+ Meer informatie

WOORD EN DAAD

16 minuten leestijd

I. In de bezinning op de verhouding van Woord en Daad gaat het er om de relatie te leggen tussen de verkondiging van het Evangelie en de actie van de christenen op het gebied van het sociaal-economische, politieke, maatschappelijke en dienstverlenende handelen. In de evangelisatie b.v. om de verhouding tussen de directe verkondiging van het Evangelie en het buurthuiswerk; in de zending b.v. om de verhouding tussen de prediking van het Evangelie en het medische, het sociaal-economische, het opvoedkundige werk; in het werk van Evangelie en Industrie b.v. om de verhouding tussen de pastorale benadering van individuele personen en het werken aan nieuwe structuren van overleg en samenwerking.

Daarbij komt de vraag in hoeverre de kerk als instituut, de kerk in haar ambtelijke vergaderingen, al dan niet bij de daad betrokken dient te zijn.

In de bezinning op de verhouding tussen Woord en Daad zijn tenminste vier verschillende denklijnen te ontdekken, die in de loop van de geschiedenis ontwikkeld zijn. Ik zou die vier denklijnen als volgt willen typeren:

1. de daad als hulpmiddel bij het woord;

2. de daad als gestalte van het woord;

3. de daad ais vervanging van het woord en

4. de daad als onafhankelijke partner van het woord.

In het vervolg van dit artikel wil ik de verschillende opvattingen kort beschrijven en trachten te beoordelen vanuit de Schrift en de belijdenis. De voorbeelden zullen voornamelijk uit de geschiedenis van de zending genomen worden, zo mogelijk uit die van onze kerken zelf.

II, 1. De daad als hulpmiddel bij het woord

In deze opvatting wordt de voorrang gegeven aan het woord, aan de prediking van het Evangelie. Voor zover de daad mogelijk is, krijgt deze een plaats, als hulpmiddel bij de verkondiging van het Evangelie.

Het „Rapport over de medische zending” van de hand van ds. A. Bikker, overgenomen door de deputaten voor de buitenlandse zending der Chr. Geref. Kerk, aangeboden aan de synode van 1934, vertolkt deze opvatting zeer duidelijk. Het begint met de uitspraak: „De Medische verzorging van het volk vormt één van de hulpdiensten der Zending”. De rechtvaardiging van het inzetten van deze hulpdienst wordt gezocht en gevonden in de te benaderen mens. „Deze arbeid vindt zijn rechtvaardiging in het feit, dat de mens bestaat uit lichaam en ziel, welke twee wel onderscheiden, maar niet te scheiden zijn”. Daar de primitieve volkeren het onderscheid tussen lichaam en ziel niet kennen „zal dus een goede zorg voor het lichaam worden gevoeld als een zorg voor den mensch als geheel”. „De gedachte den mensch te zien als een eenheid is er eene, welke wij ook vinden bij den Heere Jezus……”

Wat de verhouding tussen hoofddienst en hulpdienst (woord en daad) betreft wordt in het rapport het volgende gesteld. „Het geestelijke is en blijve de hoofddienst, het medische is en blijve hulpdienst. Wanneer de zending dus voor de keuze gesteld zou worden tussen het geestelijke werk en den medische dienst, omdat ze niet bij machte zou zijn beide tegelijk te doen, dan zou ongetwijfeld de keuze vallen op het geestelijke werk, aangezien het geestelijke alléén wel tot het doel kan leiden, maar het medische alléén zou nooit leiden tot het doel, d.w.z. het stichten van een kerk. De juiste verhouding zal zijn, dat de zending het grootste deel harer kracht concentreert op het geestelijke en een klein deel aan het medische wijdt”. (Met „het geestelijke” wordt bedoeld: prediking en onderwijs).

In het rapport wordt dan verder gepleit voor de uitzending van verschillende personen, „waarvan sommigen theologisch zijn toegerust en anderen medisch”. „Beide ambten toch eischen een ganse persoonlijkheid”. De gedachte personen uit te zenden, die zowel een theologische als een medische opleiding hebben genoten en die dan als zendeling-dokter of dokter-zendeling zullen optreden, wordt op praktische gronden afgewezen. „Onze zending heeft thans twee predikanten, en wanneer ze ooit zal overgaan tot het uitzenden van een derde persoon, zou het m.i. zeker de aangewezen weg zijn als derde man een arts uit te zenden” (Acta ‘34, blz. 73 v.).

