+ Meer informatie

Het knipperlicht van de Haïtiaanse hoop

"We wachten, berusten en incasseren"

12 minuten leestijd

Het geplaagde Haïtiaanse volk zucht alweer anderhalf jaar onder een wrede dictatuur. De schending van de mensenrechten is zorgwekkend toegenomen. Het handelsembargo, dat de militaire machtshebbers zou moeten treffen, is zo lek als een zeef En de hoop van het volk op de terugkeer van de verdreven riester-president Aristide verflauwt. Een predikant typeert de hoop van de gekwelde bevolking als een knipperlicht. Uit, aan, uit... Zal de lamp ooit nog gaan branden?Een reportage.

In de nacht van zondag 30 september 1991 eindigde de droom en begon de nachtmerrie. De droom van het merendeel van de Haïtianen was de kleine priester Jean-Bertrand Aristide. Met zijn charismatische redevoeringen en profetische kijk op het onrecht in de Haïtiaanse samenleving had hij het volk voor zich gewonnen. De zeven moordaanslagen op zijn leven deden zijn populariteit slechts groeien. Als presidentskandidaat van het Nationaal Front voor Verandering en Democratie (FNCD) kreeg hij bij de verkiezingen in december '90 bijna zeventig procent van de stemmen. Zijn politieke programma was eenvoudig en in één slogan samen te vatten: "Sèl nou fèb, ansanm ansanm se Lavalas". Alleen staan we zwak, maar samen vormen we een vloedgolf. Het land moest schoongespoeld worden van de oude machtsstructuren. Corruptie en drugshandel moesten worden uitgeroeid. Reorganisatie van het leger en vergaande landhervormingen stonden bovenaan zijn verlanglijstje. Tijd om zijn programma uit te voeren kreeg hij niet. Een staatsgreep van het leger onder leiding van generaal Cedras maakte een eind aan de droom. De nachtmerrie was begonnen.

Selectieve onderdrukking
„We zitten op het moment weer in de voor Haïti bekende 'politique de doublure'-situatie", zegt journahst Ives-Marie Chanel. „Om de schijn van democratie op te houden schuift het leger een burgerregering naar voren, terwijl de militairen achter de schermen de touwtjes in handen hebben. Je kunt zeggen dat Haïti bezet is door zijn eigen leger." De onderdrukking is volgens de journahst zeer geraffineerd. „Het leger kiest zijn doelen zorgvuldig uit. Mensen die in het buitenland bekend zijn worden met rust gelaten. Zo kunnen de voormalige ministers van Aristide rustig hun gang gaan en hebben buitenlanders ook een goed leven. De terreur richt zich op het gewone volk op het platteland en in de sloppenwijken, waar Aristide de meeste aanhangers heeft." Zelfheeft Ives-Marie twee maanden ondergedoken gezeten, vanwege een voor het leger ongunstig persbericht. „Nog steeds ben ik bang dat ze me 's nachts van bed zullen lichten." De gegevens van Amnesty International liegen er evenmin om. Sinds de staatsgreep zijn 2600 gevallen van schending van mensenrechten gerapporteerd, tegen 26 gevallen tijdens de zeven maanden van Aristide. Om een halt toe te roepen aan het onrecht hebben de Verenigde Naties en de Organisatie van Amerikaanse Staten de aanwezigheid van burger-waarnemers op Haïti afgedwongen. De autoriteiten lijken deze waarnemers te beschouwen als een papieren tijger. Onlangs werd in aanwezigheid van een aantal waarnemers de pro-Aristide bisschop van de stad Jérémie,[> bisschop Romélus, door in burger geklede militairen mishandeld. Uitdagend werd kort daarna van officiële zijde ingestemd met deze daad van agressie.

