+ Meer informatie

P. C. Hooft, dichter der Renaissance

15 minuten leestijd

Wanneer we in dit blad iets schrijven over de dichter P. C. Hooft bij de herdenking van diens vierhonderdste geboortedag (16 maart 1581), mag men niet verwachten dat dit artikeltje ook maar in enigerlei opzicht aanspraak op volledigheid kan maken. Bij een figuur als Hooft is dit uitgesloten. Wat hier volgt, gelieve men als korte notities te beschouwen over bepaalde facetten van zijn leven en werk. Hooft was, hoe kan het ook anders wanneer we letten op afkomst en milieu, een kind van zijn tijd. En wel zó sterk, dat we in zijn leven ontwikkelingen zien die in zekere zin parallel lopen met die van de jonge Nederlandse Staat.

„De Renaissance is het intreden van het individualisme, het ontwaken van de schoonheidsdrang, de zegepraal van wereldzin en levensblijheid, de verovering van de aardse werkelijkheid door de geest, de herleving van de heidense levenslust, de bewustwording van de persoonlijkheid in haar natuurlijke verhouding tot de wereld."

Huizinga


Hoofts vader was, betrekkelijk kort na de overgang van Amsterdam naar de zijde van de Prins (de „Alteratie", 1578), in het stadsbestuur van Amsterdam gekomen, eerst als schepen, later als burgemeester. Hij behoorde tot de „nieuwe elite". Als tegenstander van het Spaanse bewind had hij namelijk jaren in den vreemde moeten vertoeven, en behoorde hij dus tot degenen die men zijn vertrouwen schonk voor het varen van een nieuwe koers. Nu, dat vertrouwen heeft Hooft Sr. in elk geval niet beschaamd. Hoor, wat Vondel van hem zegt:

Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel, O beste bestevaer! wat waart gij Holland nut. Een stijl des Raeds, toen 't lijf door 'stoksken werd gestut.

Drie jaar na de Alteratie werd zijn zoon Pieter geboren. In het tijdstip van zijn geboorte misschien symbolisch voor deze zoon van de jonge Nederlandse Republiek, welke zoon met zoveel liefde en trots eenmaal de vrijheidsstrijd tegen de Spaanse heerschappij zou beschrijven in zijn onnavolgbare Nederlandse Historiën? Immers in genoemd jaar (1581) zwoer men Philips II af als heer der Nederlanden en daarmee was de politieke losmaking van Spanje een feit geworden. Hooft heeft deze samenloop van omstandigheden aldus verwoord:

Ja in hetzelfde jaar als 't heidelijke volk Den hoed der vrijheid haald' op 't spitse van den dolk. En met afzweren 't Spaans geweld in 't onrecht stelde. Bij vonnis, dat het, op den Vorst des avonds velde. Doen was 't dat ik in 't licht der zuivre zonne kwam.

Wij zullen dan ook vooral de nadruk leggen op die facetten van zijn leven en werk die verband houden met de culturele en politieke ontwikkelingen van de jonge staat.

Zijn leven

Zoals gezegd was Hooft een geboren Amsterdammer:

- Mij viel tot vaderstad het machtig Amsterdam, Dat machtig Amsterdam, hetwelk all' Hollands steden Zo verre zeilt voorbij als Holland Neerlands leden.

Hoofts vader, Cornelis Pieterszoon Hooft, is tot twaalfmaal toe burgemeester van deze stad geweest'. Van nabij heeft de jonge Hooft dus de ontwikkeling en groei van de Republiek meegemaakt, een ontwikkeling waarbij Amsterdam de eerste viool speelde in het gemenebest en weldra alle andere steden overvleugelde in macht en aanzien (zie citaat).

Aanvankelijk was Hooft bestemd om bij zijn vader in de handel te worden opgeleid. In 1598 stuurt deze hem dan ook in het kader van zijn vorming tot allround zakenman, maar ook voor zijn algemene ontwikkeling, naar Frankrijk en Italië. Deze Italiaanse reis is voor de literair begaafde jongeman van grote betekenis geweest. In Frankrijk, maar vooral in Italië, maakte hij kennis met de Renaissance, die in laatstgenoemd land tot grote bloei was gekomen, terwijl ze in ons land nog slechts in een beginstadium verkeerde. Na zijn terugkeer in Holland getuigt zijn literaire werk van deze invloed, o.a. het herdersspel Granida.

