Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BESPREKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BESPREKING

7 minuten leestijd Arcering uitzetten

Na de middagpauze was er ruimte voor de bespreking van het referaat. Daar kwamen de volgende zaken aan de orde:

Zijn we de God van de Bijbel kwijtgeraakt? Er zijn allerlei godsbeelden, en dat is de werkelijkheid waarin wij ons ambt vervullen. Hoe gaan we daar in ons ambtswerk mee om? De inleider noemt dit een absolute kernvraag. We leven in een bepaalde cultuur, en we kunnen innerlijk-inhoudelijk wegdrijven van de Schriften zonder dat we er erg in hebben. Zijn we inderdaad de God van de Bijbel kwijt? Dat is misschien teveel, maar het ‘ik vind’- en ik voel’-idee wint meer en meer terrein. Gezagsvolle lijnen van denken werken niet meer, het individuele wint het. Ieder vormt zijn eigen beeiden, maar inmiddels is ons hart vol van afgoden. Jezus gaat zijn weg vol liefdevolle overgave; als men Hem de weg ziet gaan tot op het kruis, te midden van het kwaad van de mensen… dát is nu God, en laten we daar nu eens samen en allen bij stilstaan! Zo hebben christenen dat door de eeuwen heen gedaan, ook in alle crises die daar plaatsvonden. We zullen terug moeten naar het Bijbels ABC! Maar, zo klonk uit de zaal, het is toch een feit dat de lijnen die de inleider heeft geschetst steeds minder door de mens wordt erkend? Dat zij zo, aldus de inleider, inderdaad zijn de ontwikkelingen in Nederland niet rooskleurig. Maar laten we ons niet door die zorg voortdurend parten laten spelen. In het buitenland (Japan, Korea, Z-Afrika) breekt het Woord door en we zouden het in Nederland eens moeten zien. Laten we acht slaan op getuigenissen van Studenten wereldwijd (bijv. IFES – Engeland). Juist daar, aan de universiteiten, groeit het geloof onder Studenten. We hebben een God die voortgaat met zijn werk, en de Geest gaat van land tot land.

Hoe kunnen we het woord heiligheid nu gebruiken in de richting van de jeugd? Juist bij hen speelt de vraag: wat beleef ik van God, en niet zozeer: wie is God? Het begrip heiligheid verbinden zij met islamieten. De inleider ging hier als volgt op in: er is sprake van een volslagen ‘bewust-loosheid’ van onze cultuur voor de heiligheid van God: we hebben alles gevuld met onze muziek… en waar is zijn heiligheid? En toch… hij vertelde van een bezoek samen met zijn gezin in Taize. Een gigantische zaal met wat kaarslicht, en kussentjes op de vloer. Duizenden jongeren waren er, en wat gebeurde er? Niets! Toen begon een monnik een lied te zingen. In de stilte rees de lofzang, weg van het lawaai. Aan de TUA was vorig jaar een integratieweek: het allesomvattende thema was: stil zijn… en straks zal het als terugkomdag voor de predikanten dienen. Wordt eerst maar eens even stil en doe je schoenen van je voeten, en zie om je heen…

In de eredienst is een grens waar heiligheid en het profane in elkaar overgaan. Kunnen wij als kleine mensen die grens bepalen? Prof. Peels reageerde: dat is een vraag naar de grenzen. Hij heeft daar als ‘rondreizend prediker’ veel over nagedacht. Je komt zodoende namelijk overal de kerken door. Onze erediensten worden zeer verschillend ingevuld, ook binnen de kaders van de gereformeerde liturgie. Dat is iets van de veelkleurige variatie van eerbied tot God. Hij is vaak diep onder de indruk van de eerbied waarmee gereformeerde christenen de diensten invullen, op weg naar de hemelse liturgie! Maar…het mag niet los of plat worden.

Het heilige mag niet profaan worden. De vraag dient altijd te klinken: wie is de Here en wat vraagt Hij van ons? Dat geldt ook de vormen waar men in de eredienst voor kiest. Meer en meer worden de kinderen daarbij betrokken, terecht. Maar laat het wel een éredienst blijven! In Venda kwam een keer de moedergemeente samen, dat gebeurt één keer per jaar. Meer dan 1000 aanwezigen, uren lang. Er was afleggen van geloofsbelijdenis en doop. Rond de 100 nieuwe belijdende leden. Met veel lawaai voor ons besef en toch… adembenemend mooi. Hun wijze van avondmaalsviering zou bij ons oneerbiedig overkomen, maar zo was het dat daar toch niet. Het brengt ons bij het onderscheid tussen vormen en normen… De inleider waarschuwde voor een ‘ik vind en ik voel’-preek.

