+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

6 minuten leestijd

17

We beginnen weer met het aanhalen van een gedeelte uit het boek van prof. Oosterhoff:

„Wat in Gen. 3: 16 bedoeld wordt is de slaafse begeerte van de vrouw naar sexuele gemeenschap met de man, zoals die met name in de oud-oosterse wereld voorkwam. We moeten op de achtergrond van het bijbelverhaal namelijk de maatschappij van het oude Oosten zien, niet zozeer die van onze westerse wereld, waar de vrouw voor een groot deel geëmancipeerd is. In de oud-oosterse wereld was de vrouw gedegradeerd tot een slavin van de man. Ze had al haar vrijheid en zelfstandigheid verloren. Enige goede uitzonderingen veranderen de regel niet. Een ongetrouwde vrouw was praktisch ondenkbaar, zulk een vrouw had geen bestaan. Een van de meest verschrikkelijke toestanden in het oude Oosten was een weduwe, een vrouw, die haar man verloren had. Niemand kwam voor haar op. Vandaar dat God telkens oproept de weduwe te verzorgen (Ex. 22:22; Deut. 26:12; Jes. 1:17; Jer. 22: 3 e.a.). Maar het heeft vaak in haar situatie geen verandering gebracht. Er bleef voor een vrouw niets anders over dan een man te bezitten en kinderen te krijgen. Dat laatste hoorde er beslist bij. Want een vrouw die geen kinderen kreeg, was ook maar een ellendig geval. Zo’n vrouw werd veracht en beschouwd als een verworpene door God. Daarom was er bij de vrouw een slaafs verlangen naar een man en kinderen. Daar had ze alles voor over. Desnoods wilde ze de man wel delen met andere vrouwen. Als ze maar een man had en kinderen kreeg. Nog vandaag komen deze toestanden in het oosten voor. Slaafs gaf de vrouw zich over aan de man. Van de wijze, waarop dat toeging, hebben we nog een duidelijk voorbeeld in de tent van Jacob. Zijn beide vrouwen Rachel en Lea vechten met elkaar om sexuele gemeenschap met hun man en ze houden een wedstrijd in kinderen krijgen, waarbij zelfs de dienstmaagden moeten worden ingeschakeld. Het is een weinig verheffende zaak (Gen. 30). Dat is wat Gen. 3:16 op het oog heeft.”

Hier vinden we weer de gedachte van de afhankelijkheid van het bijbelverhaal van de oudoosterse wereld. De bijbelschrijver was daar goed van op de hoogte en houdt er voor honderd percent rekening mee. Er blijft dan niet veel van de openbaring Gods over. Eigenlijk helemaal niets, want we komen telkens in aanraking met een bijbelschrijver, een mens, die alles te boek stelt, rekening houdende met de wereld van het oude oosten.

Hieruit volgt ook, dat vóór deze teboekstelling geen openbaring is geweest of een openbaring, die afweek van de openbaring, die Israël ontving. Dan is de vraag, hoe die openbaring dan wel moet zijn geweest vóór en de eerste eeuwen na de zondvloed. De openbaring wordt hier relatief gemaakt. Alles wordt onderworpen aan menselijke beoordeling en plaatsing in het raam van de wereld van het oude oosten. De zekerheid der dingen wordt weggenomen. God is niet meer aan het woord in Zijn Woord, maar de mens.

Tot de vrouw wordt gezegd, dat de man over haar heersen zal. „Het hebr. werkwoord (masjal) betekent: „macht uitoefenen”. Prof. Oosterhoff noemt voorbeelden en zegt dan: „maar in betrekking tot mensen betekent het bijna steeds „macht uitoefenen,” „tyranniseren”. Dat is ook de betekenis van het werkwoord in Gen. 3:16: en hij (de man) zal u tyranniseren. En weer moeten we denken aan de toestand in het oude Oosten, waar de vrouw een stuk bezit van de man was.”

Verder zegt prof. Oosterhoff: „Dat is de bedoeling van Gen. 3:16, dat de vrouw, die op een gelijkwaardige plaats naast de man geschapen is, verlaagd wordt tot zijn slavin, over wie hij heerschappij voert en die hij tyranniseert. De „hulp die bij hem past” (Gen. 2:18) wordt gedegradeerd tot een onderdane van de man. Dat is een verschrikkelijk gevolg van de zonde voor de vrouw en hoeveel vrouwen zijn door mannen niet getyranniseerd, hebben daar rivieren van tranen om geschreid en zijn er tenslotte aan dood gegaan”.

Volgens prof. Oosterhoff hebben we hier niet te maken met een ordinantie van God, maar gaat het om de bittere gevolgen van de zonde. Dat laatste is uiteraard waar. Die gevolgen mag men zoeken weg te nemen. Beter nog is tot de oorzaak van alle ellende te komen.

Prof. Oosterhoff zegt: „als iemand gewerkt heeft aan de verheffing van de vrouw, dan is dat Jezus geweest”. En verder: „Wanneer het oude huwelijksformulier tot de bruid zegt: „En na de val heeft God tot Eva en in haar tot het ganse vrouwelijke geslacht gesproken: Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben. Deze ordinantie zult gij niet tegenstaan, maar veel meer het gebod Gods gehoorzaam zijn,” dan is dat onjuist. Het is helemaal geen ordinantie of instelling van God, dat mannen over vrouwen zullen heersen”. Hij grondt zijn stelling op de visie in het oosten, waar de vrouw een stuk bezit van de man was. Dat is van invloed geweest op de bijbelse openbaring.

Maar hoe kan de Heere dan ijveren over Zijn volk, dat als een ontrouwe vrouw Hem verlaten heeft? Is de verhouding tussen de Heere en Zijn volk een verhouding van gelijkheid? Natuurlijk niet. Zou de Heere zich dan in Zijn spraakgebruik aangepast hebben aan de oosterse gedachte, waarbij de man meer is dan de vrouw?

En hoe zit het dan met wat Paulus schrijft in Ef. 5: 22 vv.? Wanneer prof. Oosterhoff gelijk zou hebben vervalt naar onze gedachte de grondslag voor wat daar staat. Daar wordt juist een andere verhouding tussen man en vrouw, tussen Christus en Zijn gemeente voorgesteld dan die van gelijkheid. Welk een troost voor Gods kinderen wordt weggenomen, wanneer Christus niet meer hun Hoofd kan worden genoemd.

Prof. Oosterhoff spreekt over de gevolgen van de zonde voor de man. „Het hele leven is een sluitend wordt gesproken van het boerenleven, leven van zwoegen en slaven (Gen. 3:17v). Uitmaar dat past geheel bij het leven van de Israëliet, dat hoofdzakelijk agrarisch was.”

de zondeval? Ook hier propageert de schrijver Past dat niet bij het leven van de mens vlak na de gedachte, dat de bijbelschrijver zich aanpast aan een situatie, die hij vindt. We hoeven daar niet opnieuw op in te gaan.

Aan het slot van deze paragraaf komt prof. Oosterhoff weer terug op de mededeling, dat de HEERE God kleren van vellen maakte en die de mensen aantrok. We hebben daar al een en ander over gezegd en kunnen daarnaar verwijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.