Opstand
„We zijn bang dat Aristide niet meer terugkomt", vertrouwt een marktvrouwtje me toe. „Hij is nu al zo lang weg. Nap tann, we wachten maar af." Niet iedereen is bereid om rustig af te wachten. Op vrijdag 26 maart heerste er in het schilderachtige provinciestadje Saint-Marc een explosieve sfeer. Brandende barricades versperden de hoofdweg. Huizen, auto's en telefoonpalen waren versierd met slingers in de nationale kleuren blauw en rood. Op de muren stonden leuzen tegen regering en leger, en oproepen tot terugkeer van Aristide. Overal in de stad waren foto's van het verdreven staatshoofd te vinden. Het leger greep gewelddadig in om de rust te herstellen. Verslaggever Ives-Marie betwijfelt de terugkeer van Aristide. „Mocht hij terugkeren dan zal dat onder strakke voorwaarden zijn en heeft hij weinig bewegingsruimte meer. Bovendien loopt zijn presidentstermijn over drie jaar af Zo heel veel zal hij dus niet meer kunnen doen. De grondwet van 1987 verbiedt dat een president langer dan vijfjaar aan de macht is, om uitwassen zoals onder de Duvaliers te voorkomen."

Knipperlicht
„De hoop van de bewoners van de sloppenwijken en van de plattelandsbevolking van Haïti is net een knipperlicht", zegt ds. Novy Saintdélis. „Uit, aan, uit... In 1986 was er een enorme verwachting. Jean-Claude Duvalier was vertrokken. Het oude systeem zou nu met wortel en tak worden uitgeroeid. Al snel bleek dat een ijdele hoop. De gevestigde orde werd met gewapende hand hersteld. Duvalier was vertrokken, het Duvalierisme bleef achter. De boom was omgehakt, maar de wortels zaten nog in de grond. En toen was daar Aristide, die als een profeet het georganiseerde kwaad in de samenleving aanwees. Hij vertolkte de tot zwijgen gebrachte stem van de mensen. Tijdens één van de vele aanslagen op zijn leven werd een zwangere vrouw zwaar mishandeld door belagers van Aristide. Als gevolg van die mishandeling kwam de geboorte op gang en gaf de zwaargewonde vrouw het leven aan een dochtertje. Te midden van het lijden ontstond nieuw leven. Het meisje kreeg de symbolische naam Esperanza, Hoop. Toen Aristide zich op het laatste moment beschikbaar stelde als kandidaat voor het presidentschap, was voor het merendeel van de bevolking duidelijk op wie ze zouden stemmen."

Protestanten
Ook de meeste protestanten steunden de rooms-katholieke priester. „Ze zagen in hem een politiek leider, geen geestelijk leider", verklaart ds. Saintdélis. „Je moet niet vergeten dat de protestanten op Haïti grotendeels tot het gewone volk behoren. De kerkleiders hebben meer moeite gehad met Aristide. Aan de ene kant vanwege zijn bevrijdingstheologie en zijn sympathie voor de animistische volksgodsdienst op Haïti, aan de andere kant omdat veel kerkleiders zich min of meer aan de kant van de gevestigde orde hadden geschaard. Kort na zijn inhuldiging als president heeft Aristide een groot aantal predikanten op het paleis uitgenodigd. Ik ben daar ook bij geweest. Hij heelt toen beloofd dat de protestanten dezelfde rechten zouden krijgen als de Rooms-Katholieke Kerk, op Haïti de staatskerk. Een speciale staatssecretaris zou belast worden met de portefeuille 'protestantse kerkgenootschappen'. Ik denk dat wij veel van hem konden verwachten. Alleen is het knipperlicht nu weer uit."

Embargo
„Ti-Goave en Miragoane zijn de smokkelhavens bij uitstek", vertelt een bevriend zakenman me, als we samen Port-au-Prince in zuidwestelijke richting verlaten. Na de opgewonden drukte van de hoofdstad is de landelijke rust een welkome afwisseling. Links en rechts van de weg strekken de suikerrietvelden zich uit zo ver het oog reikt. De lucht is zwanger van een zoete, indringende geur. „Rumstokerijtjes", merkt m'n reisgenoot op. Aan de kant van de weg zie ik inderdaad bouwvallige, zwartgeblakerde fabriekjes met bergen afval van suikerriet op het erf „Het is zo lek als een zeef'. antwoordt de zakenman als ik hem naar het embargo vraag. „Een boot verlaat de haven van Miami. Op de vrachtbrief staat netjes dat de goederen bestemd zijn voor de Dominicaanse Republiek. Als de boot eenmaal in de buurt van de territoriale wateren van Haïti is, haalt de kapitein zijn flesje Tipp-ex te voorschijn en verandert de Dominicaanse Republiek in Haïti. Zo eenvoudig gaat dat. De regering juicht de smokkel vanzelfsprekend toe. Je kunt op klaarlichte dag de haven van TiGoave binnenvaren. Als de douanebeambten aan boord komen, geef je een derde aan van wat je aan boord hebt. Samen met de beambten duik je je kajuit in en even later is alles tot ieders tevredenheid geregeld. Eén derde aangeven is ongeveer de regel. Mensen die eerlijk zaken willen doen, zien hun bedrijf kapot gaan, omdat zij het volle pond aan invoerrechten moeten betalen. Ze hebben op een gegeven ogenblik geen keus meer."