Onder de voorstellen, die de deputaten en zendende kerken aan de synode doen valt het volgende ten aanzien van deze zaak te lezen: „B. De Generale Synode besluite:

a. een medischen dienst op het Zendingsterrein in te stellen;

b. aan zendende Kerken en Deputaten machtiging te verlenen hiervoor de noodige maatregelen te treffen, zie rapport medische dienst (bijlage IVb).”

Dat eerst op de volgende synode het besluit valt om een medische dienst op het zendingsterrein in te stellen is voor ons onderwerp van geen belang. Duidelijk blijkt, hoe over woord en daad gedacht wordt. De daad is hulpmiddel bij het woord, kan desnoods gemist worden als de (financiële) omstandigheden de daad niet mogelijk maken. De daad dient niet het doel van de zending: het stichten van een kerk. De rechtvaardiging van de daad ligt in de opvatting van de mens, als eenheid van lichaam en ziel. Een opvatting, die ook de Here Jezus zou hebben gedeeld blijkens zijn wonderen.

Wel klinkt in het rapport nog een andere gedachte door, maar die wordt niet vruchtbaar gemaakt voor de rechtvaardiging van de daad. „Het was Zijne innerlijke bewogenheid met het lot van de lijdende menschheid, welke Hem de hand deed uitstrekken naar de zieken, het gevaar trotseerende, dat door die lichamelijke hulp de menschen Hem zouden gaan zien als een wonderdoend geneesheer, inplaats van als de zaligmakende Heiland”, zo staat óók in het rapport te lezen (Acta ‘34, blz. 73) als het gaat om de genezingsdaden van de Here Jezus Christus. „Innerlijke bewogenheid” is toch wel een heel ander motief dan „de gedachte de mens te zien als een eenheid”. In een ander verband hoop ik hierop later terug te komen.

De gedachte van de daad als hulpmiddel bij het woord was een in de gereformeerde wereld van voor de Tweede Wereldoorlog gangbare gedachte. De gereformeerde synode van Middelburg van 1896, alwaar op voorstel van dr. A. Kuyper werd besloten de zending van de plaatselijke kerk te doen uitgaan, betuigde unaniem haar instemming met de grondlijnen van het rapport, door een commissie van de synode opgesteld en door Kuyper ter synode verdedigd, waarin onder meer gesteld werd met betrekking tot de hulpdiensten van schoolonderwijs en geneeskundige hulp en verpleging in ziekte: „Slechts worde wel in het oog gehouden, dat dit alles voorbereiding en hulpmiddel, geen zending is; en dat alzoo niets van dit alles uit het ambt der kerk voortvloeit, door private personen of genootschappen evengoed kan gedaan; en dat de kerken, waar zij deze voorbereidende en helpende middelen aanwenden, ze nimmer met het ambt vereenzelvigen mogen”. Het zijn middelen „om ingang en aanraking te verkrijgen”. Maar ze behoren zelf niet tot de zending. De kerken mogen alleen zenden, „personen in het ambt zijnde”, dus missionaire dienaren van het Woord.

De Geref. Kerken (onderhoudende art. 31 K.O.) zijn consequent teruggekeerd naar de uitgangspunten van 1896. Zending is alleen: het uitzenden van missionaire dienaren van het Woord. De hulpverlening op het zendingsterrein geschiedt niet door de zendende kerk, maar door private personen en verenigingen, die nauw met elkaar en met de missionaire dienaar van het Woord samenwerken. Ze kennen geen zendingsdeputaten of deputaten hulpverlening, daar al het werk door de zendende kerken, eventueel in samenwerking met genabuurde kerken gedaan wordt. De synode beslist alleen over de opleiding van de missionaire dienaren van het Woord, aan welke eisen die moet voldoen. Zij benoemt de lector in de missiologie.

