+ Meer informatie

De Jehova's Getuigen (2)

10 minuten leestijd

Benadering

In het vorige artikel gaf ik een korte schets van deze actieve en fanatieke sekte. Uiteraard was deze schets niet volledig. Men kan trouwens op allerlei manieren over deze sekte worden geïn formeerd. Het bekendste en meest in formerende boek is wel dat van ds. H. J. Spier: De Jehova's Getuigen en de Bij bel. (2e vermeerderde druk 1971).

Gelijk beloofd aan het slot van het eer ste artikel en overeenkomstig de bedoe ling van de redactie willen we in dit artikel de vraag onder ogen zien hoe wij de aanhangers van deze sekte moe ten benaderen in de praktijk. Ook als ambtsdragers kunnen wij met deze sekte worden geconfronteerd. Hoe te hande len ?

Er zijn in hoofdzaak vier mogelijkheden:

1) Men komt zelf als privé persoon oog in oog met een Jehova Getuige te staan of men wordt als ambtsdrager door een gemeentelid geroepen bij een door hem gearrangeerd of niet te ontgaan gesprek met een Jehova Getuige.

2) Eén van onze leden is in de greep van de Jehova Getuigen gekomen en staat op het punt toe te treden tot deze sekte.

3) We krijgen te maken met een ge zin, een huwelijk waarvan één van de beide partners Jehova Getuige is (ge worden).

4) In een gezin zijn de beide ouders overgegaan naar de Jehova Getuigen. De kinderen weten niet wat zij er van moeten denken .Zij zijn doopleden van de gemeente. Welke weg moeten we gaan ?

Afwijzen of getuigen ?

Menigmaal wordt gezegd en dienover eenkomstig gehandeld bij het onder 1) genoemde geval: een Jehova Getuige moet je zonder meer de deur wijzen. Dikwijls wordt deze houding gemoti veerd met het woord uit 2 Joh. : 10: In dien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom.

Wijlen prof. dr. S. Greydanus heeft erop gewezen dat Johannes met dit niet in uw huis ontvangen bedoelt ’niet in die hoedanigheid, waarin hij zich aandient, en waarin hij met u gemeenschap zoekt’. Het gaat hier over het erkennen en ont vangen van iemand als leraar der waar heid, des Evangelies. En nu zegt Johan nes, dat alle gemeenschap geweigerd moet worden met dengene, die niet het zuivere Evangelie predikt. Dien moet de gelovige niet toestaan zijn dwaalleer te brengen’. (K.V. 150).

De juiste conclusie moet dan m.i. ook zijn dat wij tegenover de Jehova Getui gen als mens een roeping hebben nl. hem het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en hem duidelijk op te roepen zich te bekeren van zijn dwaal weg.

Wij behoeven niet pardoes de deur voor hun neus dicht te doen, geïrriteerd als we kunnen zijn door hun volhardende activiteit; hun superieure, zelfverzeker de levensinstelling. Misschien speelt in die irritatie ook een rol dat we zelf met de evangelisatie maar slecht uit de voe ten kunnen en eigen plaatselijke ge meente maar slecht is te activeren. En uitgerekend een dag na een teleurstel lende vergadering over gemeentelijke activiteiten belt een Jehova Getuige aan ……

Toch zou deze reactie, hoe menselijk be grijpelijk ook, niet juist zijn.

In de eerste plaats zijn de Jehova Ge tuigen niet de blijmoedige getuigen, die gegrepen door hun overtuiging, gedre ven worden door een heilig moeten. Hun ’belletje drukken’ is in de grond van de zaak een harde plicht, een vorm van wetticisme, die aan deze mensen iets hards en verbetens geeft.

In de tweede plaats zijn ook zij mensen, die eenmaal voor God verantwoording hebben af te leggen. En als wij geen woord tot hun behoud hebben gezegd, zijn wij dan verantwoord ?

We doen er beslist geen zonde aan, wan neer wij een Jehova Getuige in huis halen en met hem praten, zo mogelijk door hem te brengen op de koninklijke weg van het Evangelie.

Alleen — we zullen dat zeer bewust moeten doen.