Hogefuncties
Door een tweejarige studie aan de universiteit van Leiden in rechten en letteren verkreeg hij een vorming die hem een kans gaf een regeringsambt te bekleden. We zien hem dan ook in 1609 optreden als baljuw van Gooiland, Drost van Muiden en hoofdofficier van Weesp, met het Muiderslot als ambtswoning. Tot nu toe waren deze hoge functies alleen in handen van adellijke personen geweest. Met de vestiging van de jonge republiek waren echter ook op dit gebied ingrijpende veranderingen opgetreden. De oude, feodale verhoudingen hadden een geduchte knak gekregen en hoge functies vielen nu ook ten deel aan zoons uit de gegoede burgerij. De regentenstand is in opkomst. Genoemde ambten namen Hooft niet volledig in beslag. Daardoor bleef hem tijd genoeg voor zijn dichterlijke activiteiten.

In 1610 trouwt hij met Christina van Erp. In de voorafgaande periode had hij verscheidene Amsterdamse jongedames het hof gemaakt. Van deze nogal wisselende verliefdheden vinden we de lyrische ontboezemingen terug in zijn vele minneliederen.

Stoïcijns

Het huwelijksleed is Hooft niet bes[}aard gebleven. In betrekkelijk korte tijdsbestek verloor hij zijn vier jonge kinderen en kort daarop, in 1624, zijn vrouw. Typerend voor Hoofts levensbeschouwing, ook ten opzichte van het verlies van dierbare panden, is wat Knuvelder schrijft in zijn Nederl. Letterkunde, deel II, blz. 196: „De mens wapene zich dus met een grote mate stoïcisme om gelijkmoedig de luimen van het lot over zich heen te laten gaan; hij kan niet beter doen dan „in een bestendige inspanning van krachten, zichzelf te zijn" en dan alles maar zich te laten voltrekken".

Het is duidelijk dat een dergelijk levensgevoel puur heidens is. Het staat lijnrecht tegenover de „enige troost" waarover de Heidelbergèr ons spreekt. Het hoeft ons niet te verwonderen dat, ondanks zijn stoïcijnse levenshouding. Hooft over de nu volgende jaren spreekt van een „naere nacht van benauwde drie jaren". Hieraan komt een eind als hij in 1627 trouwt met Heleonora Hellemans.

Muiderkring

Vooral tijdens dit tweede huwelijk wordt het Muiderslot, waar Hooft 's zomers vertoefde, een cultureel centrum. Vele vrienden kwamen daar van tijd tot tijd genieten van de gastvrijheid der familie Hooft en van het onderhoudend gezelschap der verschillende bezoekers. Men luistert naar en spreekt over eikaars werk, men uit zijn waardering, men spaart geen kritiek, men musiceert, en discussieert over onderwerpen betreffende kunst en wetenschap, maar ook over de staatkundige ontwikkelingen in binnen- en buitenland. Deze bijeenkomsten staan bekend onder de naam van Muiderkring. Het was geen vereniging met een vast programma, maar veeleer een incidenteel gebeuren met Hooft als initiatiefnemer. Tot de bekendste en intiemste vrienden behoorden wel Maria Tesselschade, dochter Van Roemer Visscher, en Constantijn Huygens, ofschoon deze meestal tot zijn spijt verstek moest laten gaan wegens zijn verplichtingen als secretaris van Frederik Hendrik. Verder waren daar de hoogleraren Baerleus en Vossius, rechtsgeleerden, overheidspersonen, kortom alles wat in de Republiek enige faam bezat op het gebied vin wetenschap en kunst.

Het schijnt dat Vondel er niet bij tegenwoordig geweest is, ofschoon hij en Hooft wel contact met elkaar hadden, niet alleen schriftelijk maar ook wel ten huize van Hooft in Amsterdam. Na de overgang van Vondel tot de Roomse kerk is dat contact geheel verloren gegaan. Niet in de eerste plaats vanwege het feit dat Vondel Rooms was geworden, want deze stap, heeft ook Maria Tesselschade genomen, en dat bracht in de vriendschap tussen haar en Hooft geen verandering. De breuk tussen Hooft en Vondel was veeleer een gevolg van het feit dat laatstgenoemde in godsdienstige zaken, naar de smaak van Hooft, al te fanatiek te werk ging. Zoals reeds gezegd, was Hooft krachtens zijn tolerante natuur niet gediend van iets wat volgens hem naar dweperij zweemde, noch ter rechter- noch ter linkerzijde. In 1647 is Hooft aanwezig bij de begrafenis van Frederik Hendrik. Hij vat daar kou en sterft elf dagen later. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam werd hij begraven.