Zien we naar de huidige situatie in onze kerken, dan valt allereerst op dat het aantal missionaire dienaren van het Woord, die uitgezonden zijn, relatief klein is, vergeleken bij het aantal artsen en andere arbeiders in de zending (5 predikanten, waarvan 1 niet dagelijks met het zendingswerk belast is, 5 artsen, 1 arbeider in de colportagedienst en 1 arbeidster voor de kadervorming en het vrouwenwerk - zie: Jaarboek ‘81, blz. 135, 136). Tevens was tot voor kort een landbouwkundig ingenieur uitgezonden door de deputaten voor hulpverlening in binnen- en buitenland naar het zendingsterrein in Mamasa, waar inmiddels een zelfstandige kerk is ontstaan. Daarnaast wordt door deze deputaten aan allerlei projecten steun geboden, waarbij soms wel, soms geen relatie is met daadwerkelijk zendingswerk en het zendingswerk dat er wel een relatie mee heeft, niet uitgaat van één van de zendende kerken (zie: Jaarboek ‘81, blz. 140). Dat wijst op een verandering in opvatting, die plaats heeft gevonden.

Nu is op de opvatting dat de daad een hulpmiddel is bij het woord wel het één en ander aan te merken. Deze opvatting devalueert de daad tot een opstapje voor het woord. Zo loopt de daad het gevaar in plaats van hulpmiddel bij het woord, lokmiddel tot het woord te worden en „rijstchristenen” te kweken, zoals in de vorige eeuw vele armen getrouw in de kerkdiensten kwamen om niet uitgesloten te worden van de bedeling van de diaconie. Ghandi heeft eens gezegd: „Ik houd staande dat (poging tot) bekering onder het dekmantel van humanitair werk, laten we het maar zacht zeggen, ongezond is… Waarom zou ik van godsdienst veranderen omdat een dokter, die het christendom als zijn religie verkondigt, me van één of andere ziekte genezen heeft?” (citaat bij Stott, Zending in de moderne wereld, blz. 24).

Het motief van de barmhartigheid, het innerlijk bewogen zijn met de nood van anderen die God op onze weg plaatst (dat we ook tegen komen in het rapport, zie boven) en dat in de praktijk dan ook altijd een meer beslissende rol heeft gespeeld dan de leer van de mens als eenheid van lichaam en ziel, is een Bijbels-legitiem motief voor de daad aan de mens, die we benaderen met het Woord.

II, 2. De daad als gestalte van het woord

Deze opvatting is met name door J.H. Bavinck naar voren gebracht in zijn belangrijke „Inleiding in de Zendingswetenschap”. Hij schrijft: „…wanneer deze diensten gedragen worden door oprechte liefde en barmhartigheid, dan houden ze op alleen maar voorbereiding te zijn, en zijn ze op datzelfde moment zelf prediking geworden” (Inleiding, blz. 118 v.).

Voor het „menigmaal veel duidelijker en directer…. spreken door daden” beroept Bavinck zich op de Schrift, waarin „dit scherpe onderscheid, dat wij plegen te maken tussen woorden en daden, onbekend is. Gods daden zijn evenzovele woorden, waarin Hij zichzelf openbaart. De profeten spraken menigmaal bij voorkeur door uiterst concrete daden”. „In de prediking van Jezus zijn woord en daad steeds dooreengemengd. Hij weet, dat zijn „werken” van Hem getuigen (Joh. 5:36). Jezus is „begonnen te doen en te leren”, zegt Lukas (Hand. 1:1). Paulus is zich ervan bewust, dat hij gepredikt heeft „door woord en daad” (Rom. 15:18). „Jezus zegt dat alleen al het zien van „uw goede werken” oorzaak kan worden, dat de mensen „uw Vader, die in de hemelen is” gaan verheerlijken” (Matth. 5:16).

Door anderen wordt met name een beroep gedaan op de stelling, dat het Hebreeuwse woord voor „woord” ook „daad” kan betekenen.

Toegegeven moet worden, dat in bepaalde situaties, waar woorden te kort schieten, een gebaar, een daad welsprekender kan zijn dan het gebruik van vele woorden. Vooral als het er om gaat allerlei gevoelens over te brengen aan een ander, of begrip te tonen voor de al of niet in woorden uitgedrukte gevoelens van een ander, die je ontmoet. Dat is een psychologisch gegeven.

Maar het gaat met name in de zending niet om het overdragen van gevoelens, maar om het brengen van de boodschap van het Evangelie. En dat is allereerst een zaak van het woord. De uitdrukkingen, die het Nieuwe Testament gebruikt hiervoor zijn vele en veelzeggend.