Op dat moment ontstond er enige discussie met de zaal. De reactie klonk: ‘dat relateert u aan het postmodernisme. Maar ook zei u hoe geweidig het is om getuigenissen van veelbelovende jonge mensen te horen. In de brieven van Paulus lezen we ook een hoog ik-gehalte, als getuigenis. En Spurgeon had het in zijn preken ook over zijn eigen bekering, en dat gaf een persoonlijke warmte’. Prof. Peels herinnerde aan televisiepresentator Andries Knevel, die voor de Studenten aan de TUA eens het advies gegeven heeft om telkens om de zoveel minuten een ikverhaal in de preek te Jeggen. Dat gaf toen veel discussie, voor en tegen. Als Paulus het zo doet, is hij toch aan het preken en doet hij dat als gevolmachtigd apostel. Daar hoort de beleving van binnen bij. Zo wil de inleider naar de eredienst, waar verbondsmensen en anderen samenkomen om Woord en wederwoord te horen. Daarop klonk nog uit de zaal de oproep om in dit opzicht goed te onderscheiden: enerzijds is de gemeente in het kader van de prediking niet gediend met de vraag wat de prediker vindt of voelt, in de zin van: zo denk ik er over, maar u mag het gerast anders denken of voelen. Dat is de ene kant van de zaak. De andere kant is: de prediker mag gerust aan de gemeente laten merken dat het Woord dat hij brengt door hemzelf is heengegaan en dat het bij hemzelf dezelfde warmte of weerstand opwekt als die hij bij zijn gemeente proeft. Dat komt de kracht van het woord ten goede: hij laat dan blijken niet ver van en hoog boven zijn hoorders te staan. Laat de prediker dus vooral doorleefd en persóónlijk spreken!

Er kwam een vraag over godsbeelden: als het om de heiligheid van onze God gaat, in hoeverre zou je dan kunnen zeggen dat de afkalving van het besef van Gods heiligheid ook te maken kan hebben met de manier waarop we met Jezus Christus omgaan? Er is vandaag veel ‘amicaliteit’ in de omgang met Hem waar te nemen. Daarop luidde de reactie: Christus heeft gezegd in een bepaald kader: jullie zijn mijn vrienden, en jullie mogen zonen Gods genoemd worden. Zo diep kan een moslim nooit komen… wij mogen dus met intimiteit en directheid tot God toetreden. Maar dat staat in de Bijbel nooit los van de heiligheid van God. Trek die lijnen niet uit elkaar, maar houd ze bij elkaar! Als Jezus niet jouw vriend is, maar jouw vriendje, dan heeft dat consequenties. We hebben het sola scriptura nodig, maar ook het tota scriptura.

Verder klonk de vraag: In hoeverre is het Bijbels ABC een constante factor? Wel, aldus prof. Peels, we zijn enerzijds een stofje aan de weegschaal, maar we zijn anderzijds ook… een parel in Gods handen. Maar dat laatste is alleen Bijbels te vullen en geestelijk te verwerken vanuit Jes. 43:4. Daar staan de woorden: ‘omdat gij kostbaar zijt in mijn ogen…’ en op een bepaalde manier kunnen we dat liedje dus wel meezingen. Maar let op: wanneer daar de klank in komt van: zie je, zo zijn wij toch maar en dat zijn wij toch maar… dan wijkt de verwondering en dan komen de zaken scheef te liggen: Jes. 43 staat immers in het kader van de ballingschap als oordeel op de zonde! In die God mogen we roemen, tot onze grote verwondering. Wij zullen onze eigenwaarde niet opkrikken.

Een laatste vragensteller wilde de woorden rein en heilig met elkaar in verband gebracht zien. Daarover zei de inleider”: Jezus noemt zijn discipelen rein, om het Woord dat Hij tot hen gesproken heeft. In het OT is sprake van een heel veld van rein-onrein (vaak cultisch toegespitst) en van een heel veld van heilig-onheilig (op het hele leven toegespitst). Dat complex van vragen zou een aparte lezing vergen. Maar in ieder geval kan en mag gezegd worden: het Woord dat de harten vervult, maakt mensen rein voor de Here. Ze mogen in dienst van Hem komen, en ze zijn niet meer onrein zodat er een gesloten gebied voor hen zou zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Christelijk Gereformeerde Kerken

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2011

Ambtelijk Contact | 24 Pagina's

BESPREKING

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2011

Ambtelijk Contact | 24 Pagina's