+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

11.

Voor het innerlijke leven is het van grote betekenis zo wij leren leven vanuit het welbehagen des Heeren. In ons leven vanuit Adam is niet iets te bedenken dat de Heere welbehagelijk kan zijn, al heeft het nog zoveel schijn van vroomheid. In de staat van onze ellende zijn wij altijd en in alles verwerpelijk voor God.

Gods welbehagen is in Christus, Zijn Knecht, de Zaligmaker der wereld. „En het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan”.

Gods welbehagen had zijn ingang en voortgang bekomen in het hart van de Pelgrim. Vanuit de staat der ellende was hij gesteld in de staat der genade, bij de inlijving in Christus, door het wezen des geloofs deelachtig te worden.

In het nieuwe leven der genade, dat voortvloeit uit de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus door de dierbare werkingen van de Heilige Geest, heeft God Zijn welbehagen. En nu wil de Heere dat wij in het geloof leren leven uit Zijn welbehagen. Dat is altijd tot vernedering van de mens en tot verheerlijking van de Heere.

De Pelgrim heeft bij het openen van en het gaan door de enge poort de zoetigheid van Gods welbehagen mogen proeven en smaken. Zijn hart was versierd met de zachtmoedigheid en nederigheid, met de oprechtheid en gehoorzaamheid van Christus. Er was in hem, tot roem van de Geest van Christus, niet de minste zelfverheffing te bespeuren. Zijn droefheid over de zonde en zijn bukken in het stof der verootmoediging vloeide voort uit zijn geloofsgemeenschap met Christus. En zo is het ingaan door de enge poort een ingaan door Christus. De waarachtige bekering is een afsterven en opstaan in en door Christus.

Van deze geloofswerkzaamheden bekomen de oprechten met meer of minder klaarheid iets in het hart. Toen deze poort voor u geopend werd om in te gaan, werd het u duidelijk dat uw komst tot de Heere met al uw noden, met al uw schuld en zonden, Hem welbehagelijk was. U mocht Hem net als de Pelgrim alles vertellen, het was u niet mogelijk enig kwaad voor Hem te verbergen. En al werd de last der zonde niet van u weggenomen, u werd net als de verloren zoon gekust en omhelsd vanuit Gods goedertierenheid. Dat verbond uw hart des te inniger aan de Heere en aan Zijn dienst. Hiervan te zwijgen was u niet mogelijk, vanuit de volheid van uw gemoed mocht u Zijn goedertierenheid prijzen.

Vanuit het welbehagen des Heeren is de Pelgrim vol verwondering, daar hij zo zoet en zalig vertroost is. Maar wat zijn zware last betreft, daarvan kan hij door W elbehagen niet bevrijd worden. Daarvoor moet hij op de plaats der bevrijding komen, de plaats waar het recht Gods zijn totale verheerlijking heeft verkregen. En daar zal die zware last hem als vanzelf van de schouders glijden. En zo is hem de deur der hoop met meer klaarheid geopend, hij heeft met meer vrucht in het hart de ruimte van het Evangelie aanschouwd.

Verkwikt en vertroost vanuit het welbehagen des Heeren wordt de Pelgrim de weg gewezen naar het huis van Uitlegger. Een huis waar hem verschillende zaken van grote betekenis meegedeeld zullen worden, opdat hij de voorzichtigheid der rechtvaardigen met meer ernst zou leren betrachten.

Gekomen bij het huis van Uitlegger moet hij naar het voorschrift hem gegeven, kloppen en wachten totdat hem zou worden opengedaan. De Pelgrim heeft van Godswege het genaderecht om tot deze poort te komen en aan te kloppen. Maar tegelijkertijd moet hij meer en meer geoefend worden in de beleving van zijn afhankelijkheid en onwaardigheid. Na het kloppen is de deur van buitenaf niet te openen. Het is niet mogelijk zo maar binnen te stappen, u moet wachten totdat de deur u geopend wordt. Van stap tot stap moeten wij door Gods Geest geleid worden.

