+ Meer informatie

GEDACHTEN OVER HET FUNCTIONEREN VAN DE GEMEENTE EN DE AMBTEN DAARIN IN DE CONTEXT VAN MAATSCHAPPELIJKE VERANDERINGEN

11 minuten leestijd

Wie poneert, dat we in een tijd leven die vooral gekenmerkt wordt door de snelheid van elkaar opvolgende Veranderungen in vele sectoren van de samenleving, zal weinig tegenspraak ontmoeten. Integendeel, het lijkt er veel meer op, dat hij „een open deur intrapt”. Men behoeft zelfs niet eens tot „de oude garde” te behoren om aan de hand van meetpunten in een betrekkelijk recent verleden het andere in het heden aan te kunnen wijzen.

Bij het veranderen van vele dingen en omstandigheden in de maatschappij zullen we vaak het gevoel hebben, dat de dingen ons „overkomen”. Toch vinden ze veelal hun oorsprong in menselijk denken en handelen. Wetenschap en techniek lokken uit tot menselijk ingrijpen in processen om deze planmatig te doen verlopen. Maar diepgaande en breed gespreide veranderingen komen tot stand via een praktisch onontwarbaar interactiepatroon, en een totaal van onderlinge beinvloeding van factoren. En, hoewel ook dat interactiepatroon op zich weer een object van wetenschap is, waardoor bronnen van verandering kunnen worden opgespoord, veranderingsprocessen worden doorgelicht of voorspeld en wetmatigheden worden ontdekt, er blijft toch altijd weer iets van het onverwachte, het niet voorspelde of niet te voorspellen gebeuren, waardoor we worden overrompeld. En velen zullen de momenten beleven van vermoeidheid en de neiging „om het nu maar op te geven”, wanneer men onverwacht snel gesteld wordt voor de zoveelste opgave tot aanpassing aan tot dan onbekende situaties.

Nu zijn er - gelukkig - veel veranderingen geweest die we als verbeteringen konden waarderen. We spreken van vooruitgang in de gezondheidszorg, verbetering van sociale voorzieningen, volkshuisvesting en hygiène. Financiële bestaanszekerheid voor allen wordt natuurlijk positief gewaardeerd. Wij dreigen zelfs de positieve waarde van een aantal zaken wel eens te overschatten. Want altijd blijken er weer te zijn de niet-verwachte neveneffecten, die ook positieve zaken voorzien van negatieve facetten. En andere actuele verschijnselen als voortgaande verstedelijking, automatisering van produktie en administratie, schaalvergroting, arbeids-deling (het verloren gaan van het „vakmanschap is meesterschap” en de vreugde daarin), sanering en fusering in het bedrijfsleven, toenemend lawaai en verkeersoverlast etc. schijnen velen van ons meer te verbijsteren en te beangstigen dan te verbeugen.

De hiergenoemde veranderingen vormen slechts een kleine sortering uit een totaal, dat diep ingrijpt in ons levenspatroon. Een paar voorbeelden: arbeid in ploegendienst bei’nvloedt het levensritme in de daarbij betrokken gezinnen, communicatie-media overbruggen geografische afstanden, maar kunnen een isolerend effect hebben op huisgenoten onderling, omdat ze de plaats innemen van gesprek en samenspei. Het toenemend aantal grootwinkelbedrijven en het verdwijnen van veel kleine zelfstandige middenstanders, vermindert de sociale contacten van de huisvrouw. De grote verscheidenheid van maatschappelijke beroepen, functies en opleidingen maken ons minder herkenbaar voor elkaar. De huisvesting van bejaarden en gehandicapten in verzergings- en verpleeghuizen vergroten vaak niet slechts de geografische, maar ook de sociale afstand van elkaar. We denken (te) gemakkelijk in categorieën als: „kinderen”, „jeugd”, „gehandicapten”, „bejaarden” etc., maar ook dit heeft een schaduwzijde.

Zonder echter aan het totaal van eigentijdse verschijnselen een negatief waarde-oordeel te verbinden, kunnen we toch vaststellen, dat het totaal van „verworvenheden” ook eigentijdse Problemen oplevert. Behalve, dat het voor veel mensen moeilijker geworden is de juiste wegen te vinden in een samenleving die steeds ondoorzichtiger en - voor de beleving van velen - steeds onpersoonlijker wordt, schijnt het verschijnsel van „vereenzaming” toe te nemen. Eenzaamheid, die beleefd wordt in het kantoor, op de fabriek, of als werkloze, in de buurt waar men woont, in verzorgings- of verpleegtehu is waarop men is aangewezen.