We zullen duidelijk moeten stellen dat we hem niet ontvangen als ’leraar der waarheid’; dat we niet de zoekende ziel zijn, die blij zijn dat iemand ons de weg wil wijzen.

We zullen duidelijk moeten maken dat we hem ontvangen om hèm de weg te wijzen. U hebt de leiding en niet hij. Wil hij zo niet ontvangen worden, dan hebt u uw plicht gedaan.

Tegelijk zullen we zeer bewust een doel voor ogen moeten hebben. Niets in dit gesprek mag aan het 'toeval' worden overgelaten.

Laat u niet verstrikken in de gedachten schema's van uw gesprekspartner. Uiter aard is het aan te bevelen op de hoogte te zijn van hun voornaamste leerstellin gen. Belangrijk is ook dat men niet ’weg’ is van de Bijbelkennis van deze lieden, maar hun Bijbelgebruik doorziet, en dat aan de kaak stelt. Deze adviezen gelden natuurlijk in dezelfde mate als men als ambtsdrager door een gemeentelid ge roepen wordt bij een confrontatie met een Jehova Getuige. In sommige geval len kan dit zijn nut hebben. Maar men moet weten wat men doet en hoe men het doet. Als men zichzelf niet ’safe’ voelt wegens te weinig informatie, dan schrome men niet een voor dit doel ge schiktere collega in te schakelen.

Afwijzen van een dergelijke ontmoeting kan uitgelegd worden als zwakte en deze indruk moet koste wat kost ver meden worden.

Laat een dergelijke ontmoeting nooit plaats vinden op het vlak van ’t 'is nie tes, ’t is welles’. Alle nadruk moet val len op het getuigen, niet op het ver standelijk overtuigen.

In de greep van

Een lid uit de wijk is in de greep van de Jehova Getuigen terecht gekomen en denkt er ernstig over om zich aan te sluiten bij deze groep.

Belangrijk is in deze en al dergelijke gevallen — van overgang naar een an dere kerk of groep — dat men hier tijdig van op de hoogte is. De praktijk leert helaas dat men er als ambtsdrager kennis van krijgt als de beslissingen reeds gevallen zijn en men alleen nog wat kan na-praten.

Scherpe waakzaamheid is hier geboden. We kunnen het hart niet genoeg op de kudde zetten.

We zijn zo bang geworden voor ’bevoog den’ en ’inspecteren' dat allerlei verkeer de opvattingen ruime doortocht en in gang kunnen krijgen. Later staan we voor het probleem hoe we de gevolgen kunnen afdammen.

We zullen aan iemand, die in de greep van deze sekte terecht is gekomen, bij zonder ambtelijke aandacht moeten ge ven, desnoods ten koste van enkele ’goe de’ leden.

Voor twee fouten moeten we ons m.i. wachten in het gesprek over deze aan sluiting.

Allereerst zullen we niet uit de hoogte moeten neerzien op de dwalende broeder en hem niet laten voelen dat hij voor ons reeds een afvallige is. Hoe begrijpe lijk deze reactie is, we schieten ons doel voorbij en we vertonen op dat ogenblik de gestalte van de grote Ambtsdrager niet.

Hoe meer we naast iemand gaan staan, die dwaalt in leer of leven, hoe meer we kunnen bereiken ten goede.

Een tweede fout is dat we een leerstel lig, dogmatisch debat aangaan.

Prof. dr. P. J. Roscam Abbing gebruikt in zijn pas verschenen boek ’Een goed gesprek' het volgende beeld, vrij ver taald: een sekte is een ballon. Nu kun je proberen er van terzijde in te prik ken. bv. met een markant evangelie woord. Dat is haast nooit aan te beve len. Men roept een theologisch dispuut op. Je kunt ook proberen het ventiel van de ballon te zoeken en langzaam te ope nen. Dan ontstaat een gesprek over de grondfout in het geheel. Hoe veel voor delen dit ook heeft, het is toch vaak niet verstandig het zo te doen. ’De emotio nele achtergrond is waarschijnlijk zo vi taal, dat het geen echt gesprek wordt’ (194).

Veel verstandiger is het de mens achter de overtuiging serieus te nemen.