Dat het Hebreeuwse woord „DABAR” ook „daad” kan betekenen en door „daad” vertaald moet worden is een onbewezen stelling, die men o.a. kan vinden in Pop, Bijbelse Woorden en hun geheim. Hij geeft echter niet aan waar in het Oude Testament dit het geval zou zijn.

Bavincks beroep op de Schrift gaat niet op. Moge het waar zijn dat soms bepaalde daden van God evenzovele woorden zijn, waarin Hij zichzelf (of misschien beter: Zijn wil) openbaart (zie b.v. Gen. 24, met name vers 50 en 51), dan geldt dat nog niet vanzelfsprekend ook voor de daden van mensen. De concrete en opvallende daden verricht door de profeten, berustten op een bevel van God in een uitzonderlijke situatie en gingen toch steeds vergezeld van een mondelinge prediking. De „werken” van de Here Jezus, waarvan ons de Evangeliën vertellen, zijn niet bedoeld om door ons nagedaan te worden, maar om inhoud van de prediking te zijn. Die werken „getuigen” van Hem, omdat ze de vervulling zijn van de beloften, het Woord van God in het Oude Testa-ment gegeven (Luk. 4:21, vgl. Joh. 5:36–40). Paulus zegt in Rom. 15:18 niet, dat hij gepredikt heeft „door woord en daad”, maar dat hij de heidenen tot gehoorzaamheid heeft gebracht door woord en daad. Paulus wijst hier heen naar zijn eigen voorbeeld. Hij predikte niet alleen het geloof in en de gehoorzaamheid aan Christus, maar toonde die ook door zijn eigen levensopenbaring. Vgl. 1 Kor. 4: 16, II: 1, I Thess. 1: 6, Filip. 3:17, 4:9. Wat betreft Matth. 5:16 is op te merken, dat allereerst gezegd wordt: „Gij zijt het licht der wereld” (vs. 14). De uitdrukking „licht” wijst mede op het verspreiden van het Woord van God, het Evangelie van Jezus Christus. Daarbij zal het in de levensopenbaring er op aankomen dat voor de mensen duidelijk wordt, dat dat Woord zijn uitwerking heeft in het leven van de brenger/brengster daarvan. Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, dat m.i. de gedachte van „de daad als gestalte van het woord”, waarbij de daad zelf dus prediking zou zijn zonder meer, afgewezen moet worden. Hetgeen natuurlijk niets afdoet aan de opdracht zoals die o.a. verwoord is in Filip. 1:27, Efeze 4:17, Matth. 5: 20.

II, 3. De daad als vervanging van het woord

Hierover wil ik kort zijn. Het gaat om de moderne theologische opvattingen, die veronderstellen, dat de openbaring van God reeds te vinden is bij de niet-christenen in hun eigen (religieuze) geschiedenis, in hun strijd tegen verdrukking en onrecht, in het proces van de secularisatie dat overal, b.v. ook in de hindoeïstische maatschappij, plaatsvindt, in de revolutionaire beweging tot verandering van onderdrukkende en uitbuitende maatschappelijke en staatkundige structuren.

Daarin heeft de christen het „messiaanse licht” te ontdekken om metterdaad de zaak van de gerechtigheid en de vrijheid te dienen door deelname aan die geschiedenis, die strijd, dat proces en die revolutionaire beweging.

Het Evangelie brengt inderdaad grote veranderingen, ook op maatschappelijk gebied. Denken we maar aan de houding tegenover slaven, vrouwen, mensen van andere rassen en culturen, waartoe het Evangelie ons oproept. Maar de basis daarvan ligt in Christus, in Wie „geen sprake is van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij zijt immers één in Christus Jezus”, schrijft Paulus in Gal. 3: 28. Vergelijk: Filemon, Jak. 2: 1, 5: 1–6, Efeze 6: 9, Kol. 3: 22 - 4:1, I Kor. 7: 17–23.

Het denken over de daad als vervanging van het woord, zoals dat in de kringen van de Wereldraad van Kerken sinds Upsala ‘68 in allerlei officiële documenten en door verschillende woordvoerders voor het voetlicht is gebracht,dient m.i. radicaal afgewezen te worden als volstrekt niet in overeenstemming met „de belijdenis van Jezus Christus als Heer en Zaligmaker”, zoals de grondslag van de Wereldraad van Kerken nog altijd luidt.