Eigenbelang
Als we de auto voor het haventerrein van Miragoane parkeren, waarschuwt m'n metgezel dat het verstandiger is om mijn fototoestel in de auto te laten. „Van de vorige die hier wilde fotograferen hebben ze alleen zijn toestel verbrand", laat hij me weten. Het is duidelijk. Mij zou het nog wel eens slechter kunnen vergaan. Met een smoes komen we het haventerrein op. Het gonst er van activiteit. Vanuit het ruim van een voor anker liggend schip worden zware zakken meel op de kade gezet. Sjouwers zorgen ervoor dat het meel in gereedstaande vrachtauto's wordt geladen. „Iedereen die hier werkt, profiteert op de een of andere wijze van de smokkel", weet de zakenman. „Van de grote baas tot het laagste personeel." De waarheid van deze woorden blijkt als we een praatje maken met een beveiligingsbeambte. Op onze vraag of hij de opheffing van het embargo en de terugkeer van Aristide verkiest boven het embargo zonder Aristide, antwoordt hij resoluut: „Nee, dan liever een embargo zonder Aristide".

Lek als een zeef
„We zullen eens wat proberen", fluistert m'n vriend me samenzweerderig toe, waarna hij zich in rap Creools weer tot de beveiligingsbeambte richt. „Ik heb eigenlijk een auto nodig. Het liefst een pick-up. In Port-au-Prince kosten ze me te veel. Is er hier misschien nog één te krijgen?" De man kijkt ons onderzoekend aan, aarzelt even en geeft dan een teken om hem te volgen. We verdwijnen uit het zicht van de haven achter een hoge muur. De beambte brengt ons naar een groepje mannen dat in de schaduw onder een boom zit en stelt ons aan hen voor. Wederom legt de zakenman uit dat hij een auto nodig heeft, maar dat hij die gezien de prijs liever niet in Port-au-Prince koopt. Het antwoord van de mannen is kort en duidelijk: „Pas de problème." Geen probleem! „Hoe zit het met de benodigde papieren?", wil m'n vriend weten. „Daar zorgen wij voor." Met de mededeling dat hij erover na zal denken, vertrekken we weer. „Je hoort het, pas de problème." Inderdaad, het embargo is zo lek als een zeef De mannen op het strand van Léogane zijn de romp van hun schip aan het schilderen. Blauw en rood. Nog even en het vaartuig is zeewaardig. „Bestemming Miami?", informeer ik voorzichtig. De oudste man uit de groep schudt zijn hoofd en zegt dat de boot gebruikt gaat worden om houtskool te vervoeren. „Zouden jullie niet weg willen?", houd ik aan. Nogmaals schudt de man zijn hoofd. „Veel te riskant", antwoordt hij kort en wijdt zich weer aan zijn schilderwerk, daarmee aangevend dat wat hem betreft het gesprek afgelopen is. Ik geef het nog niet op en vraag hem wat hij van de nieuwe Amerikaanse president Clinton denkt. Zijn antwoord is veelbetekenend en typeert de actuele situatie op Haïti. „Wie garandeert mij dat je met mijn woorden niet naar de politie gaat?" De man heeft gelijk. Je praat op Haïti niet met vreemden over politiek, zeker niet in het openbaar. Er heerst een groot wantrouwen onder de mensen. „Verklikkers zijn overal aanwezig", zei iemand me een tijdje geleden. „Daarom houden we onze mond."