Zijn persoon

In het bovenstaande kwam terloops de persoonlijkheid van Hooft ter sprake. Laten we daarop wat nader ingaan. Zijn levensbeschrijver, Geeraerdt Brandt, geeft het volgende portret in woorden van hem:

„De Drost — om hier zoveel mij doenlijk is zijne print met woorden te malen (schilderen-Kpj.) en den lezer een afbeelding te geven, die hem naar lichaam en geest enigszins gelijke — was lang en magerachtig van persoon, "ook van aangezicht; had wakkere bruine ogen, daar de schranderheid van zijn geest in scheen te spelen. Zijn haar en baard waren blond.achtig van verwe of tussen blond en bruin, het aangezicht blozend, zijne stem en taal manlijk en krachtig.

In 't gezelschap van vrienden, inzonderheid die door geleerdheid en verstand uitstaken, schiep hij groot vermaak en was zo gastvrij, dat het Huis te Muiden bij zomertijd (want des winters onthield hij zich t' Amsterdam daar hij ook zijn huis en verblijf had) zelden ledig was van luiden van letteren en geest".

Innerlijk

Na zijn uiterlijk beeld nu iets over zijn innerlijke structuur. Om die te leren kennen, kunnen zijn talrijke brieven ons uitnemende diensten bewijzen. Daaruit blijkt dat Hooft grote prijs op vriendschap stelde. Hij bezat een scherp verstand en een gedegen mensenkennis; hij was tolerant in zijn oordeel en had een veelzijdige belangstelling voor alles wat zich in binnen- en buitenland afspeelde.

Wat de godsdienst betrof, was hij vrijzinnig in zijn opvattingen en dus een voorstander van een ondogmatisch christendom, een opvatting die in zijn dagen velen uit de hogere kringen met hem deelden. Men duidt deze groep aan met de term Libertijnen. Geen wonder dat zijn libertijnse levensbeschouwing hem in botsing bracht met de Calvinisten, inzonderheid met sommige Amsterdamse predikanten.

Daar kwam nog bij dat Hooft in zijn politieke denkbeelden aanzienlijk afweek van die welke de Calvinisten huldigden, vooral inzake de verhouding kerk en staat stonden de respectieve opvattingen lijnrecht tegenover elkaar.

Zijn werk

Hooft is de zuiverste vertegenwoordiger van de Renaissance in ons land. Bij hem openbaart dit verschijnsel zich niet alleen of hoofdzakelijk in de vorm, maar zijn hele geesteshouding getuigt van diepgaande beïnvloeding door het Renaissance-ideaal.

Zo is er bij Hooft sprake van een sterk individualistisch gerichte kunst. Deze kunst wordt slechts door een klein getal gelijkgestemde geesten gewaardeerd. Denk in dit verband aan de Muiderkring! Was er in de Middeleeuwen sprake van een gemeenschapskunst: voor en door het volk, denk aan bouw- en interieurkunst der kathedralen, het ambachtelijke handwerk, het volkslied, de Renaissance daarentegen veroorzaakte een breuk tussen het volk en de kunst. Ze is aristocratisch: slechts weinigen hadden er deel aan.

We zien dat ook duidelijk bij een figuur als Revius. Hij ook heeft sterk de invloed van de Renaissance ondergaan. Toch blijft hij, evenals Vondel, ten diepste een dichter van het christelijke geloof. Niet de mens, maar God staat bij beiden in hun werk centraal. Het gevolg was wel dat de poëzie van de streng Calvinistische predikant Revius het gereformeerde volk nauwelijks aansprak. Zijn werk vond moeizaam kopers. Zijn vorm was „gesloten", om een term van prof. Heeroma te gebruiken. Andere dichters, o.a. Camphuysen, Sluyter, Van Lodensteyn, hadden een „open" vorm, d.w.z. niet zo streng ingepast in het Renaissance-patroon, maar meer aansluitend bij de toon van het Middeleeuwse volkslied. Hun bundels beleefden druk op druk. Deze dichters ontvingen prompt, aldus Heeroma, het predikaat „vader", het zuiverste bewijs van hun populariteit.