Naast dat fenomeen van toenemende eenzaamheid zouden meer zaken genoemd kunnen worden die samen het totaal van een actueel problemenpatroon vormen. Voor een duiding van dit totaal zouden we misschien moeten denken aan een reeds door Karl Marx geintroduceerd begrip: „vervreemding”. De mens wordt door de structuur (en cultuur) van de samenleving vervreemd van: zijn arbeid, de natuur en zijn medemens. Dus het is toch de maatschappij-structuur, die, zoals de moderne denker H. Marcuse ons voorhoudt, die onderdrukkend en daardoor verziekend werkt? Ongetwijfeld reikt Marcuse belangwekkend diagnostisch materiaal aan. Wat echter bij hem ontbreekt, is: een geloofwaardige therapie. Dit komt wellicht, omdat zowel de diagnose van Marx, evenals die van Marcuse, hoe knap ook, en in onderdelen als hulpmiddel bruikbaar, toch de wortel niet raken. Beiden zien de mens als autonoom. Hij kan zichzelf bevrijden en is daartoe geroepen en in staat! Voor hen is de mens niet Gods schepsel, welks hoogste welzijn is gelegen in leven naar Zijn wetten. Daarom zal de zogenaamde structured revolutie die wordt gepredikt het geneesmiddel niet kunnen zijn.

Wat we tenminste van de zogenaamde neo-marxistische maatschappij-analisten kunnen zeggen is: dat er „kinderen der wereld” zijn die zorgvuldigheid betrachten en de armoede en noden van de hedendaagse samenleving scherp onderkennen.

Maar ook zonder „rode” bril zijn deze herkend en tegemoet getreden: Een grote verscheidenheid van psycho-sociale hulpverleners staan ons ten dienste. Hulp, gericht op individuele personen, maar ook op groepen en grotere gemeenschappen.

In vele vormen van onderwijs is een stuk vorming ingebouwd om jonge mensen niet alleen te bekwamen voor een toekomstig beroep of Studie, maar ook sociale vaardigheden bij te brengen waardoor zij gemakkelijker adequaat op veranderde situaties kunnen reageren.

Het is echter niet mijn bedoeling om te schrijven over maatschappelijke dienstverlening, of opbouw van de samenleving of vormingswerk. Wei wil ik u en mijzelf als ambtsdragers en kerkleden de vraag voorleggen of en welke van de hierboven - vluchtig gesignaleerde - maatschappelijke veranderingen het leven van de kerken, het functioneren van de ambten in de gemeenten en dat van de gemeente in haar geheel bei’nvloeden, c.q. bedreigen.

Een andere vraag is of bepaalde maatschappelijke verschijnselen, die niet voorbij gaan aan het bestaan van de gemeente als geheel en de leden ervan persoonlijk,tijdig in beleidsonderdelen betrokken’ kunnen worden en of we als ambtsdragers voldoende alert zijn voor sociale veranderingen in werk- en woonomgeving, die diepingrijpend zijn voor mensen die er direct mee geconfronteerd worden. Kennen we bepaalde sociale contexten van elkaar nog voldoende om, ’t zij pastorale of diaconale bijstand te kunnen geven of lopen we te veel achter bepaalde feiten aan en worden we te vaak alleen met gevolgen geconfronteerd? Hebben we voldoende zicht op de constante en de variabele factoren in het functioneren van de gemeente als geheel en voor de ambten daarbinnen?

Met het stellen van deze vragen, vrees ik, dat het antwoord al is gegeven. Ik heb de indruk dat we nog te weinig zijn toegerust met antennes voor de verschijnselen van de maatschappelijke stroomversnellingen en de gevolgen daarvan om tijdig beleidsmatig, pastoraal en diaconaal opdoemende problemen tegemoet te gaan.

Misschien komt dit, omdat we nog te weinig gebruik maken van ervaringen van zusterkerken, te weinig gaven en deskundigheid uit de gemeente en het kerkverband inschakelen ter toerusting van elkaar. Te veel vastzitten op min of meer traditionele manieren van handelen, individueel en gemeenschappelijk waardoor toch mogelijkheden blijven liggen. Ik ben me ook bewust, dat we op dit moment, ook in dit artikel, nog niet veel verder kunnen komen dan wat problemen signaleren en elkaar wat vragen voorleggen. Wanneer dit aanleiding zou kunnen worden voor een gedachtenwisseling in wat breder kring zouden er misschien ook ervaringsgegevens te voorschijn kunnen komen, waarmee de ene gemeente de andere kan dienen. Samen zouden we misschien een nu nog wat vage duiding van problemen wat scherper kunnen omlijnen.

Juist de liefde voor het aan onze kerken „toebetrouwde pand” roept ons niet slechts tot het bewaren ervan, maar tevens tot het werken ermee. Woekerend met „talenten” in de sociale werkelijkheid van de samenleving waarin we als individuele mensen en als kerken de opdracht hebben getuigenis te geven. De manier waarop we, als we tot arbeid in het koninkrijk geroepen zijn, bezig zijn zal echter in een aantal opzichten zo moeten zijn dat ze passend is bij het benaderen van actuele situaties. Uit een veelheid van verschijnselen wil ik er nog enkele onder de aandacht brengen.

De relatieve welvaart waarin we leven verschaft ons o.a. de mogelijkheden op vakantie te gaan. De werkomstandigheden van zeer veel mensen zijn zodanig, dat een periode van rust en ontspanning elders als een weldaad ervaren wordt en een belangrijke voorwaarde vormt om daarna weer de gewone verantwoordelijkheden aan te kunnen.