Berlijnse muur
„Het is inderdaad riskant om de oversteek naar Miami te maken", beaamt Joep Merkx, sinds januari gestationeerd in Port-au-Prince als waarnemer van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR). „Ik ben vanuit > Nicaragua overgeplaatst, vanwege de dreigende exodus van Haïtianen naar de kusten van Florida. Tijdens zijn verkiezingscampagne leek het erop dat Clinton de deuren open zou zetten voor Haïtianen. De door Bush gevoerde politiek van gedwongen repatriëring noemde hij wreed. Door fotomateriaal ondersteunde geruchten deden de ronde, dat er op de Haïtiaanse stranden zes- tot achthonderd boten gereed lagen voor vertrek. De emigratiegolf is echter niet op gang gekomen. Nu Clinton aan de macht is, zet hij het beleid van Bush voort. De kustwacht brengt de Haïtianen direct terug naar Haïti. De mensen weten dat ze op dit moment niet veel kans van slagen hebben. Bovendien zit de schrik er flink in. Denk maar aan de driehonderd Haïtianen die in de buurt van Cuba omgekomen zijn en aan de scheepsramp met de Neptunus, waarbij ongeveer tweeduizend mensen verdronken zijn. Clinton maakt van deze rampen dankbaar gebruik. Het is volgens hem zijn humanitaire plicht om de Haïtianen op zee op te pakken, om ze zo van de verdrinkingsdood te redden. De Haïtianen krijgen zelfs de kans niet om een verzoek in te dienen voor de vluchtelingenstatus. Er is al gesproken over een "drijvende Berlijnse muur" die rondom Haïti is gelegd."

Gedeserteerde soldaat
Om de Haïtianen toch een kans voor een asielaanvraag te geven, zijn de Amerikanen begonnen met de zogeheten "indoor-processing". Het houdt in dat de asielaanvragers in hun eigen land een asielprocedure moeten starten. De UNHCR-waarnemers zetten grote vraagtekens bij deze procedure. „Mensen die politiek vervolgd worden, moeten nu in openbare gebouwen een asielaanvraag doen", zegt Merkx. „Wie garandeert hun veiligheid?" Dat er inderdaad haken en ogen aan deze procedure zitten, blijkt uit het verhaal van de gedeserteerde soldaat Coracehn Williams. Nadat hij uit het leger gedeserteerd was, had hij op Haïti een aanvraag gedaan om politiek asiel te krijgen in de Verenigde Staten. Zijn aanvraag werd geaccepteerd en Coracelin werd onder begeleiding van de Immigratiedienst naar het vliegveld gebracht. Daar aangekomen bleek het leger zijn desertie niet te zijn vergeten en werd hij onder de ogen van de immigratiebeambten gearresteerd en afgevoerd. Slechts na zware politieke pressie bleek het leger bereid hem alsnog te laten gaan. Knarsetandend verklaarde generaal Cedras dat het politieke belang zwaarder moest wegen dan het mihtaire.

Overleven
In zijn eenvoud is het beeld van de "nèg inconnu" (de onbekende neger), op het Champ-deMars plein in de benedenstad van Port-au-Prince, indrukwekkend. Het beeld stelt een slaaf voor die zich ontworsteld heeft aan de banden van de slavernij. Als in een laatste krachtsinspanning heeft hij, steunend op zijn rechterknie en zijn linkerbeen achter zich gestrekt houdend, zijn bovenlichaam opgericht. Het hoofd trots opgeheven. Met zijn linkerhand heeft hij de lambischelp naar zijn mond gebracht. De indrukwekkende en in de bergen ver dragende galm van de schelp gaf tweehonderd jaar geleden het signaal voor het begin van de grote slavenopstand. Anno 1993 lijkt het volk nog steeds verwikkeld in een strijd om vrijheid. Ik herinner me de woorden van ds. Novy Saintdélis: „Meer dan ooit is het leven van de gewone Haïtiaan vandaag de dag een strijd om te overleven. Het volk weet wat lijden is. We wachten, berusten en incasseren." De grote slavenopstand en het vertrek van Jean-Claude Duvalier in 1986 geven aan dat ook voor de Haïtianen de maat vol kan zijn. In de verte hoor ik het gerommel van een opkomend onweer. Donkere wolken drijven in de richting van de Champ-de-Mars. Ik haast me naar huis om voor de regen binnen te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.