Wat zit er nu achter dat men zich aan getrokken voelt tot de Jehova Getuigen? Is men aan lager wal geraakt ? In feite een kneusje geworden en in èn door de kerk niet goed opgevangen ? Deze ge vallen komen nogal eens voor. Het is erg belangrijk wanneer dat boven water komt.

Was er een tekort aan de beleving van ae gemeenschap der heiligen ? Het is mijn ervaring dat diverse overgangen naar sekten en groepen daarop terug gaan. Men wordt daar serieus genomen, ontvangt bezoek, telt mee — zaken, die in de kerk nogal eens te wensen over laten.

Als dit de achtergrond is en erkend wordt, zal men veel moeten toegeven maar kan men tegelijk duidelijk stellen dat de erkende tekortkomingen niet een afwijking van het hart van het Evange lie wettigen: de loochening van de Drie eenheid, de streep door onze doop.

Voor het overige verwijzen we naar wat boven gezegd is onder ’Afwijzen of ge tuigen’.

Breuk?

Bijzonder moeilijk wordt de ambtelijke arbeid wanneer één van de huwelijks partners overgaat naar deze sekte — het is reeds vanuit de grondprincipes van de Jehova Getuigen onmogelijk om te gelijk kerklid en Jehova Getuige te zijn — terwijl de andere partner deze over gang betreurt en zeer beslist niet wil meemaken, maar lid van de kerk blijft. Er komt dan een brok huwelijksleed in ons gezichtsveld.

Duidelijk wordt dat in dit geval de gees telijke gemeenschap verbroken wordt met alle gevolgen voor de rechte huwe lijkseenheid.

Het is te begrijpen dat sommigen tot echtscheiding willen overgaan. Hoe be grijpelijk ook, we zullen vanwege de aard van het huwelijk, dit advies niet mogen geven, uitzonderingen daarge laten nl. wanneer een overgang naar deze sekte gepaard gaat met overspel. We zullen alles moeten doen om het huwelijk te redden.

Belangrijk is daarvoor dat we de rech ten van de kerkelijke partij goed onder strepen.

Men zal moeten streven naar een wijze van leven, die vrij is van dictatuur en die de ander de ruimte geeft en de ruim te laat, die nodig is.

Vanzelfsprekend zullen juist die leden, die in een dergelijke situatie verkeren, bijzondere ambtelijke begeleiding be hoeven.

Niet minder aan te bevelen is het be paalde leden dringend te verzoeken der gelijke broeders of zusters extra te be zoeken en te helpen.

Juist in zo’n geval moet de gemeen schap der heiligen optimaal functio neren.

En de kinderen ?

Tenslotte kan er het geval zijn dat vader en moeder overgaan naar de Jehova Ge tuigen.

Het moet voor geen ambtsdrager van zelfsprekend zijn dat de kinderen dezelf de weg gaan.

In het ambtelijke gesprek zal speciale nadruk moeten vallen op de verantwoor delijkheid, die de ouders op zich hadden genomen met betrekking tot hun kin deren.

Zijn de kinderen klein, dan zullen in de meeste gevallen de ouders hun kinderen meetronen.

Maar zijn de kinderen groter, dan dient met de kinderen zelf te worden gespro ken.

We moeten niet schromen in dergelijke gevallen de eigen verantwoordelijkheid van de kinderen te beklemtonen. Zij zul len Gode in dit geval meer moeten ge hoorzamen dan de mensen, c.q. hun ouders.

Het kan nodig zijn in dergelijke gevallen het tot een breuk tussen ouders en kin deren te laten komen en voor de kinde ren een ander tehuis te zoeken, waar ze worden opgevangen en opgevoed.

Een theoretische mogelijkheid is dit niet. Ik weet van een collega van een andere kerk dat in zijn wijk een dergelijke si tuatie zich voordeed en het tot een der gelijke breuk kwam.

Wie het boek las van Josy Doyon ’Her ders onder erbarmen’ — ondertitel: ver slag van een dwaaltocht — leest op tref fende, onopgesmukte wijze hoe verwoes tend en misleidend de praktijk fan de Jehova’s Getuigen is.

Het is een verantwoordelijke zaak om tot deze stap over te gaan en het vraagt bijzonder veel ambtelijke tact en wijs heid om in dergelijke, onverhoopte ge vallen, leiding en zielzorg te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.