sporen te volharden in de goede strijd. ‘Als de hemel ons vaderland is’, zegt hij, ‘wat is dan de aarde anders dan een oord van ballingschap?’ Calvijn noemt het een beschikking van God dat zij die eens in de hemel gekroond worden, eerst op aarde moeten strijden en overwinnen door de kracht van Gods genade.

Gisbertus Voetius, theoloog uit de Nadere Reformatie, geeft in De praktijk der godzaligheid (1664) een overzicht van de toenmalige Nederlandse en buitenlandse literatuur over het onderwerp ‘euthanasia of wel-stervenskunst’. Het woord ‘euthanasie’ heeft dan nog niet de ongunstige klank die het voor ons heeft gekregen. Het gaat Voetius niet om een ‘zachte’ dood in medische zin, maar om een ‘goede’ dood in theologische zin. Het onder ogen zien van de sterfelijkheid van het aardse leven en de voorbereiding op het sterven zijn gericht op de troost van het geloof. Want wie gelooft, hééft eeuwig leven (Joh. 3:36). De vragen naar de zekerheid, de kracht en de troost van het geloof staan centraal bij deze vorm van stervensbegeleiding en stervensvoorbereiding. Gezien de lijst van tientallen boeken die Voetius opsomt, leeft het onderwerp in zijn tijd. Predikanten maakten van deze literatuur gebruik om zich te laten toerusten om stervenden in hun laatste uren pastoraal bij te staan. Onder de vele raadgevingen die Voetius geeft rond het sterfbed zijn ook een aantal praktische adviezen. Zo zegt hij o.m. dat men zich moet verzoenen met zijn naaste, dat men zijn erfenis dient te regelen en dat men alles in het werk moet stellen om op de begrafenis bijgelovigheden, vertoon van rijkdom en overdaad te voorkomen. (Overdadige begrafenismaaltijden waren in die tijd berucht).

Bereid uw huis

Jezelf voorbereiden op het einde van het leven is in het licht van de Schrift een goede zaak. In de gereformeerde traditie is het geen vreemd element, maar deel van de persoonlijke geloofsbeleving en onderdeel van het pastoraat. Laten we het dus vooral positief en niet negatief beoordelen wanneer gemeenteleden regelingen treffen in verband met hun overlijden.

Het is een zeer ingrijpende ervaring, wanneer iemand te horen krijgt dat hij of zij lijdt aan een levensbedreigende ziekte. Er komt een pijnlijk proces op gang van afscheid nemen. Velen hebben het gevoel: dit kan mij niet echt overkomen! Maar ontkennen van de werkelijkheid is niet vol te houden. Je kunt er niet omheen de werkelijkheid onder ogen te zien. Een onderdeel van dit verdrietige verwerkingsproces kan zijn, om een aantal zaken rond sterven en begraven te gaan regelen. Het samen bespreken van deze dingen met man of vrouw en de familie kan—niet alleen voor de zieke zelf, maar ook voor de achterblijvers—veel betekenen. Het is geen verplichting die iemand opgelegd kan worden. Soms is er geen tijd meer voor. Niet iedereen kan het opbrengen. Maar wanneer iemand in het kader van het zich voorbereiden op het einde van dit aardse leven een liturgie voor de begrafenis opstelt, kan er van de tekst- en liede-renkeuze veel uitgaan. Het komt voor, dat de predikant (en/of wijkouderling) al lang voor het overlijden te horen krijgt van de wensen rond de begrafenis. Er is dan nog ruimte om te overleggen. Zo’n overleg-situatie zal naar mijn inschatting niet snel tot problemen leiden.

Problemen kunnen ontstaan wanneer na het overlijden een liturgie wordt voorgelegd die a. erg afwijkt van wat de gemeente gewend is, of b. niet spoort met het beeld dat de nabestaanden, de gemeente en de predikant hebben van de overledene. Daarom is het goed om een paar lijnen duidelijk te trekken.

Kerkdienst of bijeenkomst?

Tot de laatstgehouden generale synode van 2001 luidde artikel 65 van de kerkorde: ‘lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld’. Daarmee werd de pas afgesneden aan de rooms-katholieke praktijken t.t.v. de Reformatie. De indruk moest voorkomen worden dat kerkelijke rituelen na het overlijden nog invloed zouden kunnen hebben op de eeuwige bestemming van de overledene. Verder wilde men met deze kerkordelijke bepaling vermijden dat op de begrafenis een lofrede op de gestorvene centraal zou staan in plaats van het Woord van God. Verder was het de gewoonte om de begrafenis niet vanuit de kerk, maar vanuit het huis van de overledene te laten plaatsvinden (de teraardebestelling vond wel in de kerk of op het kerkhof plaats).