De wetenschap dat wij onze harten niet kunnen stellen in het licht van Gods vriendelijk aangezicht, in de onderwijzingen van Zijn Geest, moet beleefd worden. En bij het wachten op het openen van de deur, wil de Heere dat wij gedurig kloppen met een diep besef van onze onwaardigheid. Ja, met de bekentenis dat het rechtvaardig zou zijn vanwege onze verdorvenheid als de deur gesloten bleef.

Deze beproeving dient tot verkrijging van een innig gebedsleven. Uit het kloppen en wachten tot u wordt opengedaan, bemerkt de Heere dat u vertrouwt op dit woord: „Klopt, en u zal open gedaan worden”. Eindelijk werd de pelgrim door Uitlegger, de heer van dit huis, de deur geopend als hij het doel van zijn komst te kennen gegeven had. Vriendelijk sprak hij tot hem dit woord: „Kom binnen, dan zal ik u zeggen wat u nuttig kan zijn”. Zijn hart werd er door vertroost tot versterking in het geloof. Gekomen in dit heerlijke pelgrimshuis moest hij Uitlegger bij het licht dat hem ontstoken werd, van kamer tot kamer volgen, voor het onderwijs dat hij nodig had tot verzoening door voldoening.

In dat verband wordt in Job. 33 van een Godsgezant, een Uitlegger gesproken. En dat is Gods volheerlijke openbaring in Jezus Christus. Een Gezant, een Uitlegger van het hoogste gerechtshof moet er bij Job en zijn vrienden aan te pas komen. Het twistuur ging eerst van dag tot dag en daarna van uur tot uur steeds feller branden. Iedereen bracht op zijn tijd hout uit doornbossen gehouwen mee, om het vuur der verbittering brandende te houden.

Job heeft reeds een beroep gedaan op het hoogste gerechtshof, en nu wordt er ook van gesproken door Elihu. En wat zal Gods Gezant en Uitlegger er nu aan doen om de mens zijn rechte plicht te leren tegenover God en zijn naaste? Een plicht die wij als mensen elkander niet kunnen leren.

Door Gods Gezant worden de partijen in de eerste plaats tot zwijgen gebracht. Met een redenerende godsdienst kunnen wij niet bestaan, kan het twistuur niet geblust worden. Bij het aanschouwen van Gods grootheid kwam Job in vernedering en zelfverfoeiing. Met een innig berouw over al zijn geredeneer bekende hij stof en as te zijn. Met een zwijgende mond geeft hij zijn zaak geheel en onvoorwaardelijk aan de Heere over. En dat is nu het werk van Gods Gezant en Uitlegger. Daarna zijn door Gods Gezant de vrienden tot zwijgen gebracht. Met een brandoffer moeten zij naar Job opdat hij voor hen zou bidden. Hier wordt geen twistwoord meer gehoord. Hoe is het mogelijk? Wie had dat kunnen denken? Nu ontmoeten wij Job met zijn vrienden aan de troon van Gods genade. En de Heere nam het aangezicht van Job aan.

Door het geloof is Job nu met zijn vrienden in het hof des hemels, en dat is het werk van Gods Gezant en Uitlegger. En Hij die Job met zijn vrienden heeft leren bidden, bidt: „Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden”. En hierop volgt de verhoring: „Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden”. Gods Gezant is de Middelaar Gods en der mensen. En zie, de Heere opende de gevangenis van Job.

De Pelgrim moet weten, en wij met hem, dat het leven een zaak des gerichts is, waarin wij Gods Gezant en Uitlegger van dag tot dag nodig hebben, om een biddend leven te leren leven. Hij is onze Trooster, onze Voorspraak bij de Vader. En de Geest des Vaders en des Zoons is onze Trooster hier op aarde. Hij bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Hij is de Uitlegger van de Schrift. Hij leidt ons in de waarheid. Alleen door Uitlegger kunnen wij het Goddelijk spreken tot ons verstaan en ter harte nemen. En zo hebben wij Zijn bediening ook van node in het bidden tot God, in het smeken om ontferming. Bij ons staan in het huis van Uitlegger moet het ons duidelijk zijn dat deze man tot ons spreekt vanuit het Woord des Geestes. Wij zijn hier dus op de leerschool van Uitlegger. Bunyan beziet dit in het licht van het geheel en zo worden wij hier gesteld op de leerschool van de Heilige Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.