II, 4. De daad als zelfstandige partner van het woord

Deze gedachtenlijn is ontwikkeld door John Stott in zijn Zending in de moderne wereld, verschenen (in Ned. vertaling) in 1978. Als partners behoren woord en daad bij elkaar en zijn ze toch onafhankelijk van elkaar. „Elk staat op eigen benen in zijn eigen recht naast de ander. Geen is middel voor de ander, of zelfs een manifestatie van de ander… Beide zijn uitdrukkingen van ongehuichelde liefde.” (Ned. vert., blz. 26).

Min of meer in aansluiting bij Stott zou ik het in het kort zo willen formuleren: Christus zendt de zijnen in de wereld om daar in dienende liefde bezig te zijn. Door woord en door daad. Ingaande op de geestelijke en de lichamelijke nood van de ander. In de zendingsopdracht (Matth. 28:19,20) is mede begrepen het „leren onderhouden al wat Ik u geboden heb”, hetgeen samengevat kan worden in het gebod van de liefde (Matth. 22: 37-40). Dat „leren onderhouden” is meer dan alleen dat gebod doorgeven; het is ook: dat gebod voorleven, d.w.z. niet alleen maar zèggen, dat men zijn vijand lief moet hebben, maar ook zèlf die vijand, als hij honger heeft, te eten geven (Rom. 12:20), niet alleen maar zèggen, dat men barmhartigheid moet betonen tegenover de naaste, maar zelf als naaste barmhartig zïjn (Luk. 10: 36, 37), niet alleen maar zèggen, wat goed is en wat kwaad, maar ook zèlf het kwade overwinnen door het goede (Rom. 12: 21). In de navolging van Christus (het discipelschap!) is de daad de zichtbare gestalte van de liefde, die door het woord gepredikt wordt en in Christus’ barmhartigheid gefundeerd is.

Zo gezien is ook de prediking, het woord, een daad van de liefde, die zich ontfermt over de geestelijke nood van de naaste (zie I Thess. 1: 3 in samenhang met vers 8; verg. Kol. 3: 17 „al wat gij doet met woord of werk”).

Woord en daad worden beide ons opgedragen door Christus, die zowel het Grote Gebod (het gebod van de liefde) als de Grote Opdracht (het zendingsbevel) gegeven heeft. In Hem, die gezonden werd om het Evangelie van het Koninkrijk te prediken (Mark. 1: 38) èn die gezonden werd om Zichzelf te geven als een slachtoffer voor onze zonden (Joh. 10: 17 v.) vinden woord en daad hun éénheid, hoewel het zich geven in de dood (de „liefde tot het einde”. Joh. 13: 1) iets anders is dan èn toch op het nauwst verbonden is met de prediking van het Koninkrijk Gods door Jezus Christus.

Woord en daad, we moeten ze onderscheiden; ze hebben een eigen plaats en betekenis, maar we mogen ze nooit scheiden; ze zijn partners van elkaar.

Woord zonder daad van zich gevende liefde is ijdel, leeg (vgl. I Joh. 3: 16-18). Daad zonder woord is ten diepste liefdeloos (vgl. Rom. 10: 11-15).

III. Slot

Wat de praktische consequenties moeten zijn voor ons kerkelijk leven is een zaak van nadere overweging en uitwerking, die ik hier verder achterwege moet laten. Maar ik kan mij voorstellen, dat b.v. deputaten voor de zending zich gaan concentreren op de Grote Opdracht: „Gaat dan heen, maakt alle volken tot Mijn discipelen….” terwijl deputaten voor hulpverlening, niet als „verlengstuk van de deputaten zending”, maar als zelfstandige partners van de deputaten voor de zending zich concentreren op de dienst van de barmhartigheid (medische, sociaal-economische en opvoedkundige dienst) op die terreinen, waarop door onze kerken missionaire dienaren van het Woord zijn ingezet of zullen worden ingezet en eventueel daarbuiten.

Zoals het Tear Fund - Nederland „de diaconale arm” van de Evangelische Zendingsalliantie is, zouden de deputaten hulpverlening in de eerste plaats „de diaconale arm” van onze zending kunnen zijn. Op deze wijze zou ook in structureel opzicht duidelijk worden, dat de daad geen hulpmiddel is bij het woord, noch een gestalte van het woord, noch ook een vervanging van het woord, maar een zelfstandige partner van het woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.