Als zodanig kan een vakantiereis of een weekend uit als één van Gods goede gaven genoten worden. Het wordt echter bedenkelijk, wanneer in een classisverslag vermeid moet worden, dat de weekendrecreatie in sommige kerken een „ware exodus te zien geeft”. Als het zo geworden is,dan blijft het niet zonder schadelijke gevolgen voor het functioneren van een gemeente. Het lijkt erop, dat we dus het gevaar lopen in dit opzicht te zeer naar het model van „deze wereld” te leven en ons weinig bewust zijn van de roeping waarmee we geroepen zijn tot het ambt aller gelovigen of tot het bijzondere ambt. Ik geloof niet, dat we er zijn met een simpel constateren van dit verschijnsel, evenmin met een oppervlakkig generaliserend oordeel daarover. Het is nodig de beweegredenen - en die kunnen zeer verschillend zijn - te kennen en daarna zijn we pas in staat naar de therapie te zoeken,

Categorisering van mensen schijnt een zaak waaraan niet valt te ontkomen. In de gemeente spreken we van bejaarden, jong-belijdende leden, jongeren etc. De snelheid van maatschappelijke ontwikkelingen kan tussen deze categorieën een grote afstand schleppen.

Ook bij onze op een bepaalde categorie in de gemeente gerichte arbeid, hetzij pastoraal of diaconaal, moeten we steeds bedenken dat het lichaam van Christus één geheel met verschillende leden is, ook in dit opzicht.

Het bevolkingspercentage dat de zegen van een hoge leeftijd mag bereiken is hoger dan ooit. Traditionele vormen van zorg voor degenen onder hen die deze nodig hebben zijn voor een belangrijk deel weggevallen en velen wonen in een verzorgings- of verpleeghuis. Het is dus zo, dat een deel van de gemeente tehuisbewoner is. Sommigen daarvan kunnen de kerkdiensten nog bezoeken, anderen niet. Hebben wij als kerken ten behoeve van tehuisbewoners een bepaald beleid? Of vinden we het b.v. gewoon, dat er leden van de gemeente jarenlang verstoken zijn van het sacrament van het avondmaal?

Niet alle bejaarde broeders en zusters lijden aan eenzaamheid, maar er zijn er! Is het ambtelijk werk er op gericht de gemeente in dit opzicht ook als gemeente te doen functioneren om het isolement van broeders en zusters te voorkomen of te doorbreken?

Eenzaamheid is niet alleen een probleem van ouderen alleen. Een jongere huisvrouw, een ongehuwde, acht-hoog in een flatgebouw kan hier ook onder lijden. De moeilijkheid is, dat eenzame mensen vaak zelf contact-mogelijkheden mijden. Benadering eist grote zorgvuldigheid en tact. En.... voorkomen is beter dan genezen! Zo zijn we er bijvoorbeeld nog niet in alle kerken in geslaagd om nieuw ingekomenen zó bij de gemeente te introduceren, dat zij zich spoedig thuis zouden kunnen voelen. Ten overvloede wil ik nog opmerken, dat het probleem van de eenzaamheid zich niet alleen in de grote stad voordoet. Onze kerkelijke gebouwen zouden wellicht meer dan nu op veel plaatsen nog het geval is, aantrekkelijke ruimtelijke mogelijkheden voor ontmoeting moeten worden.

Het begrip democratisering behoort tot de ideologie van deze tijd, het is in zoverre een vaag begrip, dat er op zeer verschwende wijze inhoud aan wordt gegeven. In de kerk kennen we geen democratie, maar tot het gemeente-zijn behoort - dacht ik - wel de uitwisseling van gevoelens en gedachten over zaken die we van belang achten voor de gemeente en/of het kerkverband. Maar zijn we er zorgvuldig voor toegerust om het gesprek zó te voeren, dat daarbij niet slechts de liefde voor waardevolle principia, maar niet minder die voor elkander duidelijk blijkt?

Ik heb de indruk dat wij het er soms moeilijk mee hebben en dat het tijdens catechisatie-uren en huisbezoek als negatief ervaren wordt, wanneer naar het waarom van sommige zaken wordt gevraagd. Maar is dat nodig, wanneer we samen willen buigen voor het gezag van Gods Woord en dus niet uitgaan van democratie, maar van de heerschappij van de Here Jezus Christus?

Snelle veranderingen in de samenleving gaan de kerken niet voorbij. Of verschijnselen als dat van secularisatie, nivellering etc. zich voort zullen zetten weten wij niet. Wel weten we dat God „het werk zijner handen niet laat varen”. Zolang Hij ons een taakopdracht geeft is er voor ons de tijd om die te verrichten. Ook met de gaven en actuele middelen van die tijd, al staan we daar soms onwennig of argwanend tegenover. Als we eerbied voor het Woord Gods hebben, dan zullen we ook de beste middelen gebruiken om de gemeente en de leden ervan daarmee te dienen.

In Hand. 17 geeft Paulus ons het voorbeeld: hij haakt in bij de situatie die zich in Athene voordoet en spreekt een voor de Atheners verstaanbare taal als hij zegt: „Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij buitengewoon ontzag voor godheden hebt”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.