Aards gericht

Behalve de individualistische trekken, vinden we in Hoofts werk een sterk aards gericht karakter: tegenover de theocentrisch gerichte gedachte der Middeleeuwen zien we tijdens de Renaissance intense aandacht voor de aarde en haar schoonheid, niet in de laatste plaats ook voor de schoonheid van de menselijke geest en het menselijk lichaam. Iets dergelijks vond men terug in de Oudheid bij Grieken en Romeinen. In hun werk herkende men een ideaal mens- en wereldbeeld, dat beantwoordde aan eigen inzichten en verlangens, en dat waard was nagestreefd te worden.

In Hoofts werk zien we bovengenoemde trekken duidelijk naar voren komen. Dit geldt zowel zijn lyriek, als zijn drama's en zijn proza (o.a. zijn brieven en de Nederlandse Historiën).

In zijn gedichten zien we een streven ilaar schoonheid, zowel naar vorm als inhoud. Een grote voorliefde heeft hij voor het sonnet, een vorm die Hooft heus niet alleen als een modegril hanteerde, maar die hem kennelijk goed lag. Duidelijk is hier de invloed van de Italiaanse Renaissance-dichter Petrarca te herkennen, die wel de vader van het sonnet wordt genoemd. Het voldoet dan ook met zijn sterk uitgebalanceerde wetten voor rijm, metrum en strofenbouw aan de strengste eisen van beknoptheid, evenwicht en harmonie, eigenschappen die ook in de klassieke Oudheid hoog genoteerd stoiiden.

Politiek

Niet minder is de invloed van de nieuwe stroming te zien in zijn dramatisch werk. We noemden reeds het herdersspel Granida. Maar ook zijn treurspelen zijn totaal anders van stofkeuze en bouw dan het Middeleeuwse drama. De bekendste in dit genre zijn wel Geeraerdt van Velzen en Baeto. Niet alleen de vorm, die onder invloed staat van het oude Griekse treurspel, maar ook de inhoud is opmerkelijk modern voor die tijd, want actueel is zijn probleemstelling. In beide spelen worden politieke denkbeelden uitgewerkt. In de Geeraerdt van Velzen gaat het om de verhouding vorst en volk. Wat is de plaats van die beiden in de ideale staat? In de G. v. V. zien we wat het lot is van een vorst (Flóris V) die tyranniek en eigenmachtig handelt en het gezag der Staten niet eerbiedigt. Feitelijk maakt Hooft zich hier schuldig aan een anachronisme, want de Staten bestonden toen (1296) nog niet. Voor Hooft is dit bezwaar van minder belang: hij ontwikkelt in genoemd drama zijn ideeën over de taak van de vorst, hiermee tegelijkertijd het recht van de opstand tegen Philips II een wettelijke basis verstrekkend.

In Baeto zien we de verhouding staat en kerk, zoals Hooft die wenst, getekend. De priesteres Seghemond in Baeto vertolkt Hoofts gevoelens aldus:

Daaromme: wie dat macht tot godsdienst heeft verkregen. Zij zeker en gedenk' hoe dat hij die van wegen De hoge Overheid te voeren heeft aanvaard.

Onnodig op te merken dat Hoofts idealen ook op dit terrein niet strookten met de visie der Calvinisten. Voor Hooft stond het vast dat de overheid ook in kerkelijke zaken het laatste woord had.

Proza

Wat zijn proza betreft, kunnen we o.a. zijn brieven en zijn Nederlandse Historiën beschouwen als typisch werk .uit de Renaissancesfeer. In zijn plm. 870 brieven blijft hij de literator die bewust de taal gebruikt als medium om op kunstige wijze zijn gedachten en gevoelens te vertolken. Hij past zijn stijl aan bij het onderwerp en vooral bij de persoon tot wie hij zich richt. Zo zien we in deze brieven een grote verscheidenheid in syntaxis en woordgebruik. Schrijft hij aan Huygens, dan is zijn stijl geestig en gebruikt hij, geheel in de lijn van Huygens zelf, woordspelingen en vernuftige zinsconstructies die op ons de indruk maken van gekunsteldheid. Schrijft hij daarentegen aan zijn zwager Joost Baak, dan is de stijl vertrouwelijker, opener en eenvoudiger, maar steeds verzorgd en weloverwogen. Hooft richt zich in zijn briefstijl naar het gebruik der Klassieken, die in hun epistolaire kunst zich beijveren een eigen briefstijl te scheppen, die gekenmerkt werd door zowel helderheid enerzijds als zelfbeheersing en beknoptheid anderzijds.