Er is veel veranderd sinds de tijd dat artikel 65 voor het eerst in de kerkorde terecht kwam. Zo komt het bij mijn weten bijna niet meer voor dat er van huis uit begraven wordt. In de regel vindt de begrafenis vanuit een kerk of een aula plaats. Ondanks allerlei veranderingen is in onze kring toch vastgehouden aan de regel dat bij een begrafenis geen kerkdienst wordt gehouden. Zo bleef het uitgangspunt, dat het in principe gaat om een bijeenkomst van de familie waarop de predikant wordt uitgenodigd om met het Woord van God de rouwende familie te troosten. Het onderscheid met een kerkdienst wordt o.a. tot uitdrukking gebracht door middel van een andere naam: ‘rouwdienst’ of ‘dienst van Woord en gebed’ (en niet ‘eredienst’). Ook andere accenten onderstrepen het verschil met een zondagse kerkdienst: geen handdruk door een ouderling van dienst, alleen het votum en niet de groet aan het begin, geen wetlezing of geloofsbelijdenis tijdens de dienst en geen zegen aan het eind. Het uitgangspunt dat het bij een begrafenis in principe niet gaat om een kerkdienst wordt soms ook gebruikt om wat vrijer met liturgische gebruiken om te gaan dan in de zondagse erediensten.

De generale synode van 2001 heeft artikel 65 van de kerkorde ingrijpend veranderd. De tekst luidt nu: ‘Wanneer een kerkenraad vanwege het overlijden van een lid van de gemeente een dienst belegt, zal hij erop toezien dat in deze dienst niet de overledene maar de bediening van het Woord centraal staat’. Het hoofdaccent ligt niet meer op een familiebijeenkomst waarin het Woord gebracht wordt, maar op een kerkdienst. Daarin komt meer dan vroeger uit, dat er een band is geweest tussen de overledene en de gemeente. De gemeente wordt daardoor nog indringender dan voorheen opgeroepen om op deze dag om de rouwende familie heen te staan. Overigens geeft de formulering van artikel 65 wel ruimte aan een kerkdienst, maar legt die niet als een verplichting op. Willen gemeenten bij de bestaande traditie blijven, dan wordt hun niets in de weg gelegd.

Om te overwegen

De wijziging van artikel 65 van de kerkorde lijkt mij voldoende aanleiding voor kerken-raden om zich te bezinnen op de vraag of men al dan niet gebruik wil maken van de mogelijkheid een kerkdienst te beleggen n.a.v. het overlijden van een gemeentelid. Er valt veel te zeggen voor een kerkdienst, maar er kunnen ook feiten en omstandigheden meespelen die tot een andere keuze leiden. Laat de kerkenraad vervolgens zijn standpunt in de gemeente bekend maken, zodat iedereen weet welke lijn gevolgd wordt. Wordt in de lijn van het nieuwe artikel 65 gekozen voor een kerkdienst, dan gelden daarvoor de regels die in het algemeen op een kerkdienst van toepassing zijn. Toegespitst op de liturgische orde, denk ik dan aan wat we vinden in de kerkorde artikel 64, sub 2. Daar staat dat de kerkenraad de liturgische orde vaststelt en dat een voorganger deze orde niet op eigen houtje kan veranderen. Die lijn kan ook doorgetrokken worden naar een liturgie die gemeenteleden als verzoek doorgeven. Elementen die niet vallen binnen de bestaande liturgische orde dienen vooraf door de kerkenraad beoordeeld te worden.

Heeft een gemeente ervoor gekozen bij een begrafenis niet een kerkdienst, maar een samenkomst te houden waarin het Woord centraal staat, dan zou ik ervoor willen pleiten om niet teveel af te wijken van wat de gemeente in de loop der jaren bij begrafenissen gewend is geraakt. Omdat predikant en kerkenraad voor zo’n bijeenkomst ook ieder een eigen verantwoordelijkheid dragen, zou de beslissing over ongebruikelijke verzoeken bij de kerkenraad als geheel moeten liggen en niet bij de voorganger alleen.

Tot slot

Het is een goede zaak wanneer gemeenteleden regelingen treffen met het oog op het einde van hun leven. Het opstellen van een liturgische orde kan daar een zinvol onderdeel van zijn. Laten wij echter de laatste wensen van iemand niet verwarren met eisen of voorschriften. Predikant en kerkenraad houden hun eigen verantwoordelijkheid, ook als er ruimte wordt gegeven voor verzoeken van gemeenteleden. In de sfeer van overleg is veel mogelijk. Laten kerkenraden daarom duidelijk aangeven welke regels zij volgen.

Naschrift: met name rond het in de laatste alinea gestelde rijzen vandaag de dag soms niet geringe problemen. De redactie neemt zich voor daarop binnenkort terug te komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.