We moeten als twintigste-eeuwers deze briefstijl zien binnen het samenstel van omgangsvormen die destijds golden. Men hechtte toen, veel meer dan thans, in brede kring aan bepaalde beleefdheidsvormen die men niet straffeloos kon negeren. Wat dat betreft, vertoont onze tijd het omgekeerde beeld! Voor een juiste waardering van het werk uit de Gouden Eeuw moet men inzicht hebben in het leefpatroon van die tijd.

Vaderlijke les

Een bewijs hoe zorgvuldig Hooft b.v. de spelling hanteerde, moge blijken uit een brief aan zijn zoon Arnout, die in Leiden studeerde. Na enkele zakelijke opmerkingen over het kopen van studieboeken voegt hij het volgende eraan toe: „Gn doolt dikwijls in 't spellen van Nederduitsch (Nederlands-Kpj) Let op het mijne; en volgt het. 't Latijnse Nunc in onze tale Nu, niet Nuij gelijk gij spelt. Ik, daarbij behoeft geen c; nochtans spelt gij ick. Esse schrijft gij in 't Duitsch (Nederlands-Kpj) sijn; 't moet zijn door z wezen".

Vervolgens krijgt de jonge Hooft nog een lesje in de verbuigingsleer, waarna vader Hooft aldus besluit: „Dit vermaan ik opdat gij u ook beneerstigt uwe moederlijke tale wel te schrijven en te spreken: waartoe u dienstig zijn zal, bij wijlen wat in mijne Historiën te lezen". Deze brief is gedagtekend „den 27en in Wijnmaandt 1646". Het is dus een van de laatste brieven, want in het voorjaar van 1646 stierf Hooft.

Tot slot nog iets over zijn meesterwerk de Nederlandse Historiën. Van jongsaf had Hooft een grote belangstelling voor geschiedenis, zowel voor die van eigen land en volk als voor de buitenlandse. Dit blijkt uit zijn brieven, maar ook uit de stofkeuze voor zijn treurspelen, o.a. de Geeraerdt van Velzen (13de eeuw) en Baeto (Germaanse tijd). Bovenal interesseerde hem de ongelijke strijd die zijn vaderland te voeren had met het oppermachtig Spanje. Tijdens die geduchte kamp der vrijheid werd Hooft geboren (1581) en nog vóór de Tachtigjarige Oorlog ten einde liep, stierf hij, in 1647. Heel zijn leven heeft dus gestaan in het teken van de vrijheidsstrijd. Is het een wonder dat hij lange tijd met het plan liep om de geschiedenis van deze worsteling te boek te stellen en aldus voor het nageslacht te bewaren?

Verbanden leggen

Maar dit werk moest dan ook een juiste weergave zijn van wat er geschied was, en dat niet alleen. Hooft wenste niet, zoals tot dusver gebruikelijk was, een dorre opsomming te geven van feiten en feitjes in kroniekvorm, maar hij wilde verbanden leggen tussen de feiten en oorzaak en gevolg aanwijzen. Het verhaal moest reliëf hebben om een levendige uitbeelding te verkrijgen. Het moest bovenal dienen „tot onderwijs van vorst en volk". De stijl moest, in de geest der Renaissance, verzorgd en literair verantwoord zijn. Geen geringe opgave! Om de voor dit reuzenwerk gepaste stijl zich eigen te maken, heeft Hooft niet minder dan 52 maal de Romeinse geschiedschrijver Tacitus gelezen! Niet alleen diens stijl maakte Hooft zich eigen, ook diens opvattingen over de methode van geschiedschrijving, welke opvattingen ik zojuist noemde.

Hooft heeft zijn werk uiterst zorgvuldig voorbereid en niet minder nauwkeurig uitgevoerd. Behalve de eigentijdse geschiedschrijvers Bor, Reyd en Van Meeteren, die hij naarstig raadpleegde, heeft hij ook zelfstandig speurwerk verricht. Daartoe raadpleegde hij authentieke documenten, zoals archiefstukken, particuliere brieven, pamfletten; hij sprak met ooggetuigen, correspondeerde met deskundigen over allerlei onderwerpen, o.a. militaire operaties. Hij was niet tevreden voor hij overtuigd was dat de reconstructie der feiten een waarheidsgetrouw beeld vormde.

Objectiveit

In 1628 begon hij met het reusachtige werk. In 1642 verschenen de eerste twin-

vervolg op pag. 5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.